← België

ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160218.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 februari 2016 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160218.15 Rolnummer: C.15.0168.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2016-04-01 Raadplegingen: 686 - laatst gezien 2026-06-18 23:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160218.15 Fiches 1 - 2 In zoverre artikel 109bis, §2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, in het kader van een procedure op eenzijdig verzoekschrift de keuze laat aan de appellant om een zaak te laten behandelen door één dan wel door drie raadsheren en zij bijgevolg de samenstelling van de zetel afhankelijk maakt van een wilsverklaring van die partij, is zij geen regel van rechterlijke organisatie die de openbare orde aanbelangt; hieruit volgt dat wanneer een zaak wordt behandeld door een raadsheer terwijl de appellant om een behandeling van de zaak door drie raadsheren had verzocht, alleen de appellant de vernietiging van het aldus gewezen arrest kan vorderen

(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Samenstelling van de zetel - Behandeling door één dan wel door drie raadsheren - Rechterlijke organisatie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 109bis, § 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Samenstelling van de zetel - Behandeling door één dan wel door drie raadsheren - Rechterlijke organisatie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 109bis, § 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Krachtens artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek kan een bewarend beslag slechts worden gelegd wanneer er sprake is van hoogdringendheid; aan dit vereiste is voldaan wanneer de solvabiliteit van de schuldenaar in het gedrang komt, zodat de latere uitwinning gevaar loopt
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Vereiste van hoogdringendheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1413 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Uit de bepalingen van artikel 1415, eerste lid, en 1423 Gerechtelijk Wetboek volgt dat slechts machtiging tot bewarend beslag kan worden verleend voor een schuldvordering die zeker en opeisbaar is tot beloop van een bepaald bedrag of vatbaar is voor een voorlopige raming; wanneer de rechter vaststelt dat de schuldvordering voor een gedeelte niet opeisbaar is, kan hij voor dat deel geen toelating verlenen tot beslag
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Machtiging tot bewarend beslag - Schuldvordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1415, eerste lid, en 1423 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Samenstelling van de zetel - Behandeling door één dan wel door drie raadsheren - Rechterlijke organisatie - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Samenstelling van de zetel - Behandeling door één dan wel door drie raadsheren - Rechterlijke organisatie - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Vereiste van hoogdringendheid - Voorwaarde Machtiging tot bewarend beslag - Schuldvordering - Voorwaarden Tekst van de conclusie C.15.0168.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
  1. Het bestreden arrest verklaart het derdenverzet van eiser, tegen de beslissing tot machtiging aan verweerders om bewarend beslag te leggen buiten woonst en bij een derde, ongegrond.
  2. Tegen deze beslissing voert eiser drie middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN
  3. Het eerste middel verwijt het bestreden arrest (eerste en tweede onderdeel) zijn beslissing niet naar recht te verantwoorden, door met miskenning van een regel die de rechterlijke organisatie aanbelangt, eisers kritiek i.v.m. de onregelmatige samenstelling van de kamer die het arrest waartegen verzet gewezen had, te verwerpen op grond van het ontbreken van belangenschade. 1.
  4. Het derdenverzet heeft geen devolutieve werking
(1). De rechter die kennisneemt van het derdenverzet oefent wel zijn volledige rechtsmacht uit m.b.t. wat in de bestreden beslissing werd beslist en de positie van de derde aanbelangt. Binnen deze grenzen mag de derde - zowel in feite als in rechte - alle middelen aanvoeren en wordt hij hierbij, in beginsel, niet beperkt door de proceshouding die was aangenomen door de partijen in het oorspronkelijk geding
(2). 1.3. De rechter die van een derdenverzet kennisneemt, moet evenwel, in dezelfde omstandigheden als de eerste rechter, nagaan of de procedure regelmatig werd ingeleid en of de door de eerste rechter bevolen maatregelen gegrond zijn
(3). 1.4. Derdenverzet is slechts niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, wanneer het uitgaat van een persoon wiens rechtspositie door de beslissing niet kan worden aangetast
(4). 1.5. Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen (Art. 860, eerste lid, Ger. W.). De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (Art. 861 Ger. W.). Deze bepaling veronderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang
(5). 1.6. De artikelen 860 tot 864 Ger. W. zijn enkel toepasselijk op de vormen en proceshandelingen en niet op de vonnissen en arresten buiten de gevallen die uitdrukkelijk in deze bepalingen zijn omschreven
(6). 1.7. Een proceshandeling is een handeling die in het kader van een proces of onder toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter is verricht
(7). 1.8. In zoverre het voorschrift dat het vonnis moet gewezen worden door het voorgeschreven aantal rechters (art. 779 Ger. W.), deel uitmaakt van de bepalingen inzake de gerechtelijke organisatie, raakt dergelijke bepaling op zich de openbare orde
(8). 1.
  1. Toch mag daarbij m.i. niet uit het oog worden verloren dat het recht om te opteren voor drie raadsheren (cf. art. 109bis, §2, tweede lid, Ger. W.) aan de (vrije) keuze van de eiser in zijn hoofdakte van hoger beroep wordt overgelaten, zodat het mij op dat vlak niet ondenkbaar en derhalve niet onverdedigbaar voorkomt dat dergelijke regel, die aldus tot het "processueel wilsrecht" behoort, een gewone procesrechtsregel i.v.m. de regeling van procedurevraagstukken betreft, en als dusdanig de openbare orde niet raakt. Zoals procureur-generaal Krings daarover in zijn hierboven vermelde conclusie stelt zijn de pleegvormen op civielrechtelijk gebied slechts uitzonderlijk van openbare orde. Zelfs als ze op straffe van nietigheid zijn gesteld, dan nog zijn ze niet noodzakelijk van openbare orde, zoals de bepaling van artikel 861 Ger. W. ervan getuigt. 1.
  2. Vanuit voormelde benadering ben ik dan ook geneigd om te besluiten dat, vermits in deze de toepassing van de regel afhangt van de aard van de rechtspleging, het hier gaat om een rechtsplegingsvraagstuk dat niet de organieke nietigheid betreft (waarvoor, in de regel, geen belangenschade vereist is), waaruit volgt dat wanneer een zaak door één raadsheer wordt behandeld terwijl de appellant om een behandeling van de zaak door drie raadsheren had verzocht, alleen de appellant de vernietiging van het aldus gewezen arrest kan vorderen. 1.
  3. Met deze (in de plaats gestelde) redenen ben ik dan ook van oordeel dat de beslissing van de apprelrechter naar recht verantwoord is, en dat het eerste middel, bij gebrek aan belang, niet tot cassatie kan leiden en mitsdien niet ontvankelijk is.
  4. Het tweede middel voert aan dat bewarend beslag enkel mogelijk is in geval van hoogdringendheid en dat het bestreden arrest in deze dan ook niet, zonder het rechtsbegrip urgentie te miskennen, wettig tot het voorhanden zijn daarvan vermocht te besluiten. 2.
  5. Er is volgens uw Hof
(9)sprake van spoed in de zin van artikel 1413 Ger. W. wanneer de schuldeiser ernstige gronden heeft om te vrezen dat de inning van zijn schuldvordering in het gedrang komt omdat uit omstandigheden blijkt dat de solvabiliteit van de schuldenaar gevaar loopt. 2.2. Waar hoogdringendheid dient te bestaan zowel op het tijdstip waarop het beslag wordt gelegd, als op het tijdstip waarop over de handhaving van dit beslag dient geoordeeld te worden, oordeelt de (beslag)rechter op onaantastbare wijze over het bestaan van de hoogdringendheid
(10). 2.
  1. Gelet op de vaststellingen van het arrest (p. 5, nr. 7, tweede en derde lid) dat er geen enkel onroerend goed op naam van eiser bekend is, en dat evenmin enig voor beslag vatbaar inkomen in zijnen hoofde gekend is, zodat de goederen waarvoor machtiging tot bewarend beslag werd verleend blijkbaar momenteel het enige uitvoeringsmiddel van verweerders op derdenverzet sinds de vestiging van de aanslagen vormen, komt het mij voor dat de appelrechter aldus wel degelijk zijn beslissing naar recht verantwoordt dat aan de vereiste van urgentie was voldaan. 2.
  2. Het tweede middel lijkt mij derhalve niet te kunnen aangenomen worden. 3.
  3. In het eerste onderdeel van het derde middel werpt eiser op dat het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoordt wat de opeisbaarheid van de schuldvorderingen betreft. 3.1.1 Verlof om bewarend beslag te leggen mag niet worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaande is of vatbaar voor een voorlopige raming (Art. 1415, eerste lid, Ger. W.). 3.1.2 In zoverre voorwaardelijke of eventuele vorderingsrechten in de regel derhalve geen bewarend beslag kunnen wettigen en het bedrag van de schuldvordering bepaald moet zijn of minstens vatbaar voor voorlopige raming, moet de vordering waarvoor beslag wordt gelegd bovendien eisbaar zijn. Dit betekent dat de schuldeiser gerechtigd moet zijn de nakoming van zijn schuldvordering te vorderen
(11). 3.1.3 Nu het bestreden arrest in deze (p. 4, nr. 5, alinea 2) enerzijds vaststelt dat enkel voor wat het aldaar vermelde kohierartikel betreft de stuiting bij dwangbevel slechts betrekking heeft op een bedrag van 149.486,79 euro en niet op het totaalbedrag van 1.390.486,79 euro, zodat prima facie niet wordt aangetoond dat de betrokken schuld t.b.v. 1.341.000 euro op heden nog opeisbaar is, en anderzijds het derdenverzet van eiser volledig ongegrond verklaart en het bij het op derdenverzet bestreden arrest bevestigt - waarbij toelating werd verleend tot het leggen van bewarend beslag buiten woonst en bij een derde tot zekerheid van de schuldvorderingen van verweerders voor bedragen in hoofdsom (benevens boeten, intresten en kosten...: cf. art. 1423 Ger. W.) waarin ook voornoemd bedrag van 1.341.000 euro begrepen was - komt het mij voor dat de appelrechter op dat vlak zijn beslissing dan ook niet naar recht verantwoordt in zoverre, wat dat bedrag betreft, niet was voldaan aan de voorwaarden tot het leggen van bewarend beslag. 3.1.4 Dit onderdeel lijkt mij dan ook gegrond. 3.2. In het tweede onderdeel van het derde middel voert eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig kon besluiten dat de BTW-schuld prima facie nog niet verjaard was, en (minstens) dat de gedane vaststellingen uw Hof niet in de mogelijkheid stellen om ter zake zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. 3.2.1 Gelet op de door verweerders, in het kader van de door eiser ingeroepen verjaring van de BTW-schuld, bijgebrachte stukken i.v.m. de stuiting en opeisbaarheid van deze schulden (p. 13, nr. 2.2.2 van de synthesebesluiten van verweerders van 25 augustus 2014) - waaruit (conform de memorie van antwoord van verweerders) moge blijken dat op 5 oktober 1992 een vonnis betreffende de door eiser ingestelde verzetsprocedure werd gewezen, dat op 8 juni 1993 werd betekend, en waaruit evenzeer blijkt dat ook op 27/8/1997, 21/8/2002, 23/3/2007 en 19/9/2011 betekeningen plaatsvonden, terwijl het verzoekschrift bewarend beslag op 29 november 2013 werd neergelegd - en de omstandigheid dat daarover nadien door eiser geen verder verweer werd gevoerd i.v.m. de verjaring, ben ik de mening toegedaan dat het bestreden arrest, om tot de niet-verjaring van de BTW-schuld te besluiten, kon volstaan met te wijzen op de vaststelling (p. 4, nr. 5, alinea 3) dat na de betekening van het dwangbevel op 8 september 1987 de verjaring tijdens de verzetsprocedure (dit is tussen 16 september 1987 en 5 oktober 1992) conform de wettelijke bepalingen ter zake gestuit bleef. 3.2.2 Als dusdanig lijkt het tweede onderdeel van dit middel mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING wat het eerste onderdeel van het derde middel betreft (en in zoverre bindendverklaring wat de daartoe opgeroepen partij aanbelangt), en VERWERPING voor het overige. ______________________
(1)K. WAGNER, Derdenverzet, APR, Kluwer 2004, 50-53.
(2)Cass. 29 juni 2006, AR C.05.0478.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.6, AC 2006, 1536; Cass. 2 mei 2013, AR C.12.0150.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130502.2, AC 2013, nr. 274.
(3)Cass. 2 mei 2013, AR C.12.0150.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130502.2, AC 2013, nr. 274.
(4)Cass. 21 maart 2003, AR C.00.0634.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.8, AC 2003, nr. 188.
(5)Cass. 24 oktober 2014, AR C.12.0462.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141024.1, AC 2014, nr. 636.
(6)Cass. 23 december 1996, AR S.96.0082.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961223.2, AC 1996, nr. 525; Cass. 28 januari 2013, AR S.11.0123.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130128.3, AC 2013, nr. 65.
(7)Cass. 28 april 1988, AR nr. 8285, AC 1987-88, nr. 527,
(1088), 1092; vgl. concl. advocaat-generaal T. WERQUIN voor Cass. 19 april 2002, AR C.01.0218.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.9, AC 2002, nr. 241,
(1053), 1054: de proceshandeling is een eenzijdige rechtshandeling die in hoofdzaak geregeld wordt door het gerechtelijk recht en uitgevoerd wordt in het raam van de noodzakelijke voorbereiding van een gerechtelijke procedure, van de totstandkoming van de procedure, het verloop, de beslissing, de tenuitvoerlegging en de noodzakelijke beëindiging ervan, los van de persoon of de instantie van wie de rechtshandeling uitgaat.
(8)Conclusie van procureur-generaal KRINGS voor Cass. 5 mei 1988, AR nr. 5695, AC 1987-88, nr. 548,
(1134), 1135.
(9)Cass. 23 december 2010, AR C.09.0441.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101223.3, AC 2010, nr. 767.
(10)Cass. 22 juni 2000, RW 2000-01, 1166.
(11)E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, APR, Kluwer 2010, 316-319, nrs. 455, 457 en 460. PDF document ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160218.15 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160218.15 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961223.2 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101223.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130128.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130502.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141024.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.