id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2016 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160519.2 Rolnummer: C.13.0256.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2016-06-15 Raadplegingen: 1748 - laatst gezien 2026-06-19 00:18 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160519.2 Fiche 1 Uit de bepalingen van artikel 40, tweede lid, 41, §§ 1 en 2, en 42 Taalwet Bestuurszaken volgt dat de berichten en mededelingen van de centrale diensten, waarvan sprake in artikel 40 Taalwet Bestuurszaken, deze zijn die bestemd zijn voor het publiek in het algemeen, terwijl de akten en overige stukken waarvan sprake in de artikelen 41 en 42 van toepassing zijn op de geïndividualiseerde betrekkingen van de overheid met particulieren en private bedrijven; op grond van de vaststellingen, die inhielden dat de bestreden beslissing te dezen niet enkel gericht was tegen de netbeheerder die het voorstel had ingediend, maar tot elke mogelijke gebruiker in welk taalgebied deze zich ook bevindt, zonder onderscheid des persoons, vermochten de appelrechters te oordelen dat deze beslissing valt onder de categorie "berichten en mededelingen" bedoeld in artikel 40, tweede lid, Taalwet Bestuurszaken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN Vrije woorden: Centrale diensten - Berichten en mededelingen (artikel 40 Taalwet Bestuurszaken) - Akten en overige stukken (artikelen 41 en 42 Taalwet Bestuurszaken) - Begrippen - Toepassing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij KB 18 juli 1966 - 18-07-1966 - Artt. 40, tweede lid, 41, §§ 1 en 2, en 42 - 31 ELI link Pub nr 1966071850 Fiche 2 Artikel 58, eerste lid, Taalwet Bestuurszaken is van openbare orde en de sanctie dient, al naar gelang het geval bij toepassing van artikel 159 Grondwet, door de rechter te worden toegepast ongeacht het bestaan van belangenschade; wanneer de rechter vaststelt dat bepaalde passages van een bericht of mededeling in de zin van artikel 40, tweede lid, Taalwet Bestuurszaken in het geheel niet werden vertaald in het Nederlands of het Frans, heeft hij geen keuzemogelijkheid en is hij verplicht de nietigheid van de akte vast te stellen of uit te spreken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN Vrije woorden: Vermelding in een andere taal dan de door de Taalwet Bestuurszaken aangeduide taal - Artikel 58 Taalwet Bestuurszaken - Openbare orde - Nietigheidssanctie - Toepassing door de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij KB 18 juli 1966 - 18-07-1966 - Art. 58, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1966071850 Fiche 3 Het criterium dat "er geen ruimte voor redelijke twijfel mag bestaan" opdat de nationale rechter overeenkomstig artikel 267 VWEU niet verplicht zou zijn een prejudiciële vraag te stellen, geldt voor de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen rechtsmiddel meer openstaat, maar niet voor de rechter tegen wiens beslissingen wel nog een rechtsmiddel openstaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Nationale rechter - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Artikel 267 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiche 4 Ingeval de toepassing van een nationale norm dreigt te leiden tot een conflict met een EU-norm, zoals bij niet-tijdige omzetting van een richtlijn, dient een nationale overheidsinstantie, zoals de eiseres, krachtens het beginsel van de loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, § 3, VEU na te gaan of het nationale recht zodanig kan worden geïnterpreteerd dat het bedoelde conflict wordt vermeden, met name door een richtlijnconforme uitlegging of toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Beginsel van de loyale samenwerking - Artikel 4, § 3, Verdrag betreffende de Europese Unie - National norm - Risico tot conflict met een EU-norm - Nationale overheidsinstantie - Interpretatie - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie - 07-02-1992 - Art. 4, § 3 - 32 Link Justel databank 19920207-32 Fiche 5 Uit de titel, de rechtsoverwegingen
(3),
(6),
(11),
(13)en
(30)alsook uit de artikelen 1,13,14 en 18 van Verordening nr. 714/2009 van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening nr. 1228/2003 blijkt dat de bedoelde verordening het verschaffen van een geharmoniseerd kader voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit viseert; aldus moeten de daarin gestelde regels tot harmonisatie van de toegang tot het netwerk en tarifering en de bevoegdheden die daartoe aan de nationale regulerende instanties worden toegekend, in het kader van de grensoverschrijdende handel worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verordening nr. 714/2009 - Grensoverschrijdende handel in elektriciteit - Geharmoniseerd kader - Toegang tot het netwerk, tarifering en bevoegdheden - Nationale regulerende instanties - Toepassing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 - 13-07-2009 - Artt. 1, 13, 14 en 18 Fiche 6 De in punt 3 van deel B van Verordening nr. 838/2010 vermelde "door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven", verwijst naar het in punt 2 van dit deel vermelde "waarde van de door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven", die berekend wordt op grond van het totaal van de gemiddelde transmissietariefkost per producent, en aldus van een individueel gemiddelde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verordening nr. 838/2010 - Elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders - Vergoedingsmechanisme - Richtnoeren - Transmissietarifering - Berekening - Wijze Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 838/2010 van de Commissie van 23 september 2010 betreffende de vaststelling van richtsnoeren met betrekking tot het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders en een gemeenschappelijke ... - 23-09-2010 - deel B, punt
(2)en
(3)Fiche 7 Gelet op de verschillende doestelling die ten grondslag ligt aan artikel 32.
- van richtlijn nr. 2009/72/EG (Derde Elektriciteitsrichtlijn), enerzijds, dat de toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, gegrond op transparantie en non-discriminatie betreft en dat deel uitmaakt van het hoofdstuk VIII betreffende de "Organisatie van de toegang tot het systeem", en de artikelen 36 en 37 van dezelfde richtlijn, anderzijds, die de algemene doelstelling, taak en bevoegdheden van de regulerende instantie tot voorwerp hebben en aldus deel uitmaken van het hoofdstuk IX over de nationale regulerende instanties, verhouden deze bepalingen zich niet als een lex generalis ten opzichte van een lex specialis , zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat de artikelen 36 en 37 primeren op het artikel 32.
- van de richtlijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Richtlijn 2009/72/EG (Derde Elektriciteitsrichtlijn) - Artikel 32.1 - Artikelen 36 en 37 - Doelstellingen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG - 13-07-2009 - Artt. 32.1, 36 en 37 Fiche 8 Krachtens artikel 32.1. van de Derde Elektriciteitsrichtlijn moeten de bekendgemaakte tarieven voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers; uit deze bepaling volgt dat de verplichting voor de regulator om, binnen het kader van zijn beleid, het principe van de niet-discriminatie na te leven, een algemene gelding heeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Richtlijn 2009/72/EG (Derde Elektriciteitsrichtlijn) - Artikel 32.1 - Gelding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG - 13-07-2009 - Art. 32.1 Fiche 9 Het afdoende karakter van de motivering houdt in dat deze pertinent moet zijn en draagkrachtig, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen; de motivering moet eenieder, die gerechtigd is op te komen tegen de bestuurshandeling, in staat stellen te beoordelen of hij dit met nuttig gevolg kan doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Beslissing CREG - Bestuurshandeling - Motivering - Afdoende karakter - Begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Fiche 10 Krachtens artikel 6 van de Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is deze wet slechts van toepassing op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorafgaande artikelen; hieruit volgt dat de strengste motiveringsplicht van toepassing moet zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Beslissing CREG - Bestuurshandeling - Uitdrukkelijke motivering - Artikel 6 Wet 29 juli 1991 - Toepassing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 6 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Fiche 11 De in artikel 12, §7, van de wet van 29 april 1999 neergelegde verplichting voor de regulator om zijn gemotiveerde beslissing over het tariefvoorstel mede te delen aan de netbeheerder, geldt niet enkel ten aanzien van de netbeheerder als aanvrager van de vergunning en de rechter, maar ten aanzien van elke betrokkene die tegen de bestuurshandeling kan opkomen; uit de vereiste dat de motivering eenieder, die gerechtigd is op te komen tegen de bestuurshandeling, in staat moet stellen te beoordelen of hij dit met nuttig gevolg kan doen, volgt tevens dat het noodzakelijk is de redenen uiteen te zetten waarom de argumentatie van de netbeheerder wordt bijgetreden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Tariefvoorstel - Gemotiveerde beslissing - Verplichting regulator - Artikel 12, § 7, Wet 29 april 1999 - Omvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Artt. 3 en 6 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Wet 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt - 29-04-1999 - Art. 12, § 7 - 42 ELI link Pub nr 1999011160 Fiches 12 - 22 Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN Vrije woorden: Centrale diensten - Berichten en mededelingen (artikel 40 Taalwet Bestuurszaken) - Akten en overige stukken (artikelen 41 en 42 Taalwet Bestuurszaken) - Begrippen - Toepassing - Gevolg Vermelding in een andere taal dan de door de Taalwet Bestuurszaken aangeduide taal - Artikel 58 Taalwet Bestuurszaken - Openbare orde - Nietigheidssanctie - Toepassing door de rechter - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Nationale rechter - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Artikel 267 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Beginsel van de loyale samenwerking - Artikel 4, § 3, Verdrag betreffende de Europese Unie - National norm - Risico tot conflict met een EU-norm - Nationale overheidsinstantie - Interpretatie - Wijze Verordening nr. 714/2009 - Grensoverschrijdende handel in elektriciteit - Geharmoniseerd kader - Toegang tot het netwerk, tarifering en bevoegdheden - Nationale regulerende instanties - Toepassing - Gevolg Verordening nr. 838/2010 - Elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders - Vergoedingsmechanisme - Richtnoeren - Transmissietarifering - Berekening - Wijze Richtlijn 2009/72/EG (Derde Elektriciteitsrichtlijn) - Artikel 32.1 - Artikelen 36 en 37 - Doelstellingen - Gevolg Richtlijn 2009/72/EG (Derde Elektriciteitsrichtlijn) - Artikel 32.1 - Gelding - Gevolg Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Beslissing CREG - Bestuurshandeling - Motivering - Afdoende karakter - Begrip - Gevolg Beslissing CREG - Bestuurshandeling - Uitdrukkelijke motivering - Artikel 6 Wet 29 juli 1991 - Toepassing - Gevolg Tariefvoorstel - Gemotiveerde beslissing - Verplichting regulator - Artikel 12, § 7, Wet 29 april 1999 - Omvang - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. C.13.0256.N DE COMMISSIE VOOR REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG), met zetel te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat 26-38, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- ELECTRABEL nv, met zetel te 1000 Brussel, Simon Bolivarlaan 34, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,
- E.ON GENERATION BELGIUM nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Jan Frans Willemsstraat 200,
- E.ON BENELUX nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3068 AX Rotterdam (Nederland), Capelseweg 400,
- EDF LUMINUS nv, met zetel te 1000 Brussel, Markiesstraat 1,
- EDF BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Markiesstraat 1, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, waar de verweersters woonplaats kiezen, in aanwezigheid van
- ELIA SYSTEM OPERATOR nv, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 20,
- BELGISCHE VERBRUIKERSUNIE TEST AANKOOP, met zetel te 1060 Brussel, Hollandstraat 13, in gemeenverklaring opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 6 februari
- Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 4 april 2016 een schriftelijke conclusie neergelegd. Afdelingsvoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, zeven middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Anders dan de eiseres voorhoudt, oordelen de appelrechters dat de bedoelde beslissing "valt onder de categorie ‘berichten en mededelingen' bedoeld in art. 40, tweede lid [Taalwet Bestuurszaken]" en dat het "daarbij duidelijk niet [gaat] om één van de administratieve akten die bedoeld worden in artikel 42". In zoverre het onderdeel een tegenstrijdigheid of dubbelzinnigheid aanvoert, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 40, tweede lid, Taalwet Bestuurszaken worden de berichten en mededelingen die de centrale diensten rechtstreeks aan het publiek richten in het Nederlands en in het Frans gesteld. Krachtens artikel 41, § 1, Taalwet Bestuurszaken maken de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. Krachtens artikel 41, § 2, Taalwet Bestuurszaken wordt aan de private bedrijven, die gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of uit het Franse taalgebied, echter in de taal van dat gebied geantwoord. Krachtens artikel 42 Taalwet Bestuurszaken stellen de centrale diensten de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in die van de drie talen waarvan de belanghebbende particulier het gebruik vraagt.
- Uit deze bepalingen volgt dat de berichten en mededelingen van de centrale diensten, waarvan sprake in artikel 40 Taalwet Bestuurszaken, deze zijn die bestemd zijn voor het publiek in het algemeen, terwijl de akten en overige stukken waarvan sprake in de artikelen 41 en 42 van toepassing zijn op de geïndividualiseerde betrekkingen van de overheid met particulieren en private bedrijven.
- De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres een centrale dienst is waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt in de zin van de vermelde taalwet; - de bestreden beslissing de goedkeuring inhoudt van het totale inkomen van Elia System Operator nv, die sedert 17 september 2002 op federaal niveau is aangewezen als netbeheerder, voor de gereguleerde periode 2012-2015, van een tariefvoorstel van Elia System Operator voornoemd en van nettarieven die betrekking hebben op het gehele Belgische grondgebied; - de tarieven die door de bestreden beslissing worden vastgelegd de consument rechtstreeks raken; - de eiseres verplicht is tot bekendmaking van deze beslissing ten behoeve van het publiek opdat het kennis zou kunnen nemen van deze beslissing.
- Op grond van deze vaststellingen, die inhielden dat de bestreden beslissing te dezen niet enkel gericht was tot de netbeheerder die het voorstel had ingediend, maar tot elke mogelijke gebruiker in welk taalgebied deze zich ook bevindt, zonder onderscheid des persoons, vermochten de appelrechters te oordelen dat deze beslissing valt onder de categorie "berichten en mededelingen" bedoeld in artikel 40, tweede lid, Taalwet Bestuurszaken. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 40, tweede lid, 41, § 2, en 42 Taalwet Bestuurszaken, kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat bestreden beslissing overeenkomstig artikel 58 Taalwet Bestuurszaken nietig is, niet enkel op grond van de vaststelling dat twee van de kwestieuze passages in de bestreden beslissing slechts in vrije vertaling werden weergegeven, maar tevens op grond van de vaststelling dat deze bestreden beslissing "een uittreksel van 21 lijnen zonder weergave van de zakelijke inhoud van die passus in het Nederlands weergeeft", waardoor "de Nederlandstalige tekst een niet in het Nederlands vertaalde passus in het Frans omvat", zodat "de met de Franse tekst overeenstemmende versie in het Nederlands" van de beslissing niet voorhanden is.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat voor alle passages in het Frans een vrije vertaling in het Nederlands werd verstrekt in de bestreden beslissing, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 58, eerste lid, Taalwet Bestuurszaken, zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten.
- Deze bepaling is van openbare orde en de sanctie dient, naargelang het geval bij toepassing van artikel 159 Grondwet, door de rechter te worden toegepast ongeacht het bestaan van belangenschade. Wanneer de rechter vaststelt dat bepaalde passages van een bericht of mededeling in de zin van artikel 40, tweede lid, Taalwet Bestuurszaken in het geheel niet werden vertaald in het Nederlands of het Frans, heeft hij geen keuzemogelijkheid en is hij verplicht de nietigheid van de akte vast te stellen of uit te spreken.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen de reden dat "het onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte daarbij niet relevant is", kan het niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 15 september 2005, Intermodal Transports, C-495/03, verklaard voor recht dat de rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag van gemeenschapsrecht die voor haar rijst, naar het Hof te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestaat. Het criterium dat "er geen ruimte voor redelijke twijfel mag bestaan" opdat de nationale rechter overeenkomstig artikel 267 VWEU niet verplicht zou zijn een prejudiciële vraag te stellen, geldt voor de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen rechtsmiddel meer openstaat, maar niet voor de rechter tegen wiens beslissingen wel nog een rechtsmiddel openstaat.
- Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, geoordeeld: "
- (...) dat de vraag of een nationale bepaling voor zover zij indruist tegen het recht van de Unie buiten toepassing moet worden gelaten, zich slechts voordoet indien geen met het recht van de Unie strokende uitlegging van die bepaling mogelijk is.
- Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging is namelijk inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen (...)". Ingeval de toepassing van een nationale norm dreigt te leiden tot een conflict met een EU-norm, zoals bij niet-tijdige omzetting van een richtlijn, dient een nationale overheidsinstantie, zoals de eiseres, krachtens het beginsel van de loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU, na te gaan of het nationale recht zodanig kan worden geïnterpreteerd dat het bedoelde conflict wordt vermeden, met name door een richtlijnconforme uitlegging of toepassing.
- Hieruit volgt dat de eiseres bij het uitoefenen van haar bevoegdheden toepassing diende te maken van de nationale wetgeving, geïnterpreteerd conform de niet-tijdig omgezette EU-norm. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- Het subonderdeel faalt naar recht om de redenen uiteengezet onder 13 en
- Tweede subonderdeel
- Uit de titel, de consideransen
(3),
(6),
(11),
(13)en
(30)alsook uit de artikelen 1, 13, 14 en 18 van Verordening nr. 714/2009 van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening nr. 1228/2003 blijkt dat de bedoelde verordening het verschaffen van een geharmoniseerd kader voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit viseert. Aldus moeten de daarin gestelde regels tot harmonisatie van de toegang tot het netwerk en tarifering en de bevoegdheden die daartoe aan de nationale regulerende instanties worden toegekend, in het kader van de grensoverschrijdende handel worden beschouwd.
- Door, na gewezen te hebben op deze doelstelling, te oordelen dat het tariefvoorstel van Elia het gebruik van haar transmissienet in de "zin van de Elektriciteitswet" betreft, "hetgeen als zodanig niet overeenstemt met de toepassingssfeer van de Verordening", verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- De vernietiging van de bestreden beslissing steunt niet enkel op het gebrek aan motivering van de drie betwiste tariefonderdelen, maar eveneens op de hierna tevergeefs aangevochten onwettigheid van de goedkeuring van deze drie tariefonderdelen.
- Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
- De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels, hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer de rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij derhalve tegenspraak hebben kunnen voeren.
- Met de aangevochten redenen gegrond op de "Guidelines on Transmission Tarification - ERGEG Proposal 2 May 2005 Explanatory Note", een door de Europese Groep van Regelgevende Instanties voor Elektriciteit en Gas (ERGEG) publiek toegankelijk document, opgesteld in uitvoering van artikel 8, lid 3, van de Verordening nr. 1228/2003 van 26 juni 2003 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit - thans vervangen door Verordening nr. 714/2009 van 13 juli 2009, waarnaar de Verordening nr. 838/2010 in zijn aanhef en considerans
(2)verwijst - dat heeft gediend ter voorbereiding van de door partijen betwiste bepalingen, geven de appelrechters enkel een uitlegging van deze bepalingen van de verordening en werpen zij geen betwisting op die door de partijen was uitgesloten. Voorts dienden de partijen zich eraan te verwachten dat de appelrechters bij hun uitlegging van Verordening nr. 838/2010 rekening zouden houden met de richtsnoeren hiertoe verschaft door een officiële adviserende instantie in documenten die hebben gediend ter voorbereiding van de betwiste bepalingen, zodat ook het recht van verdediging niet werd miskend. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede subonderdeel 22. De in punt 3 van deel B van Verordening nr. 838/2010 vermelde "door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven", verwijst naar het in punt 2 van dit deel vermelde "waarde van de door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven", die berekend wordt op grond van het totaal van de gemiddelde transmissietariefkost per producent, en aldus van een individueel gemiddelde, zoals blijkt uit het voorbereidende document, waarvan sprake onder 21, alsook uit rapport E06-CBT-09-06 van ERGEG van 6 december 2006, die deze waarde omschrijft als "de som van de totale jaarlijkse tranmissietariefkost per producent ‘n' gedeeld door de som van de totale geïnjecteerde energie op het transmissienetwerk door producent ‘n'." (vrije vertaling). In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 22. Met de in het subonderdeel geviseerde redenen oordelen de appelrechters dat "Elia in haar voorstel voor de berekening van het injectietarief en met name voor de becijfering van het plafond van 0.5 Eur/MWh [...] de totale jaarlijkse in het transmissienet geïnjecteerde elektriciteit als basis heeft genomen, zonder acht te slaan op de omvang van de elektriciteit van producenten die zij van een injectietarief vrijstelt." 23. Anders dan de eiseres aanvoert, blijkt hieruit niet dat de appelrechters enkel de cijfers van de eerste verweerster, Electrabel nv, in aanmerking nemen. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 24. Verder leidt het arrest hierdoor niet een onbekend feit af uit een ander onbekend feit, noch miskennen de appelrechters de bewijskracht van de nota van de eiseres door het erin ontwikkelde verweer te verwerpen. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel 25. Gelet op de verschillende doelstelling die ten grondslag ligt aan artikel 32.1. van richtlijn nr. 2009/72/EG (hierna Derde Elektriciteitsrichtlijn), enerzijds, dat de toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, gegrond op transparantie en non-discriminatie betreft en dat deel uitmaakt van het hoofdstuk VIII betreffende de "Organisatie van de toegang tot het systeem", en de artikelen 36 en 37 van dezelfde richtlijn, anderzijds, die de algemene doelstelling, taak en bevoegdheden van de regulerende instantie tot voorwerp hebben en aldus deel uitmaken van het hoofdstuk IX over de nationale regulerende instanties, verhouden deze bepalingen zich niet als een lex generalis ten opzichte van een lex specialis, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat de artikelen 36 en 37 primeren op het artikel 32.1. van de richtlijn. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 26. De in het subonderdeel aangevoerde bepalingen waardoor een zekere beleidsmarge aan de regulator wordt toegestaan, kunnen niet verantwoorden dat een injectietarief ingaat, zoals vastgesteld door het arrest, tegen de regels van niet-discriminatie en transparantie opgelegd door de in het onderdeel geciteerde bepalingen van de Derde Elektriciteitsrichtlijn en van de Elektriciteitswetten. Het subonderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede subonderdeel 27. De appelrechters stellen vast, in het algemene gedeelte betreffende de beantwoording van de grieven ten gronde, dat "in overweging (dient) te worden genomen dat het enkel gegeven dat de EW-nieuw nog niet vigeerde toen de bestreden beslissing werd genomen er niet aan in de weg staat dat de voorliggende beslissing inhoudelijk dient te worden getoetst aan de bepalingen van de EW-nieuw, die sedert 2012 in werking is getreden en tot de openbare orde behoort". Vervolgens oordelen zij inzake het injectietarief dat op grond van artikel 32.1. van de Derde Elektriciteitsrichtlijn het tarief "bekendgemaakt" moet zijn en objectief moet toegepast worden "zonder onderscheid tussen de systeemgebruikers", waarna zij oordelen dat het "het bepaalde in art. 12ter oude EW bij dit voorschrift aansluit waar het als richtsnoer formuleert dat de tarieven niet-discriminerend en transparant moeten zijn." 28. Anders dan de eiseres voorhoudt, hebben de appelrechters de bestreden beslissing dus ook getoetst aan de nieuwe wetgeving. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Derde subonderdeel 29. De appelrechters oordelen dat het motief dat ten grondslag ligt aan de vrijstelling van het injectietarief voor centrales die in dienst werden gesteld na 1 oktober 2002 niet pertinent is voor de toerekening van een kost naar een tarief. Ten overvloede oordelen zij dat dit motief "daarenboven" onjuist is en motiveren zij waarom dit naar hun oordeel het geval is. 30. Het subonderdeel dat opkomt tegen deze overtollige redenen, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Vierde subonderdeel 31. De beslissing waarbij het injectietarief strijdig wordt geacht met de in het subonderdeel aangehaalde bepalingen, wordt geschraagd door de in het eerste subonderdeel van dit onderdeel tevergeefs aangevochten beslissing betreffende het discriminerende karakter van dit tarief. 32. Het subonderdeel is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Vijfde subonderdeel 34. Krachtens artikel 32.1. van de Derde Elektriciteitsrichtlijn moeten de bekendgemaakte tarieven voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers. Uit deze bepaling volgt dat de verplichting voor de regulator om, binnen het kader van zijn beleid, het principe van de niet-discriminatie na te leven, een algemene gelding heeft. 35. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het beginsel van niet-discriminatie in het kader van het door de eiseres te voeren beleid, slechts geldt "in het raam van klantgerichte systemen" en voor de "balanceringsdiensten" van de Derde Elektriciteitsrichtlijn, faalt naar recht. Zesde subonderdeel 36. Het subonderdeel komt op tegen de ten overvloede gegeven reden dat het "betwiste tarief nog om een andere reden discriminerend [is] in twee opzichten". Het subonderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Zevende subonderdeel 37. Krachtens artikel 3 van de Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet de opgelegde motivering afdoende zijn. 38. Het afdoende karakter van de motivering houdt in dat deze pertinent moet zijn en draagkrachtig, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De motivering moet eenieder, die gerechtigd is op te komen tegen de bestuurshandeling, in staat stellen te beoordelen of hij dit met nuttig gevolg kan doen. 39. Krachtens artikel 6 van de Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is deze wet slechts van toepassing op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorafgaande artikelen. Hieruit volgt dat de strengste motiveringsplicht van toepassing moet zijn. Aangezien de motiveringsverplichting opgelegd door artikel 12, § 7, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals gewijzigd bij wet van 8 januari 2012, minstens dezelfde draagwijdte heeft als die vervat in artikel 3 van de Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, is artikel 6 van deze wet van toepassing. 40. Uit al het voorgaande volgt dat de in artikel 12, § 7, van de wet van 29 april 1999 neergelegde verplichting voor de regulator om zijn gemotiveerde beslissing over het tariefvoorstel mede te delen aan de netbeheerder, niet enkel geldt ten aanzien van de netbeheerder als aanvrager van de vergunning en de rechter, maar ten aanzien van elke betrokkene die tegen de bestuurshandeling kan opkomen. Uit de vereiste dat de motivering eenieder, die gerechtigd is op te komen tegen de bestuurshandeling, in staat moet stellen te beoordelen of hij dit met nuttig gevolg kan doen, volgt tevens dat het noodzakelijk is de redenen uiteen te zetten waarom de argumentatie van de netbeheerder wordt bijgetreden. 41. Het subonderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Vijfde middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel 42. Uit het antwoord op het zevende subonderdeel van het tweede onderdeel van het vierde middel volgt dat de rechtsopvatting waarvan het subonderdeel uitgaat, faalt naar recht. Tweede subonderdeel 43. Anders dan de eiseres voorhoudt, beslissen de appelrechters niet dat de voor hen bestreden beslissing op het vlak van de ondersteunende diensten niet is gemotiveerd, maar stellen zij vast dat deze beslissing de goedkeuring van de tarifering ten laste van de producenten (G-tarief) niet motiveert en ook geen motivering verschaft "over de toerekening van de kosten verbonden aan de ondersteunende diensten", alsmede dat in de conclusies die door de eiseres en Elia werden ingediend precieze punten van kritiek van de verweersters niet worden weerlegd. 44. Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel 45. Anders dan de eiseres voorhoudt, geven de appelrechters met de aangevochten redenen niet te kennen dat de in het subonderdeel aangehaalde bepalingen aan de eiseres geen ruimte laten om op dit punt een beleid te voeren, maar oordelen zij dat de tarieven die de eiseres daartoe hanteert "niet gebaseerd zijn op objectieve criteria en niet stroken met een krachtens artikel 36.
- d)van richtlijn 2009/72/EG door de regulerende instantie te bereiken algemene doelstelling". 46. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel 47. Richtsnoer 10° van artikel 12, § 5, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals gewijzigd bij wet van 8 januari 2012, vereist dat de compensatiediensten van de onevenwichten van de Belgische regelzone op de meest kostefficiënte wijze verzekerd worden en dat zij aan de gebruikers van het net geëigende stimuli leveren opdat zij hun injectie en hun afname in evenwicht brengen. Het bepaalt dat de met deze diensten verbonden tarieven billijk zijn, niet discriminerend en gebaseerd op objectieve criteria. 48. De appelrechters beslissen aangaande de tarifering van de onevenwichten dat "de door Elia naar voren geschoven verantwoording [...] niet op vaststaande en aangetoonde feiten (steunt). [...] Zodoende moet worden aangenomen dat de tarieven voor de ondersteunende diensten niet gebaseerd zijn op objectieve criteria". 49. De appelrechters passen alzo het richtsnoer 10° toe en beslissen dat de voor hen bestreden beslissing niet beantwoordt aan de door dit richtsnoer gestelde vereisten. Het subonderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. 50. Voorts geven de appelrechters met de aangevochten redenen niet te kennen dat de in het subonderdeel aangehaalde bepalingen aan de eiseres geen ruimte laten om op dit punt een beleid te voeren, maar stellen zij slechts vast dat de tarieven die de eiseres hanteert niet gebaseerd zijn op objectieve criteria en niet stroken met de door de regulerende instantie te bereiken algemene doelstelling. 51. Het subonderdeel berust in zoverre op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. 52. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat "zo artikel 12, § 5, 10° van de Elektriciteitswet zou moeten geïnterpreteerd worden in de zin van het appelgerecht" die bepaling strijdig zou zijn met de Derde Elektriciteitsrichtlijn, zonder te preciseren hoe die bepaling door de appelrechters werd uitgelegd, is het onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk. Derde subonderdeel 53. De appelrechters stellen vast dat Elia "ter verdediging van het tarief [aanvoert] dat de nood aan reserves wordt bepaald door het productievermogen [zodat] het logisch is om de kosten ervoor ten laste te leggen van de producenten" en dat bij de tarifering de debiteuren worden "onderscheiden zowel naar de injectie toe (reservering van reservevermogens) als naar de afname (black-start-dienst en reservering van afschakelbare industriële klanten) en voor deze twee groepen diensten [...] de overeenstemmende kosten [werden] gegroepeerd". Het aldus vastgesteld onderscheid wordt ook gemaakt in de conclusie van Elia. 54. Door te oordelen dat de "door Elia naar voren geschoven verantwoording [...] niet (blijkt) op vaststaande en aangetoonde feiten te kunnen steunen, inzonderheid niet waar ze enkel de black-start-dienst en de reserveringskost van industriële afschakelbare capaciteit ten laste van de afname tarifeert", geven de appelrechters dan ook een uitlegging van de conclusie van Elia die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskennen zij de bewijskracht ervan niet. Het subonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. 55. Door te beslissen met gebruikmaking van het woord "blijkt", geven de appelrechters, gelet op de context, geen uitdrukking aan hun twijfels. In zoverre het subonderdeel van het tegendeel uitgaat, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Derde onderdeel Eerste subonderdeel 56. De bestreden beslissing wordt geschraagd door de tevergeefs aangevochten reden dat de tarieven voor de ondersteunende diensten niet gebaseerd zijn op objectieve criteria en niet stroken met een krachtens artikel 36
- d)Derde Elektriciteitsrichtlijn te bereiken algemene doelstelling. Het subonderdeel, dat niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede subonderdeel 57. Door te oordelen dat "de afname voor de drie reserves niet wordt getarifeerd, terwijl ze er kosten voor veroorzaakt" oordelen de appelrechters niet dat "er geen verschillende tarifering tussen de drie reserves bestaat", maar dat de afname niet wordt getarifeerd. In zoverre berust het subonderdeel op een verkeerde lezing en mist het mitsdien feitelijke grondslag. 58. Door voorts te oordelen dat "de intermitterende en stabiele injectie aan eenzelfde tarief worden onderworpen proportioneel met de door de betrokkenen geïnjecteerde elektriciteit, terwijl de incidentie van het al dan niet intermitterend karakter van de injectie op de kosten niet in aanmerking wordt genomen", oordelen de appelrechters niet dat er een verschillende tarifering bestaat tussen deze injecties. In zoverre berust het subonderdeel eveneens op een verkeerde lezing en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Derde subonderdeel 59. De beslissing dat de uitsluitende tenlastelegging van de kosten voor de ondersteunende diensten aan de producenten onwettig is, wordt geschraagd door de tevergeefs aangevochten reden dat deze beslissing artikel 36 Derde Elektriciteitsrichtlijn schendt. Het subonderdeel dat gericht is tegen een overtollig motief, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Vierde subonderdeel 60. Met de in het subonderdeel bestreden redenen geven de appelrechters een uitlegging van de conclusie van de eiseres, die niet onverenigbaar is met hetgeen de eiseres in deze conclusie voorhoudt over de verhouding van de kosten veroorzaakt door de producenten en de tarieven. Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Zesde middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel 61. Het subonderdeel dat gericht is tegen een ten overvloede gegeven reden, waaruit de appelrechters geen rechtsgevolgen afleiden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede subonderdeel 62. De mogelijkheid om een beleid te voeren of met forfaits te werken doet niet af aan de plicht om de door de artikelen 37.6.
- b)Derde Elektriciteitsrichtlijn en artikel 12, § 5, 10° en 20°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals gewijzigd bij wet van 8 januari 2012, voorgeschreven regels van billijkheid, non-discriminatie en objectiviteit van de criteria na te leven inzake de tarifering van de compensatiediensten van de onevenwichten, waarvan de "volume fee" een onderdeel vormt. 63. Door te oordelen dat "vanuit het standpunt van een niet-discriminerende, transparante en proportionele toewijzing van de kosten niet wordt verantwoord hoe de toewijzing van een vaste kost in verhouding kan staan tot de toerekening van een tarief waarvan de parameter voor elk ARP zeer variabel is", ontkennen de appelrechters niet dat de eiseres een beleid kan voeren, maar passen zij deze regels toe. Het subonderdeel berust in zoverre op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. 64. De bestreden beslissing wordt geschraagd door de tevergeefs aangevochten reden dat de toewijzing van de kosten niet wordt verantwoord vanuit het oogpunt van "een niet-discriminerende en transparante toewijzing van de kosten", criteria die zowel door artikel 12, § 5, richtsnoer 6° als 10° worden voorgeschreven. 65. In zoverre het subonderdeel opkomt tegen het gebruik van het proportionaliteitscriterium, kan het niet tot cassatie leiden en is het mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 66. Door vast te stellen dat "het onderscheid tussen kosten die eerder een vast karakter hebben, tegenover kosten die eerder variabel zijn blijkbaar voor geen enkele andere dienst van Elia als criterium voor tarificatie wordt toegepast" geven de appelrechters geen uitdrukking aan hun twijfels. Het subonderdeel dat van het tegendeel uitgaat, berust in zoverre op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel 67. Het subonderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede subonderdeel 68. Uit het antwoord op het zevende subonderdeel van het tweede onderdeel van het vierde middel volgt dat de rechtsopvatting waarvan het subonderdeel uitgaat, faalt naar recht. Derde onderdeel 69. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de bij wijze van voorbeeld gedane vaststelling dat de oprichting van Belpex behoort tot de niet-gereguleerde activiteit van Elia, komt het op tegen een overtollige reden, die de beslissing niet draagt. In zoverre is het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 70. Door te oordelen dat de aangehaalde bepalingen zich "er [...] verder tegen [verzetten] dat de kosten voor de gereguleerde activiteit niet transparant worden toegewezen en dat de tarieven verbonden met de compensatiediensten van onevenwichten onbillijk zijn, discriminerend en niet gebaseerd op objectieve criteria" en dat "in elk geval met de voormelde regels niet verzoenbaar is dat een netgebruiker niet wordt getarifeerd voor diensten die hij niet mee geniet of dat een dienst uitsluitend ten laste van een netgebruiker wordt getarifeerd wanneer ook andere netgebruikers erdoor gebaat zijn", maken de appelrechters toepassing van richtsnoeren 6° en 10° van artikel 12, § 5, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals gewijzigd bij wet van 8 januari 2012. 71. Aangezien de meer specifieke richtsnoeren de toepassing van de richtsnoeren met algemene gelding niet uitsluiten, kan het onderdeel in zoverre het ervan uitgaat dat de appelrechters geen toepassing dienden te maken van deze richtsnoeren, maar van richtsnoer 20°, niet worden aangenomen. 72. De appelrechters oordelen voor het overige dat het niet verzoenbaar is met de artikelen 12, § 1 en § 5, 2°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals gewijzigd bij wet van 8 januari 2012, dat de tarieven diensten aanrekenen die niet tot de gereguleerde functie van Elia behoren. Hiermede sluiten zij niet uit dat het tarief een netgebruiker voor bepaalde kosten vrijstelt om te voldoen aan de voorschriften van punt
(3)deel B van Verordening nr. 838/2010. In zoverre berust het onderdeel op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag. 73. Door te oordelen dat de kritiek van de verweersters op bepaalde punten door de eiseres en Elia niet wordt weerlegd, beoordelen en verwerpen de appelrechters het desbetreffende verweer dat de eiseres en Elia in conclusies aanvoerden, zonder daarin iets te lezen dat er niet in staat of iets niet te lezen dat er wel in staat. De grief is vreemd aan de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van deze conclusies en mitsdien niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 74. De bestreden beslissing blijft wettig verantwoord door de in de overige onderdelen van het middel tevergeefs aangevochten redenen. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Zevende middel 75. Op grond van hun onderzoek van de door de verweersters aangevoerde grieven met betrekking tot enerzijds een motiveringsgebrek en anderzijds de verscheidene opgesomde tarieven, komen de appelrechters tot de beslissing dat deze middelen gegrond zijn en dat zij grond opleveren om de voor hen bestreden beslissing te vernietigen. Door vervolgens te beslissen dat het "aan de CREG staat om opnieuw te beslissen over een aangepast tariefvoorstel van Elia", doen de appelrechters uitspraak over de in ondergeschikte orde ingestelde tegenvordering, en beantwoorden ze deze door ze met name gedeeltelijk af te wijzen. In zoverre het middel een schending van artikel 149 Grondwet en van artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek aanvoert, mist het feitelijke grondslag. 76. Het stellen van een prejudiciële vraag op grond van artikel 267 VWEU is niet verplicht voor de nationale rechter tegen wiens beslissingen nog een rechtsmiddel openstaat. Door te oordelen dat "er geen reden bestaat tot prejudiciële vraagstelling aan het HJEU", geven de appelrechters te kennen dat zij een dergelijke vraag niet noodzakelijk achten om tot een uitspraak te komen. 77. Aldus verwerpen en beantwoorden zij de bedoelde vordering tot prejudiciële vraagstelling van de eiseres. Het middel mist in zoverre eveneens feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1811,26 euro en voor de eerste verweerster op 430,40 euro en voor de tweede, derde, vierde en vijfde verweersters op 430,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Erwin Francis en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2016 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche B. Wylleman E. Francis K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck VOORZIENING IN CASSATIE VOOR: DE COMMISSIE VOOR REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (hierna de "CREG"), met zetel te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat 26-38, ingeschreven in de KBO onder nr. 0267.310.422; Eiseres tot cassatie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Meester Paul LEFEBVRE, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar keuze van woonplaats wordt gedaan. TEGEN: 1. De N.V. ELECTRABEL, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Simon Bolivarlaan 34, ingeschreven in de KBO onder nr. 0403.170.701; 2. De N.V. E.ON GENERATION BELGIUM (hierna "E.ON Belgium), met maatschappelijke zetel te 1800 Vilvoorde, Jan Frans Willemsstraat 200, ingeschreven in de KBO onder nr. 0812.367.575; 3. De N.V. naar Nederlands recht E.ON BENELUX (hierna "E.ON Benelux), met maatschappelijke zetel te 3068 AX Rotterdam (Nederland), Capelseweg 400, ingeschreven in de Kamer van Koophandel te Rotterdam onder nr. 27028140; 4. De N.V. EDF LUMINUS, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Markiesstraat 1, ingeschreven in de KBO onder nr. 0471.811.661; 5. De N.V. EDF BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Markiesstraat 1, ingeschreven in de KBO onder nr. 0459.853.343; Verweersters in cassatie. IN AANWEZIGHEID VAN : 1. De N.V. ELIA SYSTEM OPERATOR (hierna "ELIA"), met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 20, ingeschreven in de KBO onder nr. 0476.388.378; 2. De V.Z.W. BELGISCHE VERBRUIKERSUNIE TEST AANKOOP, met maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Hollandstraat 13, ingeschreven in de KBO onder nr. 407.703.668; In gemeenverklaring opgeroepen partijen (oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partijen) * * * Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitters, aan de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie, Hooggeachte Heren en Dames, Eiseres heeft de eer om het arrest dat op 6 februari 2013 op tegenspraak tussen partijen werd gewezen door de achttiende kamer van het hof van beroep te Brussel (A.R. 2012/AR/205-217-220), aan uw toezicht te onderwerpen. DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN 1. ELIA werd op federaal niveau aangewezen als transmissienetbeheerder (afgekort TNB) in de zin van artikel 2, 8° van de Wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de Elektriciteitsmarkt (hierna de Elektriciteitswet of EW) en staat bijgevolg in voor het beheer van het transmissienet op het Belgische grondgebied. 2. ELIA diende op 30 juni 2011 bij de CREG een tariefvoorstel in voor de reguleringsperiode 2012-2015, samen met een begeleidende brief. In de begeleidende brief gaf ELIA aan dat het tariefvoorstel werd ingediend op grond van de artikelen 12 tot 12septies van de Elektriciteitswet en op de uitvoeringsbepalingen hiervan in het Koninklijk besluit van 11 juni 2007 betreffende de regels met betrekking tot de vaststelling van en de controle op het totaal inkomen en de billijke winstmarge, de algemene tariefstructuur, het saldo tussen kosten en ontvangsten en de basisprincipes en procedures inzake het voorstel en de goedkeuring van de tarieven, van de rapportering en kostenbeheersing door de beheerder van het nationaal transmissienet (hierna "het Tarievenbesluit"). Verder werd aangegeven dat ervan werd uitgegaan dat de CREG niet van plan was om de Elektriciteitswet en het vermelde uitvoeringsbesluit toe te passen, maar wel rechtstreeks de Richtlijn 2009/72/EG die nog niet was omgezet in het nationale recht ofschoon de omzettingstermijn ervoor al was verstreken. ELIA formuleerde desaangaande deze rechtstreekse toepassing bemerkingen en voorbehoud doch gaf tevens aan dat ze het tariefvoorstel, ondergeschikt, ook indiende op basis van een voorlopige tarifaire methode die door de CREG zou worden beslist op grond van artikel 37.10 van de vermelde Richtlijn. 3. Op 24 november 2011 werd het tariefvoorstel van ELIA door de CREG verworpen. Door de CREG werd aangegeven dat het voorstel van ELIA op 25 punten diende te worden gewijzigd. 4. Op 13 december 2011 diende ELIA een aangepast tariefvoorstel in. 5. Het directiecomité van de CREG keurde het aangepaste tariefvoorstel goed. . Uit punt VII. van de bestreden beslissing blijkt dat naar hun soort beschouwd, zeven tarieven werden goedgekeurd, waarvan het detail in bijlagen bij de beslissing is aangegeven. Ze betreffen : (
- i)de aansluiting op het transmissienet, (
- i)het gebruik van het transmissienet, (iii) de ondersteunende diensten van het transmissienet, (
- iv)de openbare dienstverplichtingen van de netbeheerder, (
- v)de toepassing van heffingen en toeslagen, (
- vi)het behoud en herstel van het individueel evenwicht van de toegangsverantwoordelijkheden en (vii) de externe inconsistentie. 6. Tegen de beslissing d.d. 22 december 2010 (B) 111222-CDC-658E/19 dienden vijf partijen een verzoekschrift in voor het hof van beroep te Brussel op grond van artikel 29bis van de Elektriciteitswet. 6.1. De beroepen ingesteld door partijen E.ON Benelux, E.ON Belgium en ELECTRABEL beoogden zowel de schorsing als de vernietiging van de bestreden artikelen. Aangezien de vorderingen tot schorsing - aldus het appelgerecht - niet afzonderlijk nader in staat werden gesteld, onderzochten de appelrechters enkel de vorderingen tot vernietiging. 6.2. ELIA kwam op grond van een verzoekschrift d.d. 27 februari 2012 vrijwillig in het geding tussen in elk van de drie vermelde beroepen. 6.3. Ook de VZW BELGISCHE VERBRUIKERSUNIE TEST AANKOOP diende op 16 maart 2012 een verzoekschrift in waarbij ze verklaarde vrijwillig tussen te komen in elk van de drie beroepen. 7. Bij arrest d.d. 6 februari 2013 voegde het hof van beroep de drie beroepen samen en ontving de vorderingen alsook de tussenkomsten. Het appelgerecht verklaarde de vorderingen gegrond en de tussenkomsten ongegrond en deed de aangevochten beslissing teniet. De CREG werd veroordeeld tot de gedingkosten en de rechtsplegingsvergoedingen. De vordering tot rechtsplegingsvergoeding uitgaande van de tussenkomende partijen wordt verworpen. EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE Geschonden wetsbepalingen - Artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, goedgekeurd door de Wet van 19 juni 2008 houdende instemming met het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met de Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007, (hierna "VWEU"); - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 40, alinea 2, 41, § 2, 42 en 58 van de Wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in Bestuurszaken (hierna "Wet Taalgebruik in Bestuurszaken"). Aangevochten beslissing De beslissing van het hof van beroep om de bestreden beslissing van de CREG op grond van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken te vernietigen en desaangaande geen prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie te stellen steunt op volgende motieven: "39. In de bestreden beslissing wordt op bladzijde 10 een in het Frans gesteld uittreksel van 21 lijnen geciteerd uit het tariefvoorstel van Elia betreffende de door deze laatste verstrekte toelichting bij de rechtsgrond van haar voorstel, overigens zelfs zonder weergave van de zakelijke inhoud van die passus in het Nederlands. Op de bladzijde 17 wordt in een voetnoot aangegeven dat vier lijnen uit randnummer 20 vrij vertaald zijn uit het Frans en wordt de Franse tekst geciteerd. Op de bladzijden 18 en 19 zijn vijftien lijnen in het Frans gesteld als passus in randnummer 32. - het betreft een uittreksel uit een begeleidende brief van Elia bij haar aangepast tariefvoorstel - en wordt de vrije vertaling ervan verstrekt onder voetnoot 21" (aangevochten arrest, p. 22). "41 (...). De bestreden beslissing houdt wezenlijk in dat het totale inkomen van Elia voor de gereguleerde periode 2012 - 2015 wordt goedgekeurd, dat een tariefvoorstel wordt goedgekeurd - nadat een aanvankelijk voorstel van Elia door haar werd aangepast volgens de eisen die de CREG bij haar beslissing van 24 november 2011 had betekend - en dat nettarieven worden goedgekeurd. Het gaat daarbij duidelijk om één van de administratieve akten die bedoeld worden in artikel 42, aangezien de CREG gehouden is om de geïncrimineerde beslissing bekend te maken ten behoeve van het publiek, dat van de beslissing kennis moet kunnen nemen. Zulks wordt ook voorgeschreven door artikel 35 van de voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden (Beslissing van de CREG (Z)111124-CDC-1109/1), die mee als rechtsgrond voor de bestreden beslissing worden vermeld, zowel als in artikel 37.16 van de Richtlijn 2009/72/EG trouwens. Er moet dan ook worden aangenomen dat de beslissing valt onder de categorie ‘berichten en mededelingen' bedoeld in artikel 40, tweede lid van de vermelde regelgeving. 42. Volgens het vermelde artikel 40, tweede lid dienen berichten en mededelingen in het Nederlands en het Frans te worden gesteld. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat er algehele overeenstemming in tekst dient voorhanden te zijn tussen de Nederlandstalige en de Franstalige versies van de betrokken akte. Onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte is daarbij niet relevant. Omvat de Nederlandstalige tekst een niet in het Nederlands vertaalde passus in het Frans, dan is de met de Franse tekst overeenstemmende versie in het Nederlands niet voorhanden. 43. Het verweer als zou van de energieregulator niet kunnen worden gevergd dat hij zijn akten geheel in de Nederlandse en Franse taal zou stellen of dat alle documenten die van hem uitgaan en waarnaar hij verwijst zowel in het Frans als in het Nederlands worden gesteld, omdat zulks hem zou kunnen beletten de door hem toevertrouwde taken op een efficiënte en snelle wijze uit te voeren, zoals voorgeschreven bij artikel 37.4 van Richtlijn 2009/72/EG kan niet worden gevolgd. Het komt de regulerende instantie integendeel toe alle maatregelen te nemen opdat hij de nationale wetgeving inzake gebruik van talen waaraan hij is onderworpen, zou kunnen naleven zonder tekort te komen aan zijn Europese verplichting om zijn taken efficiënt en snel uit te voeren. Er bestaat geen reden om het Hof van Justitie EU hierover prejudicieel te bevragen. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een Europese instelling die zich in 22 talen dient uit te drukken, op voet van gelijkheid, problemen zou ontwaren in een nationale verplichting voor een regulerende instantie om zich in twee talen uit te drukken. 44. Uit de voormelde vaststellingen volgt dat de bestreden beslissing artikel 40, tweede lid van de taalwetten in bestuurszaken schendt en met toepassing van artikel 58 van dezelfde wetten dat ze nietig is. Het middel van Electrabel is gegrond. De bestreden beslissing moet worden vernietigd" (aangevochten arrest, pp. 23-24). Grieven Eerste onderdeel: tegenstrijdigheid, dubbelzinnigheid en schending van de artikelen 40, alinea 2, 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken Het taalgebruik in centrale diensten - dit zijn diensten waarvan de activiteit zich uitstrekt tot het gehele land en waarvan de directie of centrale autoriteit te Brussel is gevestigd, hetgeen overeenstemt met de CREG wier activiteit zich inderdaad te lande uitstrekt en die in Brussel gevestigd is - wordt door de artikelen 40 tot en met 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken geregeld. Artikel 40, alinea 2, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken bepaalt dat "de berichten en mededelingen die de centrale diensten rechtstreeks aan het publiek richten (...) in het Nederlands en in het Frans (worden) gesteld" en dat "hetzelfde geldt voor de formulieren die zij zelf ter beschikking stellen van het publiek". Er is sprake van een "bericht" of "mededeling" in de zin van voormeld artikel wanneer de tekst, zonder onderscheid des persoons en steeds op identieke wijze, verspreid wordt door een overheid. De identieke aard van de vermeldingen en de toegankelijkheid van de stukken zijn de voornaamste criteria. Worden als "bericht" of "mededeling" gekwalificeerd straatnaamborden, vermeldingen op brievenbussen of openbare of private gebouwen, publicaties in de pers, rondzendbrieven van een bestuur aan de inwoners van een gemeente, oproepingsbrieven voor verkiezingen, enz. Verder bepaalt artikel 41, §§ 1-2 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken dat "de centrale diensten (...) voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik (maken) van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich (...) bediend (hebben)" en dat "aan de private bedrijven, die (...) in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of uit het Franse taalgebied (gevestigd zijn), (...) echter in de taal van dat gebied (wordt) geantwoord". Dit artikel viseert alle contacten tussen de centrale diensten en de particulier of rechtspersoon: briefwisseling, offerte-aanvragen, prijsaanvraag, vergunningen enz. Vervolgens schrijft artikel 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken voor dat "de centrale diensten (...) de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in die van de drie talen (stellen) waarvan de belanghebbende particulier het gebruik vraagt". Deze laatste categorie betreft documenten die ten behoeve van een administratief rechtscollege opgesteld worden. Akten, geschriften en verklaringen zijn documenten waarin een handeling door de overheid opgetekend wordt en die deze handeling bewijzen. Machtigingen en vergunningen zijn officiële documenten waarin de overheid zijn goedkeuring geeft met een bepaalde handeling. In tegenstelling tot de "berichten" en "mededelingen", waarin sprake in artikel 40, alinea 2, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, die in het Nederlands en in het Frans dienen te worden opgesteld, is dit niet het geval voor de documenten geviseerd door de artikelen 41, §§ 1-2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. Het aangevochten arrest stelt vast dat "de bestreden beslissing (...) wezenlijk in(houdt) dat het totale inkomen van Elia voor de gereguleerde periode 2012 - 2015 wordt goedgekeurd, dat een tariefvoorstel wordt goedgekeurd - nadat een aanvankelijk voorstel van Elia door haar werd aangepast volgens de eisen die de CREG bij haar beslissing van 24 november 2011 had betekend - en dat nettarieven worden goedgekeurd" en beschouwt dat "het (...) daarbij duidelijk om één van de administratieve akten (gaat) die bedoeld worden in artikel 42" (aangevochten arrest, p. 23, nr. 41). Het aangevochten arrest beslist echter dat "er (...) dan ook (moet) worden aangenomen dat de beslissing valt onder de categorie ‘berichten en mededelingen' bedoeld in artikel 40, tweede lid van de vermelde regelgeving", dat "volgens het vermelde artikel 40, tweede lid (...) berichten en mededelingen in het Nederlands en het Frans (dienen) te worden gesteld" en dat "dit (...) niet anders (kan begrepen worden) dan dat er algehele overeenstemming in tekst dient voorhanden te zijn tussen de Nederlandstalige en de Franstalige versies van de betrokken akte" (aangevochten arrest, p. 23, nr. 41-42). Het aangevochten arrest stelt verder dat indien "de Nederlandstalige tekst een niet in het Nederlands vertaalde passus in het Frans (omvat), dan (...) de met de Franse tekst overeenstemmende versie in het Nederlands niet voorhanden (is)" zodat "de bestreden beslissing artikel 40, tweede lid van de taalwetten in bestuurszaken schendt en met toepassing van artikel 58 van dezelfde wetten (...) ze nietig is" (aangevochten arrest, pp. 23-24). Door de bestreden beslissing de ene keer als een document te beschouwen "bedoeld (...) in artikel 42" van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, doch de andere keer als vallende onder de categorie ‘berichten en mededelingen' bedoeld in artikel 40 van dezelfde Wet, is het aangevochten arrest tegenstrijdig en derhalve niet regelmatig met redenen omkleed en schendt, mitsdien, artikel 149 van de Grondwet. Minstens is het aangevochten arrest dubbelzinnig, want, in de zin geïnterpreteerd dat het een individuele beslissing is die valt onder de artikelen 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, wettig, doch, in de mate dat het aangevochten arrest beslist dat "er (...) (moet) worden aangenomen dat de beslissing valt onder de categorie ‘berichten en mededelingen' bedoeld in artikel 40, tweede lid van de vermelde regelgeving" met als gevolg dat "volgens het vermelde artikel 40, tweede lid (...) berichten en mededelingen in het Nederlands en het Frans (dienen) te worden gesteld", onwettig aangezien de bestreden beslissing geen bericht of mededeling is doch een individuele beslissing die onder de categorie akten valt geviseerd door de artikelen 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken die niet diende te worden meegedeeld in de twee landstalen, met schending van de artikelen 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken tot gevolg, zodat het Uw Hof in de onmogelijkheid plaatst om zijn wettelijke controletaak uit te oefenen, en, mitsdien, artikel 149 van de Grondwet schendt. Door te stellen dat "de Nederlandstalige tekst een niet in het Nederlands vertaalde passus in het Frans (omvat)" zodat "de met de Franse tekst overeenstemmende versie in het Nederlands niet voorhanden (is)", en derhalve "de bestreden beslissing artikel 40, tweede lid van de taalwetten in bestuurszaken schendt", terwijl de bestreden beslissing geen bericht of mededeling in de zin van artikel 40, alinea 2 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken is doch een individuele beslissing die onder de categorie akten valt geviseerd door de artikelen 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, met als gevolg dat de bestreden beslissing niet diende te worden meegedeeld in de twee landstalen, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, de artikelen 40, alinea 2, 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. Tweede onderdeel : schending van artikel 58 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken Artikel 58, lid 1, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken bepaalt dat "alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten (nietig zijn)" en het tweede lid dat, "onverminderd de toepassing van artikel 61, § 4, lid 3, (...), de nietigheid van die handelingen en verordeningen vastgesteld (wordt) op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij, door de overheid van wie die handelingen en verordeningen uitgaan, hetzij naar gelang van het geval en de rangorde van hun respectieve bevoegdheden, door de toezichthoudende overheid, de hoven en rechtbanken of de Raad van State". Elke vermelding in een andere taal dan de door de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken aangeduide taal, brengt echter noodzakelijk noch automatisch de nietigheid van de volledige akte met zich mee. Zo is het citeren van passages in een andere taal dan de proceduretaal niet strijdig met de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken voor zover deze passages in substantie weergegeven zijn in de akte. Volgens de vaststellingen van het aangevochten arrest wordt (
- i)"in de bestreden beslissing (...) op bladzijde 10 een in het Frans gesteld uittreksel van 21 lijnen geciteerd uit het tariefvoorstel van Elia betreffende de door deze laatste verstrekte toelichting bij de rechtsgrond van haar voorstel, overigens zelfs zonder weergave van de zakelijke inhoud van die passus in het Nederlands", wordt (
- ii)"op de bladzijde 17 (...) in een voetnoot aangegeven dat vier lijnen uit randnummer 20 vrij vertaald zijn uit het Frans en wordt de Franse tekst geciteerd" en zijn (iii) "op de bladzijden 18 en 19 (...) vijftien lijnen in het Frans gesteld als passus in randnummer 32" dat -aldus de appelrechters- "een uittreksel (betreft) uit een begeleidende brief van Elia bij haar aangepast tariefvoorstel - en wordt de vrije vertaling ervan verstrekt onder voetnoot 21" (aangevochten arrest, p. 22, nr. 39). De appelrechters beslissen daarbij dat het "onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte (...) daarbij niet relevant (is)", en dat "de bestreden beslissing artikel 40, tweede lid van de taalwetten in bestuurszaken schendt en met toepassing van artikel 58 van dezelfde wetten (...) ze nietig is" (aangevochten arrest, pp. 23-24). Door te stellen dat "vier lijnen uit randnummer 20 vrij vertaald zijn uit het Frans en (...) de Franse tekst (wordt) geciteerd" en verder dat de "vijftien lijnen in het Frans gesteld als passus in randnummer 32" maar dat "de vrije vertaling ervan verstrekt (wordt) onder voetnoot 21" en desalniettemin de nietigheidssanctie van artikel 58 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken toe te passen, terwijl de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken niet wordt geschonden wanneer de passage in de andere taal in de wettelijke taal in substantie, a fortiori in vertaling, wordt weergegeven, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, artikel 58 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. Door te stellen dat het "onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte (...) daarbij niet relevant (is)" terwijl beperkte vermeldingen in een andere taal dan de proceduretaal de nietigheid van de volledige akte niet met zich meebrengen, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, artikel 58 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. Derde onderdeel : schending van artikel 267 VWEU Krachtens artikel 267 VWEU (oud artikel 234 EG) kan een nationale rechter, alvorens uitspraak te doen, van het Hof van Justitie de nodige aanwijzingen krijgen voor de uitlegging die hij aan het Unierecht moet geven in het voor hem aanhangige geding. Het stellen van prejudiciële vragen is een mogelijkheid voor de nationale rechter en bijgevolg geen verplichting tenzij tegen de beslissing van de betrokken rechter geen cassatieberoep kan worden ingesteld. De rechter mag het stellen van een vraag afwijzen op grond van de omstandigheid dat (
- i)het antwoord op deze vraag niet noodzakelijk is om tot een uitspraak te komen, (ii), zelfs al is de vraag pertinent, het Hof van Justitie er zich reeds over heeft uitgesproken of, nog, wanneer (iii) de juiste toepassing van het Unierecht "zo evident is" dat "redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan" over de correcte interpretatie. Het aangevochten arrest stelt vast dat "het (...) niet erg waarschijnlijk (lijkt) dat een Europese instelling die zich in 22 talen dient uit te drukken, op voet van gelijkheid, problemen zou ontwaren in een nationale verplichting voor een regulerende instantie om zich in twee talen uit te drukken" en beslist dat "er (...) geen reden (bestaan) om het Hof van Justitie EU hierover prejudicieel te bevragen" (aangevochten arrest, p. 24, nr. 43). Door te beschouwen dat "het (...) niet erg waarschijnlijk (lijkt)" aanvaardt het appelgerecht dat er wel degelijk twijfel bestaat omtrent de wijze waarop het Hof van Justitie zich omtrent de voorgestelde vraag zou uitspreken. Evenmin stelt het appelgerecht vast dat het Hof van Justitie zich reeds over deze vraag heeft uitgesproken. Door te raden naar wat het standpunt van het Hof van Justitie aangaande de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken waarschijnlijk zou zijn, stelt het appelgerecht zich in de plaats van het Hof van Justitie. Door te beslissen dat geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie diende te worden gesteld omdat "het (...) niet erg waarschijnlijk (lijkt) dat een Europese instelling die zich in 22 talen dient uit te drukken, op voet van gelijkheid, problemen zou ontwaren in een nationale verplichting voor een regulerende instantie om zich in twee talen uit te drukken", terwijl het wettelijk criterium van artikel 267 VWEU is dat er geen ruimte voor redelijke twijfel mag bestaan, het appelgerecht nergens vaststelt dat het Hof van Justitie zich reeds over deze vraag heeft uitgesproken en zich in de plaats stelt van het Hof van Justitie door te raden naar wat het waarschijnlijk antwoord van het Hof van Justitie zou zijn, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, artikel 267 VWEU. Toelichting Het eerste middel bekritiseert de beslissing vanwege de appelrechters dat de bestreden beslissing van de CREG de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken schendt. Het is onderverdeeld in drie onderdelen. 1. Het eerste onderdeel verwijt het aangevochten arrest een tegenstijdigheid, een dubbelzinnigheid en een schending van de artikelen 40, alinea 2, 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. 1.1. Het taalgebruik in centrale diensten - dit zijn diensten waarvan de activiteit zich uitstrekt tot het gehele land en waarvan de directie of centrale autoriteiten te Brussel is gevestigd (Gedr.St., Kamer, 331 [1961-62], nr. 27, p. 35; R. RENARD, Talen in bestuurszaken, in de bedrijven en in de sociale betrekkingen, APR, 1983, p. 119), hetgeen overeenstemt met de CREG wier activiteit zich inderdaad te lande uitstrekt en die in Brussel gevestigd is - wordt door de artikelen 40 tem 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken geregeld. De Raad van State had reeds de gelegenheid om zulks te bevestigen in een arrest d.d. 31 mei 2007 terzake een beheerder van het aardgasvervoersnet (R.v.St., nr. 171.644, 31 mei 2007, T.B.P., 2009, afl. 1, 35). 1.2. Er is sprake van een "bericht" of "mededeling" in de zin van artikel 40, alinea 2, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken wanneer de tekst, zonder onderscheid des persoons en steeds op identieke wijze, verspreid wordt door een overheid (T. DE PELSMAEKER, L. DERIDDER, F. JUDO, J. PROOT, F. VANDENDRIESSCHE, Taalgebruik in bestuurszaken, die Keure, 2004, pp. 42-43, nr. 102). De identieke aard van de vermeldingen en de toegankelijkheid van de stukken zijn de voornaamste criteria. Zijn bijvoorbeeld door de praktijk als "bericht" of "mededeling" gekwalificeerd straatnaamborden, vermeldingen op brievenbussen of openbare of private gebouwen, publicaties in de pers, rondzendbrieven van een bestuur aan de inwoners van een gemeente, oproepingsbrieven voor verkiezingen enz. (T. DE PELSMAEKER, L. DERIDDER, F. JUDO, J. PROOT, F. VANDENDRIESSCHE, Taalgebruik in bestuurszaken, die Keure, 2004, pp. 42-43, nr. 102; R. RENARD, Talen in bestuurszaken, in de bedrijven en in de sociale betrekkingen, APR, 1983, p. 126-127). 1.3. Artikel 41, §§ 1-2 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken viseert alle contacten tussen de centrale diensten en de particulier of rechtspersoon: briefwisseling, offerte-aanvragen, prijsaanvraag, facturen, vergunningen enz. (T. DE PELSMAEKER, L. DERIDDER, F. JUDO, J. PROOT, F. VANDENDRIESSCHE, Taalgebruik in bestuurszaken, die Keure, 2004, pp. 46-47). 1.4. Artikel 42 de van Wet Taalgebruik in Bestuurszaken viseert documenten die ten behoeve van een administratief rechtscollege opgesteld worden (T. DE PELSMAEKER, L. DERIDDER, F. JUDO, J. PROOT, F. VANDENDRIESSCHE, Taalgebruik in bestuurszaken, die Keure, 2004, p. 47, nr. 115). Akten, geschriften en verklaringen zijn immers documenten waarin een handeling door de overheid opgetekend wordt en die deze handeling bewijzen. Machtigingen en vergunningen zijn officiële documenten waarin de overheid zijn goedkeuring geeft (F. GOSSELIN, L'emploi des langues en matière administrative, Kluwer, 2003, p. 81 e.v.). In tegenstelling tot de "berichten" en "mededelingen", waarin sprake in artikel 40, alinea 2, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, die in het Nederlands en in het Frans dienen te worden opgesteld, is dit niet het geval voor de documenten geviseerd door de artikelen 41, §§ 1-2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. 1.5. De Elektriciteitswet bevat geen wetsbepalingen die een ander licht laten schijnen op hetgeen hierboven werd uiteengezet. Bij gebreke aan dergelijke afwijkende bepalingen is bijgevolg de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, gelet op zijn algemene draagwijdte, van toepassing (R.v.St., nr. 220.989, 12 oktober 2012). Enkel onder artikel 12bis, § 2, lid 3, 1° preciseert de Elektriciteitswet dat, wanneer de CREG de tarifaire methodologie vaststelt, zij de beheerder oproept en hem de nodige documenten opstuurt in diens taal hetgeen een toepassing is van artikel 41, § 1 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. De Elektriciteitswet bepaalt eveneens dat de beslissingen van het Directiecomité of van de Algemene Raad van de CREG gepubliceerd worden op de site www.creg.be doch bevat geen enkele nadere precisering met betrekking tot het taalgebruik. Het intern reglement van de CREG, dat werd goedgekeurd bij Koninklijk Besluit, bepaalt dat de processen-verbaal van de vergadering van het Directiecomité in het Nederlands en in het Frans worden gesteld en dat de reglementen en individuele beslissingen gepubliceerd worden op de site www.creg.be. De omstandigheid dat deze individuele beslissingen worden gepubliceerd door een bekendmaking op de website van de CREG wijzigt de aard ervan niet: het blijven individuele beslissingen in de zin van artikel 42 en verworden niet tot een bericht of mededeling in de zin van artikel 40, lid 2 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. Eenzelfde benadering geldt voor de rechtspraak van de hoogste rechtscolleges van het land die eveneens dient te worden gepubliceerd doch daarom niet voortaan als berichten of mededelingen moeten worden beschouwd. 1.6. Door de bestreden beslissing de ene keer als een document te beschouwen vallende onder het toepassingsgebied van artikel 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken, doch de andere keer als vallende onder het toepassingsgebied van artikel 40 van dezelfde Wet, is het aangevochten arrest tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig zodat het Uw Hof in de onmogelijkheid plaatst om zijn controletaak uit te oefenen en schendt, mitsdien, artikel 149 van de Grondwet. Overigens is het aangevochten arrest dubbelzinnig omdat, in de zin gekwalificeerd als een bericht of mededeling, hetgeen de bestreden beslissing niet is, het de artikelen 40, alinea 2, 41, § 2 en 42 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken schendt. 2. Het tweede onderdeel verwijt het aangevochten arrest een schending van artikel 58 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. 2.1. Artikel 58, lid 1, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken sanctioneert overtredingen met de nietigheid van de akte. Elke vermelding in een andere taal dan de door de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken aangeduide taal, brengt echter niet noodzakelijk de nietigheid van de volledige akte met zich mee (R.v.St., nr. 214.291, 30 juni 2011, T.Gem., 2011, afl. 4, 249). Dit is ook het standpunt van Uw Hof in het kader van de Wet Taalgebruik in Gerechtszaken in het raam waarvan het immers belangrijke en zinvolle nuances aanbracht (zie voor een overzicht K. WAGNER, "De sanctieregeling in de taalwet van 1935: Quousque tandem abutere patientia nostra?", T.B.H., 2010, afl. 3, 234-243). Zo is het citeren van passages in een andere taal dan de proceduretaal niet strijdig met de Wet Taalgebruik in Gerechtszaken voor zover deze passages in substantie weergegeven zijn in de akte (Cass., 19 juni 2009, A.C., 2009, afl. 6-7-8, 1766; Cass., 29 augustus 1995, A.C., 1995, 718). 2.2. Volgens de vaststellingen van het aangevochten arrest wordt met betrekking tot twee van de drie passages de vertaling ervan meegedeeld. Met betrekking tot de derde passage wordt de bestreden beslissing (andermaal) beschouwd als een mededeling of bericht door een verwijzing naar artikel 40, tweede lid, van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. 2.3. Door vast te stellen dat de bestreden beslissing beperkte passages in het Frans citeert, die uit de brief van ELIA komen, en te beslissen dat het "onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte (...) daarbij niet relevant (is)", terwijl beperkte vermeldingen in een andere taal dan de proceduretaal de nietigheid van de volledige akte niet meebrengen, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, artikel 58 van de Wet Taalgebruik in Bestuurszaken. 3. Het derde onderdeel voert een schending van artikel 267 VWEU aan. 3.1. Krachtens deze bepaling kan een nationale rechter, alvorens uitspraak te doen, van het Hof van Justitie de nodige aanwijzingen krijgen voor de uitlegging die hij aan het Unierecht moet geven in het voor hem aanhangige geding. Het stellen van prejudiciële vragen is een mogelijkheid voor de nationale rechter en bijgevolg geen verplichting tenzij tegen de beslissing van de betrokken rechter geen cassatieberoep kan worden ingesteld (K. LENAERTS & P. VAN NUFFEL, ‘Europees Recht', Intersentia, 2011, p. 645-646, nr. 840). De rechter mag het stellen van een vraag afwijzen op grond van de omstandigheid dat (
- i)het antwoord op deze vraag niet noodzakelijk is om tot een uitspraak te komen (K. LENAERTS & P. VAN NUFFEL, ‘Europees Recht', Intersentia, 2011, p. 646, nr. 841; M. WATHELET & J. WILDEMEERSCH, ‘Contentieux européen', Larcier, 2010, p. 330, nr. 339), (ii), zelfs al is de vraag pertinent, het Hof van Justitie er zich reeds over heeft uitgesproken (HvJ., 6 oktober 1982, CILFIT, 283/81, r.o. 13-21; M. WATHELET & J. WILDEMEERSCH, ‘Contentieux européen', Larcier, 2010, p. 330, nr. 339) of, nog, wanneer (iii) de juiste toepassing van het Unierecht "zo evident is" dat "redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan" over de correcte interpretatie (HvJ., 15 september 2005, Intermodal Transports, C-495/03). 3.2. Door te beschouwen dat "het (...) niet erg waarschijnlijk (lijkt)" aanvaardt het appelgerecht dat er wel degelijk twijfel bestaat omtrent de wijze waarop het Hof van Justitie zich omtrent de voorgestelde vraag zou uitspreken, evenmin vast te stellen dat het Hof van Justitie zich reeds over deze vraag heeft uitgesproken en, tenslotte, te beslissen wat het standpunt van het Hof van Justitie zou zijn, waardoor het appelgerecht zich in de plaats stelt van het Hof van Justitie, schendt het aangevochten arrest artikel 267 VWEU. TWEEDE MIDDEL Geschonden wetsbepalingen - Artikel 4, § 3 (ex artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) van het Verdrag betreffende de Europese Unie (goedgekeurd door de Wet van 19 juni 2008 houdende instemming met het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met de Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007) (hierna "VEU"); - artikel 288 (ex artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, (goedgekeurd door de Wet van 19 juni 2008 houdende instemming met het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met de Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007) (hierna "VWEU"); - de artikelen 14 en 19 van de Verordening EG/714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 (hierna "Verordening EG/714/2009"); - artikel 37.1, 6 en 10 van de Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (geïmplementeerd door de Wet van 8 januari 2012 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen) (hierna "Derde Elektriciteitsrichlijn"); - het algemeen rechtsbeginsel dat het primaat inhoudt van bepalingen met een rechtstreekse werking van het internationaal recht, incluis het communautair of Unie recht, op bepalingen van het nationaal recht. Aangevochten beslissing Het aangevochten arrest beslist dat de bestreden beslissing van de CREG geen "deugdelijke" rechtsgrond had op grond van volgende motieven: "50. In het algemeen overweegt het hof dat uit het enkele feit dat de omzettingstermijn van richtlijn 2009/72/EG op 3 maart 2011 is verstreken, zonder dat de omzetting ervan werd gerealiseerd, niet kan worden afgeleid dat de Elektriciteitswet zoals hij vigeerde voor de wijziging ervan met het oog op omzetting van de richtlijn, als zodanig niet meer kon worden toegepast. Evenwel slechts in de mate waarin bepalingen van die wet niet met het Europese recht vielen te verzoenen, konden en dienden zij voor toepassing te worden geweerd. De CREG diende dan ook de onderdelen van het nationale regelgevende kader die voor de bevoegdheidsuitoefening inzake het door Elia ingediende tariefvoorstel toe te passen in de mate die op de datum van de bestreden beslissing niet met het Europese regelgevende kader onbestaanbaar waren en ze voor het overige te weren. In dit verband kan overigens worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet na onderzoek tot het gemotiveerde besluit komt dat de Elektriciteitswet (oud) als zodanig met het Europese regelgevende kader strijdt. 51. Ten aanzien van de bevoegdheid om tarieven goed te keuren, stelde de toepassing van artikel 23, 14° Elektriciteitswet (oud), dat die taak toewijst aan de CREG, geen enkel probleem. De CREG kon op grond van die bepaling in beginsel dus beslissen over een ingediend tariefvoorstel, althans voor zover ze daarbij geen toepassing diende te maken van met de richtlijn strijdige voorschriften. 52. Met betrekking tot de tariefmethodologie diende de regelgevende context zich verschillend aan. Artikel 12quinquies (oud) verleende aan de CREG de bevoegdheid om een voorstel te doen over de tariefmethodologie - dat diende opgesteld te worden in overleg met de netbeheerder - waarna de Koning hierover besliste na overleg in de Ministerraad, evenwel zonder te mogen raken aan de inhoud van het voorstel, althans wat het domein betreft dat krachtens richtlijn 2003/54/ EG aan de regulerende instantie was toevertrouwd. Die bevoegdheid betrof overigens niet enkel die methodologie, maar eveneens de algemene tariefstructuur en de procedure voor het voorstel van de netbeheerder inzake zijn totaal inkomen en, de tarieven, de controle hierop en de publicatie van de tarieven. In het licht van artikel 37.1 a. van Richtlijn 2009/72/EG dat bepaalt dat de regulerende instantie als taak heeft 'het vaststellen of goedkeuren, volgens transparante criteria, van transmissie- of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor', was het vanaf 3 maart 2011 de CREG niet meer toegestaan om de berekeningsmethodes voor de tarieven toe te passen die ze zelf niet heeft vastgesteld of goedgekeurd en evenmin om door haar vastgestelde of goedgekeurde berekeningsmethodes voor beslissing erover voor te leggen aan de Koning. 53. Gegeven dat onder de vigeur van artikel 12quinquies (oud) de CREG de bevoegdheid had om de tariefmethodologie voor te stellen, kon deze wetsbepaling in het licht van artikel 37.6 van de Richtlijn, dat voorschrijft dat de regulerende instanties bevoegd zijn ‘voor de vaststelling of de voldoende ruim aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie- en distributietarieven of de methode daarvoor', richtlijnconform toegepast worden door te overwegen dat het onderdeel van het beslissingstraject van de methodologie waarbij de Koning beslist, dient te worden geweerd en zodoende vast te stellen dat haar voorstel over de methodologie de facto de goedkeurende beslissing erover is. Aldus werd ook tegemoet gekomen aan de verplichting om al het mogelijke te doen om de volle werking van de vermelde richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (HvJ EG, arrest van 4 juli 2006 in zake Adelener e.a. t. ELOG, nr.111). Aangezien de CREG volgens richtlijnconforme toepassing van artikel 12quinquies over de methodologie kon beslissen, kon zij op grond van dezelfde conforme toepassing in het licht van artikel 37.10, tweede zin van de vermelde richtlijn tevens zowel voorlopig als definitief over die methodologie beslissen. Voorlopig beslissen verschilt in termen van bevoegdheidsuitoefening en van mogelijkheid tot rechterlijke toetsing hiervan trouwens niet van definitief beslissen. Voor het besluit tot vaststelling van voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden (Z) 241111-CDC-1109/1 ontbrak het de CREG dan ook niet aan een nationale wetsbepaling die de desbetreffende bevoegdheidsuitoefening mogelijk maakte in overeenstemming met het Europese regelgevende kader. 54. Zodoende verstrekte de richtlijnconform geïnterpreteerde Belgische regelgeving de CREG de nodige rechtsgrond om na de voorlopige vaststelling van een tarifaire methode over de goedkeuring van het door Elia ingediende tariefvoorstel te beslissen. 55. Betreffende de vraag of de CREG voor de bestreden beslissing de nodige rechtsgrond ook kon putten uit artikel 37.6 en 37.10 van de richtlijn 2009/72/EG, overweegt de bestreden beslissing ondermeer dat deze voorschriften rechtstreekse werking hebben en op verzoek van Elia in haar voordeel kunnen worden toegepast, ook als hieraan voor derden negatieve gevolgen verbonden zijn. Het Hof van Justitie EU oordeelde over de rechtstreekse werking van het van het Gemeenschapsrecht dat hierover vereist is dat de betrokken norm duidelijk is, een onvoorwaardelijke strekking heeft en niet afhankelijk is van een uitvoeringsmaatregel waarvoor een zekere beoordelingsmarge bestaat voor communautaire of nationale overheden (HvJ EU, Arrest van 24 januari 2012 in de zaak C - 282/10, Maribel Dominguez t. Centre informatique du Centre Ouest Atlantique et Préfet de la région Centre, nrs. 33-35). 56. Uit artikel 37.1 en 37.6 van de vermelde richtlijn blijkt dat de nationale overheden over zes alternatieven beschikken om die bepalingen in hun regelgeving om te zetten in overeenstemming met de richtlijn, zelfs in de minimalistische optie waarbij de regulerende instantie zich zelf niet kan inlaten met de tarieven, maar enkel met de berekeningsmethoden. Ze moet deze laatste ofwel kunnen goedkeuren ofwel vaststellen. Deze verschillende voor artikel 37 aan de nationale wetgevers gelaten opties staan eraan in de weg dat de optionele bepalingen uit dat artikel rechtstreekse werking kunnen hebben. Dat de Tweede Elektriciteitsrichtlijn 2003/54/EG vergelijkbare opties liet als de Derde Elektriciteitsrichtlijn en de Belgische wetgever de CREG bevoegdheid verleende zowel in zake tarieven als berekeningsmethodes blijft zonder invloed op de beoordeling van de rechtstreekse werking. 57. Wat artikel 37.10 van de richtlijn aangaat is de vraag naar de rechtstreekse werking zonder belang voor de tweede zin ervan, aangezien de nationale bevoegdheidsbepaling van de CREG op dit punt richtlijnconform kan worden uitgelegd wat het nemen van voorlopige beslissingen betreft. Voor de eerste zin van artikel 37.10 is de vraag in zoverre van geen belang dat dit artikel niet de hypothese betreft waarbij de regulerende instantie heeft te beslissen over een aanvraag tot goedkeuring van een tariefvoorstel, maar ze de bevoegdheidstoekenning beoogt waarbij de regulerende instantie van de netbeheerder kan eisen dat hij de vigerende voorwaarden voor gebruik van zijn net wijzigt. In het geval van de bestreden beslissing heeft Elia gevraagd om haar totaal inkomen voor een volgende gereguleerde periode van vier jaar en de daaruit voortvloeiende tarieven goed te keuren. 58. De bestreden beslissing vermeldt ook nog de artikelen 14 en 19 van de Verordening EG/714/2009 onder haar rubriek ‘rechtsgrond'. Zoals deze verordening aangeeft, beoogt zij de voorwaarden vast te stellen voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit. Volgens punt 3. uit de preambule van die Verordening beoogt zij twee hindernissen op de interne markt voor elektriciteit weg te werken : met name dat nog steeds niet in elke lidstaat sprake is van een niet-discriminerende netwerktoegang en van een gelijk niveau van toezicht door de regulerende instanties en dat er nog steeds geïsoleerde markten bestaan. Het tariefvoorstel van Elia betreft evenwel het gebruik van haar transmissienet in de zin van de Elektriciteitswet, hetgeen als zodanig niet overeenstemt met de toepassingssfeer van de Verordening. Verder verstrekken de beginselen aangegeven in de artikelen 14 en 19 van die Verordening op zich geen afdoende grond voor het handelen van de CREG met betrekking tot het door Elia ingediende tariefvoorstel. 59. Zodoende luidt de conclusie dat de door de CREG aangehaalde rechtsgronden niet deugdelijk zijn voor de betwiste uitoefening van haar bevoegdheid over het door Elia ingediende tariefvoorstel. Die conclusie strekt zich insgelijks uit tot de vermelding als rechtsgrond van de beslissing (Z)111124-CDC-1109/ 1 van 24 november 2011 tot vaststelling van voorlopige tarifaire methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden, die enkel steunt op de artikelen 37.1 a), 37,6
- a)e, 37.10 van richtlijn 2009/72/EG. De middelen gesteund op de schending van de boven onder randnummer 19. (
- i)tweede streepje vermelde wetsbepalingen, in zoverre deze laatste door de CREG niet behoorden te worden geweerd en ze richtlijnconform dienden te worden uitgelegd, en van de voorschriften van het Gemeenschapsrecht zijn gegrond" (aangevochten arrest, pp. 26-29). Grieven Eerste onderdeel: als instantie bekleed met overheidsgezag is de CREG rechtsadressaat om het door het Unierecht beoogde resultaat te bereiken ongeacht of de voorwaarden voor een rechtstreekse toepassing van Richtlijnen in het raam van een voor de rechter hangend geschil tussen particulieren voorhanden zijn of niet Luidens artikel 288 van het VWEU is "een Richtlijn (...) verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch (wordt) aan de nationale instanties (...) de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen". Overeenkomstig artikel 4, § 3 van het VEU treffen de Lid-Staten "alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren", "vergemakkelijken (zij) de vervulling van de taak van de Unie" en "onthouden (zij) zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen". Het Unierecht heeft voorrang en werkt door in de nationale rechtsorde en de correcte toepassing ervan in de nationale rechtsorde kan zowel door de Unie als door de rechtzoekende worden afgedwongen. De opzet van de doorwerking als Unierecht heeft als doel de volle werking van het Unierecht in de Lidstaten te bewerkstelligen. Het is het specifieke karakter van de Gemeenschapsorde - thans Unie - en het gevaar dat, indien de werking ervan van Lidstaat tot Lidstaat zou verschillen op grond van nationale wetsbepalingen, zulks de verwezenlijking van de in artikel 4, § 3 van het VEU en het verbod van discriminatie (artikel 12 EG nu art. 18 VWEU) in gevaar zou brengen, dat dergelijke autonome doorwerking van het Unierecht rechtvaardigt. Het beginsel van de voorrang van het Unierecht op nationaalrechtelijke bepalingen, zelfs van constitutionele aard, heeft betrekking op alle Uniehandelingen. Luidens voormelde artikelen 4, § 3 VEU en 288 VWEU moeten de Lid-Staten alle algemene of bijzondere maatregelen nemen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit deze Verdragen of uit handelingen van de instellingen der Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en dienen zij de vervulling van hun taak te vergemakkelijken en zich te onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van voormelde Verdragen in gevaar kunnen brengen. Deze verplichting dringt zich op jegens alle autoriteiten van de Lid-Staten incluis de administratieve instanties en de hoven en rechtbanken zodat, zowel de CREG als het hof van beroep te Brussel, ertoe gehouden waren de artikelen 4, § 3 VEU en 288 te respecteren. Een Richtlijn houdt verplichtingen in jegens overheidsorganen en dient niet in se aan inhoudelijke voorwaarden te beantwoorden om rechtstreekse werking te hebben omdat zij niet rechtstreeks van toepassing zijn doch nog in de nationale rechtsorde dienen te worden omgezet. Wanneer een Richtlijn niet (correct) is omgezet, sluit het gebrek aan rechtstreekse werking niet uit dat deze bepaling toch zekere rechtsgevolgen kan hebben ten aanzien van de betrokken overheden en particulieren dankzij de richtlijnconforme interpretatie en voorrang van het Unierecht. De verplichting tot richtlijnconforme interpretatie geldt ongeacht de rechtstreekse werking van de bepalingen van een Richtlijn. De enige begrenzing is dat de richtlijnconforme interpretatie niet kan leiden tot het opleggen aan een particulier van een verplichting ten gevolge van een niet (correct) omgezette Richtlijn. Ook moeten de bepalingen van een Richtlijn voorrang krijgen op daarmee strijdige regels van nationaal recht. Ten aanzien van overheden geldt dit beginsel ongeacht de vraag of de bepalingen van de Richtlijn rechtstreekse werking hebben: deze bepalingen moeten enkel voldoende duidelijk zijn om als toetsmaatstaf te kunnen dienen. Deze verplichting rust niet enkel op de rechter doch ook op alle overheidsinstanties die, meer bepaald, alle algemene en bijzondere maatregelen moeten nemen nodig om te verzekeren dat het door de Richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt. Het begrip "Lidstaat" zoals bedoel in de artikelen 4, § 3 VEU en 288 VWEU dient ruim uitgelegd te worden en viseert alle overheidsinstanties. Het Hof van Justitie omschreef een overheidsinstantie als een lichaam dat -ongeacht zijn juridische vorm- belast is met de uitvoering van een dienst van openbaar belang en dit onder toezicht van de overheid. Zo wordt door het Hof van Justitie als "Lidstaat" beschouwd organisaties die onder gezag of toezicht van de Staat staan of die over bijzondere, verder gaande bevoegdheden beschikken dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren en organen die instaan voor een dienst van openbaar belang onder toezicht van de overheid en dat hiertoe over bijzondere, verdergaande bevoegdheden beschikt dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden. In casu is de CREG een weliswaar van de overheid onafhankelijk orgaan maar de omstandigheid dat het bekleed is met overheidsgezag en belast is met een taak van algemeen belang, heeft tot gevolg dat het om een overheidsinstantie gaat in de zin van de artikelen 4, § 3 VEU en 288 VWEU. De CREG is, als onderdeel van de Lidstaat dat België is, derhalve verplicht om de bovengenoemde bepalingen van de Derde Elektriciteitsrichtlijn in de Belgische rechtsorde om te zetten en er gevolg aan te geven. Het aangevochten arrest stelt dat "evenwel slechts in de mate waarin bepalingen van die wet niet met het Europese recht vielen te verzoenen, (...) zij voor toepassing (dienden en konden) te worden geweerd", dat "de CREG (...) dan ook de onderdelen van het nationale regelgevende kader die voor de bevoegdheidsuitoefening inzake het door Elia ingediende tariefvoorstel (diende) toe te passen in de mate die op de datum van de bestreden beslissing niet met het Europese regelgevende kader onbestaanbaar waren en ze voor het overige te weren" en dat "in dit verband (...) overigens (kan) worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet na onderzoek tot het gemotiveerde besluit komt dat de Elektriciteitswet (oud) als zodanig met het Europese regelgevende kader strijdt" waarna het aangevochten arrest zulks zowel "ten aanzien van de bevoegdheid om tarieven goed te keuren", als "met betrekking tot de tariefmethodologie" toe past en besluit dat "de richtlijnconform geïnterpreteerde Belgische regelgeving de CREG de nodige rechtsgrond (verstrekte) om na de voorlopige vaststelling van een tarifaire methode over de goedkeuring van het door Elia ingediende tariefvoorstel te beslissen" (aangevochten arrest, pp. 26-28, nr. 50-52 en 54) waardoor het zuiver de leer van de werking van de Europese Richtlijnen in een verhouding tussen particulieren voor de rechter toepast doch abstractie maakt van de specifieke verplichting, rustend op overheden, om, waar ook mogelijk, het Unierecht toe te passen teneinde het beoogde resultaat ervan te bereiken. Door te stellen dat "de richtlijnconform geïnterpreteerde Belgische regelgeving de CREG de nodige rechtsgrond (verstrekte) om na de voorlopige vaststelling van een tarifaire methode over de goedkeuring van het door Elia ingediende tariefvoorstel te beslissen", terwijl, ongeacht of de bepalingen van de Derde Elektriciteitsrichtlijn rechtstreekse werking hebben, de CREG, als overheidsinstantie, de plicht had om de Derde Elektriciteitsrichtlijn zo goed mogelijk uit te voeren en het niet aan de rechter toekomt om deze handelswijze te toetsen aan criteria die zich enkel opdringen in het raam van een zaak door partijen voor de rechter aanhangig gemaakt en waarbij geen van hen een rechtsadressaat is van een rechtstreekse plicht om een door een Richtlijn, waarvan de omzettingstermijn verstreken is, beoogde resultaat te bereiken, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, de artikelen 4, § 3 VEU en 288 VWEU alsook, voor zoveel als nodig, het algemeen rechtsbeginsel dat het primaat inhoudt van bepalingen met een rechtstreekse werking van het internationaal recht, incluis het Communautair of Unierecht, op bepalingen van het nationaal recht. Tweede onderdeel : de rechtsgrond van de bestreden beslissing van de CREG Eerste subonderdeel: artikel 37.1, 6 en 10 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn als rechtsgrond Krachtens artikel 37.1,
- a)van de Derde Elektriciteitsrichtlijn heeft de regulerende instantie, in casu de CREG, onder meer, tot taak het "vaststellen of goedkeuren, volgens transparante criteria, van transmissie- of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor". Artikel 37.6 van dezelfde Richtlijn bepaalt vervolgens dat "de regulerende instanties (...) bevoegd (zijn) voor de vaststelling of de voldoende ruim aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake:
- a)de aansluiting op en toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie- en distributietarieven of de methode daarvoor; deze tarieven of methoden maken het mogelijk dat de noodzakelijke investeringen in de netten op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netten kunnen waarborgen;
- b)de verstrekking van balanceringsdiensten, die zo economisch mogelijk worden uitgevoerd en passende stimuleringsmaatregelen bieden voor netwerkgebruikers om hun input en output op elkaar af te stemmen. De balanceringsdiensten worden op billijke en niet-discriminerende wijze verstrekt en zijn gebaseerd op objectieve criteria, en
- c)toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur, inclusief de procedures voor de toewijzing van capaciteit en congestiebeheer". Artikel 37.10 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn voorziet dat "de regulerende instanties (...) bevoegd (zijn) om zo nodig van de transmissie- en distributiesysteembeheerders te verlangen dat zij de voorwaarden wijzigen, met inbegrip van de in dit artikel bedoelde tarieven of methoden, om ervoor te zorgen dat deze evenredig zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast" en dat "in geval van vertraging bij de vaststelling van transmissie- en distributietarieven (...) de regulerende instanties de bevoegdheid (hebben) om transmissie- en distributietarieven en de berekeningswijzen hiervan voorlopig vast te stellen of goed te keuren en een besluit te nemen over passende compensatiemaatregelen indien de definitieve transmissie- en distributietarieven of berekeningswijzen afwijken van deze voorlopige tarieven of berekeningswijzen". Artikel 37.10 van de Richtlijn viseert aldus twee verschillende hypotheses: een eerste, waarbij de regulerende instanties bevoegd zijn om, zo nodig, van de transmissie- en distributiesysteembeheerders te verlangen dat zij de voorwaarden wijzigen, met inbegrip van de in dit artikel bedoelde tarieven of methoden, om ervoor te zorgen dat deze evenredig zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast, en een tweede hypothese, dat de mogelijkheid geeft aan de regulerende instanties om, ingeval van vertraging, de transmissie- en distributietarieven, op voorlopige wijze te regelen. De tweede zin van artikel 37.10 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn betreft de hypothese van huidige zaak: zo voorzien artikel 17, § 7 van het Tarievenbesluit en artikel 10 van het Koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit, de mogelijkheid voor de CREG om met voorlopig goedgekeurde tarieven te werken. De CREG heeft, op grond van de artikelen 4, § 3 VEU en 288 VWEU, als overheidsinstantie (en als regulerende instantie overigens), bijgevolg de plicht om het beoogde resultaat van bovenvermelde artikelen van de Derde Elektriciteitsrichtlijn te trachten te bereiken en het komt niet aan de rechter toe om deze handelswijze te toetsen aan de hand van criteria die zich enkel opdringen in het raam van een rechtszaak door partijen aanhangig gemaakt waarbij geen van hen een rechtsadressaat is van een omzettingsplicht van een Richtlijn waarvan de omzettingsperiode verstreken is. Het aangevochten arrest stelt dat "uit artikel 37.1 en 37.6 van de vermelde richtlijn blijkt dat de nationale overheden over zes alternatieven beschikken om die bepalingen in hun regelgeving om te zetten in overeenstemming met de richtlijn, zelfs in de minimalistische optie waarbij de regulerende instantie zich zelf niet kan inlaten met de tarieven, maar enkel met de berekeningsmethoden", dat "ze (...) deze laatste ofwel (moet) kunnen goedkeuren ofwel vaststellen" en leidt daaruit af dat "deze verschillende voor artikel 37 aan de nationale wetgevers gelaten opties (...) eraan in de weg (staan) dat de optionele bepalingen uit dat artikel rechtstreekse werking kunnen hebben" en verder dat "dat de Tweede Elektriciteitsrichtlijn 2003/54/EG vergelijkbare opties liet als de Derde Elektriciteitsrichtlijn en de Belgische wetgever de CREG bevoegdheid verleende zowel in zake tarieven als berekeningsmethodes (...) zonder invloed (blijft) op de beoordeling van de rechtstreekse werking". Meer bepaald met betrekking tot artikel 37.10 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn stelt het aangevochten arrest dat "de vraag naar de rechtstreekse werking zonder belang (
- is)voor de tweede zin ervan, aangezien de nationale bevoegdheidsbepaling van de CREG op dit punt richtlijnconform kan worden uitgelegd wat het nemen van voorlopige beslissingen betreft" en dat "voor de eerste zin van artikel 37.10 (...) de vraag in zoverre van geen belang (
- is)dat dit artikel niet de hypothese betreft waarbij de regulerende instantie heeft te beslissen over een aanvraag tot goedkeuring van een tariefvoorstel, maar ze de bevoegdheidstoekenning beoogt waarbij de regulerende instantie van de netbeheerder kan eisen dat hij de vigerende voorwaarden voor gebruik van zijn net wijzigt" omdat "in het geval van de bestreden beslissing (...) Elia gevraagd (heeft) om haar totaal inkomen voor een volgende gereguleerde periode van vier jaar en de daaruit voortvloeiende tarieven goed te keuren". Door zulks te stellen passen de appelrechters - andermaal - de criteria toe voor de rechtstreekse toepassing van een Richtlijn, waarvan de omzettingstermijn is verstreken, in het raam van een geding tussen particulieren hangend voor de rechter. Door te stellen dat de regulerende instantie "de berekeningsmethoden" "ofwel (moet) kunnen goedkeuren ofwel vaststellen", en dat daardoor de voorwaarde(
- n)voor de rechtstreekse toepassing van artikel 37.1 en 10 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn niet voorhanden zijn, terwijl, ongeacht of de bepalingen van de Derde Elektriciteitsrichtlijn rechtstreekse werking hebben of niet, de CREG, als overheidsinstantie, de plicht heeft om de Derde Elektriciteitsrichtlijn zo goed mogelijk uit te voeren en het niet aan de rechter toekomt om deze handelswijze te toetsen aan de hand van criteria die zich enkel opdringen in het raam van een zaak door partijen voor de rechter aanhangig gemaakt en waarbij geen van hen een rechtsadressaat is van rechtstreekse plicht om een door een Richtlijn, waarvan de omzettingstermijn verstreken, is beoogde resultaat te bereiken, schendt het aangevochten arrest, mitsdien, de artikelen 4, § 3 VEU en 288 VWEU alsook, voor zoveel als nodig, het algemeen rechtsbeginsel dat het primaat inhoudt van bepalingen met een rechtstreekse werking van het internationaal recht, incluis het Communautair of Unierecht, op bepalingen van het nationaal recht. Tweede subonderdeel: de artikelen 14 en 19 van de Verordening EG/714/2009 als rechtsgrond De artikelen 14 en 19 van de Verordening EG/714/2009 beperken zich niet tot het regelen van enkel grensoverschrijdende problemen: zo stelt punt 1 van de Preambule dat "met de interne markt voor elektriciteit, die sinds 1999 geleidelijk tot stand is gebracht, (...) beoogd (wordt) alle consumenten in de Gemeenschap — zowel particulieren als bedrijven — echte keuzevrijheid te bieden, nieuwe kansen voor het bedrijfsleven te scheppen en grensoverschrijdende handel te bevorderen, teneinde efficiëntieverbeteringen, concurrerende prijzen en een betere dienstverlening te bewerkstelligen en de voorzieningszekerheid en duurzaamheid in de hand te werken". De bedoeling is derhalve in de Unie een geharmoniseerd normerend kader tot stand te brengen. Meer bepaald moeten, zoals onderstreept in punt 10 van de Preambule, "de grondbeginselen voor tarifering en capaciteitstoewijzing worden vastgelegd en tegelijkertijd richtsnoeren worden gegeven waarin de relevante beginselen en methoden nader worden omschreven, zodat een snelle aanpassing aan de gewijzigde omstandigheden mogelijk wordt" hetgeen een ingreep in elke nationale markt veronderstelt: zo benadrukken punten 12, 13,14, 15, 16 en 17 van de Preambule dat "bij de vaststelling van nationale nettarieven (...) rekening (moet) worden gehouden met betalingen en ontvangsten in verband met verrekeningen tussen transmissiesysteembeheerders" en dat "het voor grensoverschrijdende toegang tot het net verschuldigde bedrag (...) aanzienlijk (kan) variëren, afhankelijk van de betrokken transmissiesysteembeheerders en de verschillen in structuur tussen de tariferingstelsels in de lidstaten" zodat "derhalve (...) een zekere mate van harmonisatie noodzakelijk (is), teneinde verstoring van de handel te voorkomen" en "er (...) behoefte (
- is)aan een goed systeem voor locatiespecifieke signalen voor de lange termijn met als uitgangspunt dat de hoogte van de tarieven voor nettoegang in beginsel het evenwicht tussen productie en verbruik in de betrokken regio moet weerspiegelen, dat wordt verkregen door een differentiatie van de tarieven voor nettoegang voor producenten en/of consumenten" met als gevolg dat "het (...) niet juist (zou) zijn afstandgerelateerde tarieven te hanteren of, indien passende locatiespecifieke signalen zijn ingebouwd, specifieke tarieven voor exporteurs of importeurs vast te stellen, bovenop een algemeen tarief voor toegang tot het nationale net", dat "voorwaarde voor een goed functionerende concurrentie in de interne markt voor elektriciteit (...) niet-discriminerende en transparante tarieven (zijn) voor het gebruik van het systeem waaronder de interconnectoren in het transmissiesysteem" en dat "het (...) belangrijk (
- is)te voorkomen dat verschillende normen voor veiligheid, bedrijfsvoering en planning die door transmissiesysteembeheerders in de lidstaten worden gehanteerd, leiden tot verstoring van de mededinging. In punt 18 van de Preambule wordt benadrukt dat het een falen is van de Lidstaten die een ingrijpen van de Commissie noodzakelijk maakt: "Uit de marktonderzoeken die de nationale regulerende instanties en de Commissie in de loop van de voorbije jaren hebben uitgevoerd, is gebleken dat de thans geldende transparantievereisten en voorschriften voor de toegang tot de infrastructuur ontoereikend zijn om een echte, goed werkende, open en doelmatige interne markt voor elektriciteit te waarborgen" zodat, punt 19 van de Preambule onderstreept dat "in het bijzonder (...) aan de Commissie de bevoegdheid (moet) worden gegeven de richtsnoeren vast te stellen of aan te nemen die nodig zijn voor de minimale harmonisatie die vereist is om de doelstelling van deze verordening te bereiken" en bijgevolg, "aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het verschaffen van een geharmoniseerd kader voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, (...) de Gemeenschap maatregelen (kan) treffen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel neergelegd in artikel 5 van het Verdrag" met weliswaar de beperking dat "overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in genoemd artikel (...) deze verordening niet verder (gaat) dan nodig is om deze doelstelling te bereiken". De Verordening EG/714/2009 beoogt derhalve een verregaande harmonisering van de elektriciteitsmarkt omdat "gelijke toegang tot informatie over de fysieke toestand en de doelmatigheid van het systeem (...) noodzakelijk (
- is)opdat alle marktdeelnemers zich een oordeel over de totale vraag-en-aanbodsituatie kunnen vormen en de redenen voor bewegingen van de groothandelsprijs kunnen onderkennen" hetgeen "onder meer (betekent) dat nauwkeurigere informatie moet worden verschaft over elektriciteitsproductie, vraag en aanbod, inclusief prognoses, netwerk- en interconnectiecapaciteit, stromen en onderhoud, balancering en reservecapaciteit" (punt 19 van de Preambule). Om deze harmonisering te bewerkstelligen moeten de procedures inzake investeringen en tarifering worden geharmoniseerd. Aangaande tarifering benadrukt punt 24 van de Preambule dat "om een vlotte werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen, (...) er procedures (moeten) komen waarmee de Commissie besluiten en richtsnoeren betreffende o.a. tarifering en capaciteitstoewijzing kan vaststellen, waarbij betrokkenheid van de regulerende instanties van de lidstaten verzekerd is, eventueel via hun Europese associatie" waarbij "de regulerende instanties (...) samen met andere betrokken instanties in de lidstaten een belangrijke rol (hebben) te spelen bij het goed functioneren van de interne markt voor elektriciteit" en, overeenkomstig punt 25 van de Preambule, "de nationale regulerende instanties (...) ervoor (moeten) zorgen dat de in deze verordening neergelegde voorschriften en de op basis van deze verordening vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen" . In het licht daarvan bepalen de artikelen 14 en 19 van de Verordening EG/714/2009 respectievelijk inzake markttoegang en tarifering, dat: "1. De door de netwerkbeheerders gehanteerde tarieven voor nettoegang moeten transparant zijn, rekening houden met de noodzakelijke zekerheid van het netwerk en een afspiegeling vormen van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte en structureel vergelijkbare netbeheerder en op niet-discriminerende wijze worden toegepast. Deze tarieven mogen niet afstandgebonden zijn. 2. Wanneer passend, worden in het op producenten en/of consumenten van toepassing zijnde tarief locatiespecifieke signalen op communautair niveau ingebouwd en wordt rekening gehouden met de omvang van de veroorzaakte netverliezen en congestie en met de investeringskosten voor infrastructuur. 3. Bij de vaststelling van de tarieven voor nettoegang wordt rekening gehouden met:
- a)de uit het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders voortvloeiende betalingen en ontvangsten;
- b)de werkelijk verrichte en ontvangen betalingen, alsmede de over toekomstige tijdvakken verwachte betalingen, een en ander aan de hand van ramingen over tijdvakken in het verleden. 4. Het krachtens dit artikel vaststellen van de tarieven laat de tarieven die in het kader van het in artikel 16 bedoelde congestiebeheer op aangegeven export en aangegeven import worden geheven, onverlet. 5. Er worden geen specifieke nettarieven in rekening gebracht voor individuele transacties inzake aangegeven doorvoerstromen". En dat : "Bij de uitoefening van hun bevoegdheden zorgen de regulerende instanties ervoor dat deze verordening en de krachtens artikel 18 vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen. Waar nodig om te voldoen aan de doelstellingen van deze verordening, werken de regulerende instanties overeenkomstig hoofdstuk IX van Richtlijn 2009/72/EG samen met elkaar, met de Commissie en met het Agentschap".