← België

ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2017 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.2 Rolnummer: P.16.1250.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2017-12-04 Raadplegingen: 645 - laatst gezien 2026-06-18 22:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 149 Grondwet volgt dat in de mate dat een appellant in een grievenformulier niet alleen zijn grieven aanduidt, maar ook een duidelijke eis, exceptie of verweer formuleert, de appelrechter daarop moet antwoorden

(1).
(1)Zie Cass. 14 november 2017, AR P.17.0171.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.6, AC 2017, nr. 643. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Vermelding eis, exceptie of verweer door appellant - Taak appelrechter Fiches 2 - 3 Door het uitspreken van een overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering gemotiveerde effectieve straf sluit het vonnis het toekennen van uitstel of probatie-uitstel uit
(1).
(1)Zie Cass. 26 februari 2002, AR P.01.1650.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.30, AC 2002, nr.
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Strafzaken - Weigering uitstel of probatieuitsel - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - ALLERLEI Vrije woorden: Weigering uitstel of probatieuitsel - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.16.1250.N W M L B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlands-talige correctionele rechtbank Brussel van 16 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers in het grievenformulier gestelde verzoek om het aantal uren werkstraf te verminderen en om het verval van het recht tot sturen te herleiden tot het wettelijk minimum gekoppeld aan uitstel of probatie-uitstel, en in ondergeschikte orde de duurtijd ervan te beperken minstens, aan dat verval uitstel of probatie-uitstel te koppelen.
  4. Uit artikel 149 Grondwet volgt dat in de mate dat een appellant in een grie-venformulier niet alleen zijn grieven aanduidt, maar ook een duidelijke eis, excep-tie of verweer formuleert, de appelrechter daarop moet antwoorden.
  5. Het bestreden vonnis oordeelt dat: - de rechtbank kennis neemt van eisers grieven die de strafmaat en het niet-toepassen van het gevraagde uitstel en probatie-uitstel betreft; - de door de eerste rechter opgelegde straffen wettig en gepast zijn en volledig worden bevestigd; - de eiser moet begrijpen dat drinken en rijden niet samengaan; - gezien de toestand waarin hij verkeerde, de hoge graad van alcoholintoxicatie en zijn antecedenten, ook het verval van het recht te sturen, zoals geoordeeld wettig en gepast is, met inbegrip van de herstelexamens; - een rijverbod de meest efficiënte en adequate bestraffing is om tegemoet te komen aan de individuele en algemene preventie; - dit ongetwijfeld professionele repercussies heeft, maar dat de eiser daar zelf voor gekozen heeft door het stuur te nemen terwijl hij had gedronken. Met deze redenen beantwoordt het bestreden vonnis eisers verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8, § 1, Probatiewet en de arti-kelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis motiveert niet waarom het uitstel of probatie-uitstel weigert, ondanks de bijzondere motive-ringsplicht die volgt uit voormelde artikelen; de eiser heeft in het grievenschrift overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering om uitstel of probatie-uitstel verzocht.
  7. Uit artikel 149 Grondwet volgt dat in de mate dat een appellant in een grie-venformulier niet alleen zijn grieven aanduidt, maar ook een duidelijke eis, excep-tie of verweer formuleert, de appelrechter daarop moet antwoorden.
  8. Artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet bepaalt: "De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering." Overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering moet het vonnis nauw-keurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen opgeven van de be-slissing.
  9. Door het uitspreken van een overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wet-boek van Strafvordering gemotiveerde effectieve straf sluit het vonnis het toeken-nen van uitstel of probatie-uitstel uit.
  10. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen geeft het bestreden vonnis nauwkeurig maar beknopt de redenen op voor de beslissing om een effectieve straf op te leggen en bijgevolg het gevraagde uitstel of probatie-uitstel te weigeren. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 14 november 2017 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen I. Couwenberg A. Lievens P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240619.2F.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.30 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200122.2F.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200909.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.