6, Wet Beroepsuitoefeningsverbod schending inhoudt van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, artikel 3bis, §§
6, en de artikelen 55, 57, 792, tweede en derde lid, 860, tweede lid, 865 en 1051 Gerechtelijk Wetboek wegens het feit dat de beroepstermijn van artikel 3bis, §6, korter is dan de gemeenrechtelijke beroepstermijn zoals bepaald in artikel 1051, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en de kennisgeving op grond van artikel 3bis, §5, niet de mogelijkheden tot het instellen van rechtsmiddelen moet preciseren zoals dat wel vereist is door artikel 792, tweede en derde lid, Gerechtelijk Wetboek, is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Toepassing beroepsuitoefeningsverbod - Toepasselijke beroepstermijn - Geen aanvoering voor de appelrechter door eiser in cassatie - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.16.1336.N D R, veroordeelde tot een beroepsuitoefeningsverbod, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woon-plaats kiest, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, bur-gerlijke kamer, van 5 december 2016. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 3bis, §
, Wet Beroepsuitoefeningsverbod en de artikelen 55, 57, 792, tweede en derde lid, 860, tweede lid, 865 en 1051 Gerechtelijk Wetboek: het ar-rest verklaart het hoger beroep dat de eiser heeft ingesteld overeenkomstig artikel 3bis, § 6, Wet Beroepsuitoefeningsverbod niet ontvankelijk wegens laattijdigheid; artikel 3bis, § 6, bepaalt dat de gefailleerde tegen een vonnis van de rechtbank van koophandel dat uitspraak doet over een beroepsuitoefeningsverbod, een gemoti-veerd hoger beroep kan instellen binnen een termijn van acht dagen te rekenen van de kennisgeving van het vonnis; die kennisgeving gebeurt bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 3bis, § 5, zesde lid, Wet Beroepsuitoefeningsverbod; aldus wijkt deze beroepstermijn af van de in artikel 1051 Gerechtelijk Wetboek bepaal-de beroepstermijn van een maand vanaf hetzij de betekening van het vonnis, hetzij de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Gerechte-lijk Wetboek; bovendien is de gemeenrechtelijke beroepstermijn, anders dan de beroepstermijn bepaald in artikel 3bis, § 6, verlengbaar overeenkomstig artikel 55 Gerechtelijk Wetboek; de kennisgeving bepaald in artikel 3bis, § 5, hoewel die de beroepstermijn doet aanvangen, moet evenmin opgave doen van de rechtsmidde-len, de termijn binnen welke ze moeten worden ingesteld en de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om kennis ervan te nemen, terwijl die verplichting wel geldt voor zowel de kennisgeving bepaald in artikel 792, tweede en derde lid, Gerechtelijk Wetboek als de kennisgevingen die de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen impliciet doen aanvangen; aldus wordt de toegang tot de rechter van de tot een beroepsuitoefeningsverbod veroordeelde persoon zo-danig ingeperkt dat dit recht in de kern ervan wordt aangetast; artikel 6 EVRM vereist immers dat de termijnen om rechtsmiddelen in te stellen niet onredelijk kort zijn en dat die termijnen op de meest expliciet mogelijke wijze ter kennis van de rechtszoekende worden gebracht opdat deze gebruik ervan kan maken over-eenkomstig de wet; door verder te beslissen dat de kennisgeving de beroepster-mijn van acht dagen heeft doen lopen, hoewel deze kennisgeving niet de boven-vermelde informatie bevatte, schenden de appelrechters artikel 6.1 EVRM en arti-kel 3bis, §
, Wet Beroepsuitoefeningsverbod dat in overeenstemming met artikel 6.1 EVRM dient te worden uitgelegd, alsook de voormelde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet en artikel 3bis, §
, Wet Beroepsuitoefeningsverbod: met het oordeel van het arrest in de omstandigheden zoals vermeld in het eerste onderdeel, wordt de toegang tot de rechter van de tot een beroepsuitoefeningsver-bod veroordeelde persoon zodanig ingeperkt dat dit recht in de kern ervan wordt aangetast; bovendien bestaat er geen redelijke verantwoording voor het onder-scheid dat aldus wordt gemaakt tussen de verschillende kennisgevingen; het arrest dat eisers hoger beroep niet ontvankelijk verklaart ingevolge, eensdeels, een niet-grondwetsconforme uitlegging van artikel 3bis, §
, Wet Beroepsuitoefe-ningsverbod en, anderdeels, een onredelijke en niet redelijk te verantwoorden be-perking van zijn recht om hoger beroep in te stellen, schendt de voormelde bepa-lingen. In het tweede onderdeel verzoekt de eiser de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 3bis, §§
6 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet in zoverre deze bepaling, in afwijking van de algemene regels die gelden voor het instellen van hoger beroep tegen een vonnis van de burgerlijke rechter, en inzonderheid van de artikelen 55, 57, 792, tweede en derde lid en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, de termijn om een gemotiveerd hoger beroep in te stellen beperkt tot acht dagen, zonder enige mogelijkheid van verlenging ten aanzien van de appellant die zijn woonplaats in het buitenland heeft, en zonder dat de kennisgeving enige informatie bevat over de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen en de vorm en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren?" 2. Het arrest oordeelt: "Nu vast staat dat
, Wet Beroepsuitoefeningsverbod schending inhoudt van ar-tikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, artikel 3bis, §
, voor-meld en de door de onderdelen aangewezen artikelen van het Gerechtelijk Wet-boek wegens het feit dat de beroepstermijn van artikel 3bis, § 6, korter is dan de gemeenrechtelijke beroepstermijn zoals bepaald in artikel 1051, eerste lid, Ge-rechtelijk Wetboek en de kennisgeving op grond van artikel 3bis, § 5, niet de mo-gelijkheden tot het instellen van rechtsmiddelen moet preciseren zoals dat wel vereist is door artikel 792, tweede en derde lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre is het middel in zijn beide onderdelen nieuw, mitsdien niet ontvanke-lijk. 4. De prejudiciële vraag die steunt op niet ontvankelijke grieven, wordt niet gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 23 mei 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen E. Francis A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.