← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Voor het bepalen van de vereiste van de nauwkeurigheid van een grief is het gegeven dat de aangevoerde reden voor het hoger beroep vatbaar is voor meerdere uitleggingen en niet duidelijk is in welke zin de appellant een hervorming van de bestreden beslissing beoogt niet relevant. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Verzoekschrift of grievenformulier - Verplichting tot nauwkeurige opgave van grieven tegen de bestreden beschikking - Grief - Bepaling van de nauwkeurigheid - Criterium Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De rechter moet de weigering in te gaan op het verzoek tot uitstel van tenuitvoerlegging van de veroordeling op nauwkeurige maar beknopte wijze motiveren. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Vrije woorden: Verzoek tot uitstel - Weigering - Redengeving Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot veroordeling met uitstel - Weigering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiche 5 Meer nog dan de aard van de overtreding is de aantasting van de goede plaatselijke ordening bepalend voor de keuze van de herstelmaatregel, zowel in het door artikel 6.1.41, § 1, 1°, als in het door artikel 6.1.41, § 1, 2°, VCRO bedoelde geval; het bevelen van een herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ruimtelijke ordening door het misdrijf is geschaad en de maatregel ertoe strekt de plaatselijke ordening te herstellen

(1).
(1)Zie: Cass. 6 november 2012, AR P.11.1993.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121106.4, AC 2012, nr. 594; Cass. 17 mei 2011, AR P.11.0068.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110517.6, AC 2011, nr. 322. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Keuze - Criterium - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.41, § 1, 1° en 2° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 6 - 8 De rechter beslist onaantastbaar inzake stedenbouw over de termijn voor het vrijwillig herstel in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, zonder evenwel een zodanig korte termijn te mogen bepalen waarbinnen het redelijkerwijze onmogelijk is tot vrijwillig herstel over te gaan of een zodanig lange termijn toe te kennen die de herstelmaatregel elke zin ontneemt, zodat hij een verzoek tot het verkrijgen van een lange termijn voor vrijwillig herstel kan afwijzen met het motief dat een dergelijke termijn zou neerkomen op een gedogen van de wederrechtelijke toestand. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelmaatregel - Uitvoering - Termijn - Grens Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.41, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Uitvoering - Termijn Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.41, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Uitvoering - Verzoek tot het verkrijgen van een lange termijn - Afwijzing Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.41, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. P.17.0437.N FERYN INTERNATIONAL nv, met zetel te 2830 Willebroek, Emiel Vander-veldenstraat 136, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Peter Van Rompaey, advocaat bij de balie te Turnhout, met kantoor te 2400 Mol, Rode Kruislaan 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. Y V P, burgerlijke partij, 2. COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GE-MEENTE WILLEBROEK, met kantoor te 2830 Willebroek, Pastorij-straat 1, burgerlijke partij en eiser tot herstel, met als raadsman mr. Philippe Declercq, advocaat bij de balie te Leuven, met kantoor te 3320 Hoegaarden, Gemeenteplein 25, waar de verweerder woon-plaats kiest, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 22 maart 2017. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, negen middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest verklaart de vordering van de verweerder 2 als burgerlijke partij ongegrond. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door het openbaar ministerie aange-voerde grief nauwkeurig is; het laat bijgevolg na het openbaar ministerie van zijn hoger beroep vervallen te verklaren; een grief bestaande in een niet-passende be-teugeling is niet nauwkeurig omdat die het appelgerecht in het ongewisse laat of een strengere dan wel een lichtere bestraffing wordt beoogd; een grief kan maar nauwkeurig zijn indien hij toelaat te bepalen welk doel de appellant nastreeft. 3. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de speci-fieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beschikking van het be-roepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. 4. Een grief is te onderscheiden van de reden op grond waarvan de appellant de hervorming van de beschikking beoogt. 5. Voor het bepalen van de vereiste van de nauwkeurigheid van een grief is het gegeven dat de aangevoerde reden voor het hoger beroep vatbaar is voor meerdere uitleggingen en niet duidelijk is in welke zin de appellant een hervorming van de bestreden beslissing beoogt dan ook niet relevant. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. Het openbaar ministerie heeft op het grievenformulier de rubriek "2. Straf-maat" aangeduid, met de vermelding "niet passende beteugeling" voor wat be-treft de eiseres. Die vermeldingen laten het appelgerecht toe te bepalen welke be-schikkingen van het beroepen vonnis de appellant hervormd wil zien. Het arrest dat oordeelt dat dit een nauwkeurig bepaalde grief is, is dan ook naar recht ver-antwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvorde-ring en artikel 8 Probatiewet: het arrest dat niettegenstaande het met concrete ele-menten gemotiveerde verzoek van de eiseres om het verleende uitstel te behouden, een effectieve en dus zwaardere geldboete oplegt, bevat daartoe geen geïndi-vidualiseerde motieven en miskent zo de specifieke door deze bepalingen voorge-schreven motiveringsplicht. 8. Artikel 8, vierde lid, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij het uitstel wordt geweigerd met redenen moet omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in de gevallen dat de wet aan de rechter de vrije beoordeling overlaat, de rechter nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen moet vermelden waarom hij de straf of maatregel en de maat ervan uitspreekt. 9. Uit die bepalingen volgt enkel dat de rechter de weigering in te gaan op het verzoek tot uitstel op nauwkeurige maar beknopte wijze moet motiveren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest oordeelt dat het bij de straftoemeting rekening houdt met de rechtspersoonlijkheid van de eiseres, haar blanco strafregister, de omstandigheden en ernst van de feiten, die getuigen van weinig respect voor de regels van de ruim-telijke ordening, alsook de omvang van de opgerichte illegale constructie die een grote weerslag heeft op de ruimtelijke ordening. Het oordeelt verder dat gelet op de aard en de bijzondere ernst van de feiten geen uitstel van tenuitvoerlegging voor de opgelegde geldboete wordt verleend daar dit niet van aard zou zijn de ei-seres te wijzen op het zwaarwichtig karakter van de feiten en het maatschappelijk belang ervan. Aldus vermeldt het arrest op een nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de re-denen waarom geen uitstel van tenuitvoerlegging kan worden verleend voor de opgelegde geldboete. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest laat na de vier door de eiseres aangevoerde concrete motieven die een straf met uitstel verantwoorden, te beantwoorden, namelijk "het ontstaan" van de telastlegging B ingevolge het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna RUP) en de mogelijkheden die de overgangsmaatregelen van dit RUP bieden, de materiële vergissing bij de eiseres waardoor die dacht dat er geen bouwvergunning nodig was, het jarenlange gedoogbeleid door de verweerder 2 dat een zeker vertrouwen had gewekt en het blanco strafregister van de eiseres. 12. Uit artikel 149 Grondwet volgt niet dat de rechter elk argument dat een be-klaagde aanvoert om uitstel van tenuitvoerlegging te genieten, moet beantwoor-den. Indien de rechter overeenkomstig artikel 8, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering nauwkeurig de redenen opgeeft waarom hij uitstel van tenuitvoerlegging weigert, geeft hij te kennen dat hij de door de be-klaagde aangevoerde argumenten verwerpt en beantwoordt hij dit verweer. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest nauwkeurig de redenen vermeldt waarom aan de eiseres geen uitstel van tenuitvoerlegging kan worden toegestaan. Aldus geeft het arrest te kennen de door de eiseres aange-voerde argumenten te verwerpen en beantwoordt het dit verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel 14. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1.7 en 6.1.41, § 1, 1° en 2°, en § 6, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt ten onrechte dat het advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid regelmatig is en de herstelvordering gegrond; aangezien er geen misdrijf is bestaande in het verrichten van handelingen in strijd met het stakingsbevel of strijdig met stedenbouwkundige voorschriften betreffende de voor het gebied toegelaten bestemming kon de herstelvorderende overheid geen advies aan deze Hoge Raad vragen met ver-wijzing naar artikel 6.1.41, § 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. 15. Artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat de herstel-vorderende overheden slechts kunnen overgaan tot het inleiden van een herstel-vordering voor de rechter wanneer de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend. Artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt de herstelmaat-regelen die de herstelvorderende overheden, onverminderd artikel 6.1.7, kunnen vorderen en welke regelen daarbij moeten worden in acht genomen. Artikel 6.1.41, § 6, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat de herstel-vorderende overheid op straffe van onontvankelijkheid het door artikel 6.1.7 be-doelde advies aan de herstelvordering toevoegt. 16. Uit de samenlezing van deze artikelen volgt dat de herstelvorderende over-heid slechts op ontvankelijke wijze een herstelvordering kan inleiden indien het positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid bij de vordering is gevoegd. 17. De omstandigheid dat de herstelvorderende overheid bij de adviesaanvraag heeft aangegeven dat er een inbreuk zou zijn gepleegd op artikel 6.1.41, § 1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, terwijl het een inbreuk op artikel 6.1.41, § 1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zou betreffen, heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de herstelvordering. Het staat immers aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid om bij zijn adviseringsopdracht te onderzoeken en uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of de herstelvordering werd ingesteld met inachtneming van de in artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning bepaalde regelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 18. Met de redenen die het arrest bevat, oordeelt het dat de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid het verplichte positief advies heeft verleend en dat de herstel-vordering ontvankelijk is. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet en artikel 6.1.41, § 1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt ten on-rechte dat een meerwaarde als herstelmaatregel niet aan de orde is; de vermelde bepaling van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening laat onder punt
  1. c)wel de-gelijk een meerwaarde toe als de gevolgen van het misdrijf kennelijk verenigbaar zijn met een goede ruimtelijke ordening. 20. Artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: "Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt, onverminderd artikel 6.1.7 en 6.1.18, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wij-zigingen, vermeld in artikel 6.1.1, werden uitgevoerd. De herstelvordering wordt ingesteld met inachtneming van volgende regelen: 1° voor de misdrijven die bestaan, of ondermeer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken, wordt gevorderd:
  2. a)hetzij de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toe-stand of de staking van het strijdige gebruik,
  3. b)hetzij, zo dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
  4. c)hetzij, indien het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een geldsom gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen; 2° voor andere misdrijven dan deze, vermeld in 1°, wordt de betaling van de meerwaarde gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt, aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval één van de maatregelen, vermeld in 1°, wordt gevorderd." 21. Uit de met die bepaling vastgelegde prioriteitenorde en de daarbij gehan-teerde uitzonderingen volgt dat nog meer dan de aard van de overtreding, de aan-tasting van de goede plaatselijke ordening bepalend is voor de keuze van de her-stelmaatregel, zowel in het door artikel 6.1.41, § 1, 1°, als in het door artikel 6.1.41, § 1, 2°, bedoelde geval. Het bevelen van een herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ruimtelijke ordening door het misdrijf is geschaad en de maatregel ertoe strekt de plaatselijke ordening te herstellen. 22. Het arrest oordeelt dat: - ingevolge artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een priori-teitenorde de aard van de herstelmaatregel bepaalt; - bepalend voor de prioriteitenorde en dus de keuze van de herstelmaatregel de categorie is waartoe het stedenbouwmisdrijf behoort; - de rechter toezicht houdt op de correcte toepassing door de herstelvorderende overheid van de decretale prioriteitenorde; - het door de eiseres begane misdrijf een ernstig misdrijf is in de zin van artikel 6.1.41, § 1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met name het verrichten van handelingen in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen voor zover daarvan niet is afge-weken; - de verweerder 2 in zijn herstelvordering motiveert dat de wederrechtelijke op-gerichte constructie niet kan worden aanvaard noch vergund omdat ze niet vol-deed aan de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg (hierna BPA) zoals van toepassing op het ogenblik van de oprichting, met name een afstand van de perceelgrens van slechts 1,73 meter in plaats van 6 meter, zoals voorgeschreven door artikel 6.3°, b), BPA; - ook al lag op het ogenblik van de werkzaamheden de loods in een industriezo-ne dan nog dienden de stedenbouwkundige voorschriften zoals bepaald in het BPA te worden nageleefd, wat de eiseres niet deed; - de wederrechtelijke constructie te dicht bij de perceelgrens werd gebouwd, hetgeen in strijd is met het voorschrift van het BPA Willebroek en dat dit als dusdanig reeds het gevolg heeft dat er een manifeste inbreuk is op de goede ruimtelijke ordening; - uit foto's bijgebracht door de verweerster 1 blijkt dat het oprichten van een dergelijke constructie van die afmetingen objectief een onaanvaardbare weer-slag heeft op het gebruiksgenot en de belevingswaarde van de aanpalende ei-gendom en dus van derden; - de illegale constructie een significante impact heeft op de ruimtelijke ordening; - de eiseres ten onrechte voorhoudt dat de gevolgen van deze wederrechtelijke constructie verwaarloosbaar zijn; - ingevolge het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna GRUP) Wille-broek Centrum bovendien de bestemming van het perceel werd gewijzigd van industriezone naar halfopen en open bebouwing, zodat het gebruik van deze loods als verfspuitkabine onverenigbaar is met de bestemming wonen overeen-komstig de voorschriften van het GRUP; - dit GRUP bovendien perceelafstanden vastlegt, namelijk drie meter terwijl de afstand tussen de loods en de perceelgrens slechts 1,73 meter bedraagt. 23. Daaruit blijkt dat de appelrechters niet alleen hebben onderzocht binnen welke categorie van de in artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning bedoelde gevallen het bewezen verklaarde stedenbouwmisdrijf valt, maar ook hebben nagegaan of de veroorzaakte aantasting van de plaatselijke ruimtelijke ordening slechts door de gekozen herstelmaatregel van het herstel in de oorspron-kelijke toestand kan worden gevrijwaard. Aldus hebben de appelrechters hun toet-singsplicht volledig uitgevoerd en is de beslissing over de keuze van de herstel-maatregel naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door a priori de mogelijkheid van een meerwaarde als herstelmaatregel uit te sluiten, antwoordt het arrest niet op het verweer van de eiseres betreffende de kennelijke verenig-baarheid van de bestaande toestand met een goede ruimtelijke ordening. 25. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel beant-woordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer dat een meerwaarde kan volstaan als herstelmaatregel, zonder dat het dient te antwoorden op argumenten die tot staving van dit verweer werden aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk middel vormden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel 26. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest ant-woordt niet op de aanvoering van de eiseres dat de huidige toestand, dit is met de bewezen verklaarde inbreuk, voor de naburen niet nadeliger is dan de voordien bestaande toestand. 27. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het vierde middel, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest kon het gemotiveerd verzoek van de eiseres om haar een uitvoeringstermijn van vijf jaar toe te staan niet afwijzen met als reden dat dit een gedogen zou inhouden van een wederrechtelijke toestand gedurende een dergelijk lange termijn; een dergelijk motief houdt geen antwoord in op het gemotiveerd verzoek van de eiseres. 29. Artikel 6.1.41, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schrijft voor dat de rechter een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bepaalt. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de rechter onaantastbaar be-slist over de termijn voor het vrijwillig herstel in het licht van de concrete om-standigheden van de zaak, zonder evenwel een zodanig korte termijn te mogen bepalen waarbinnen het redelijkerwijze onmogelijk is tot vrijwillig herstel over te gaan of een zodanig lange termijn toe te kennen die de herstelmaatregel elke zin ontneemt. 30. De rechter kan dan ook een verzoek tot het verkrijgen van een lange termijn voor vrijwillig herstel afwijzen met het motief dat een dergelijke termijn zou neerkomen op een gedogen van de wederrechtelijke toestand. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Zevende middel Eerste onderdeel 31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest kan de vordering tot herstel van de verweerster 1, die niet is gegrond of kan zijn gegrond op de vermelde bepaling van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, niet inwilligen met een verwijzing naar de redenen om de herstelvordering van de verweerder 2 in te willigen. 32. De rechter kan een vordering van een burgerlijke partij tot herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand gegrond op een bewezen verklaard steden-bouwmisdrijf wel degelijk inwilligen door verwijzing naar de redenen die aan de inwilliging van de herstelvordering van de herstelvorderende overheid ten grond-slag liggen, ook al is de rechtsgrond voor beide vorderingen verschillend. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 33. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382, 1383 en 1384 Burgerlijk Wetboek: het arrest willigt de vordering tot herstel van de verweerster 1 in zonder concreet de fout, de schade andere dan die waarvoor een geldelijke vergoeding wordt toegekend, alsook het causaal verband tussen fout en schade vast te stellen. 34. Artikel 1384 Burgerlijk Wetboek is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 35. Met het oordeel dat de herstelvordering van de verweerster 1 met verwijzing naar en overname van de redenen van de beslissing over de herstelvordering van de verweerder 2 moet worden ingewilligd, geeft het arrest te kennen dat het bewezen verklaard stedenbouwmisdrijf de fout uitmaakt waarop die vordering is gegrond en dat voor het doen verdwijnen van de door die fout veroorzaakte schade een herstel in natura bestaande in het herstel in de oorspronkelijke toestand noodzakelijk is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel 36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door louter te verwijzen, zonder verdere toevoeging, naar de motivering betreffende een rechts-vordering van de verweerder 2, motiveert het arrest niet de van een andere partij, namelijk de verweerster 1, uitgaande en op een andere rechtsgrond gesteunde rechtsvordering. 37. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste en het tweede on-derdeel aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Achtste middel Eerste onderdeel 38. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel hou-dende eerbiediging van het recht van verdediging: uit het oordeel dat het slechts een loutere en door geen enkel gegeven ondersteunde bewering is dat de hinder-lijke schaduwvorming zich enkel manifesteert in de winter en te wijten zou zijn aan hoge bomen aan de andere perceelgrens, volgt dat de appelrechters geen ken-nis hebben genomen van de door de eiseres voor haar verdediging neergelegde re-levante stukken en bijgevolg het recht van verdediging van de eiseres hebben miskend; uit de door de eiseres neergelegde foto's blijkt dat de nieuwe loods geen schaduw veroorzaakt op het perceel van de verweerster 1. 39. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter voor een bepaald oordeel niet verwijst naar door een partij overgelegde stukken, volgt niet dat hij van die stuk-ken geen kennis heeft genomen en dat hij ze bij zijn beoordeling niet heeft be-trokken. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 40. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest miskent de motiveringsplicht door niet te motiveren waarom uit de door de eiseres neergelegde foto's van de plaatselijke toestand niet blijkt dat de verweerster 1 geen hinder ondervindt van de aanwezige constructie, zoals aangevoerd in de ap-pelconclusie. 41. Het arrest oordeelt dat: - de eiseres ten onrechte voorhoudt dat er geen sprake is van enige hinder; - de door de verweerster 1 overgelegde foto's aantonen dat het perceel ingevolge de illegale constructie het grootste gedeelte van de dag in de schaduw ligt; - de stelling dat de hinderlijke schaduwvorming zich enkel manifesteert in de winter en te wijten zou zijn aan hoge bomen aan de andere perceelgrens, een loutere bewering is die door geen enkel gegeven wordt gestaafd; - de foto's van de verweerster 1 duidelijk zijn en de schaduwvorming ter hoogte van de loods op het perceel van de verweerster 1 niet voor enige interpretatie vatbaar is. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het verweer van de eiseres dat het bewezen verklaarde stedenbouwmisdrijf voor de verweerster niet hinderlijk is, zonder dat het dient aan te geven waarom uit de door de eiseres overgelegde foto's niet blijkt dat er geen hinder is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Negende middel 42. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is on-duidelijk wat betreft de uitvoering van de herstelmaatregel en de verbeurte van een dwangsom; die beslissingen zijn tegenstrijdig en dubbelzinnig; zij zijn niet vatbaar voor uitlegging aangezien bij de verschillende mogelijke uitleggingen de rechten van de verschillende betrokkenen wijzigen. 43. Het middel verduidelijkt niet op welke wijze de beslissingen betreffende de uitvoering van de herstelmaatregel tegenstrijdig zijn. In zoverre het middel tegenstrijdigheid aanvoert, is het bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. 44. Het middel geeft niet aan in welke lezing het arrest wettig is en in welke le-zing onwettig. In zoverre het middel dubbelzinnigheid aanvoert, is het evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 45. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 16 januari 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.4 Gerelateerde publicatie(
  5. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200603.2F.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240619.2F.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250604.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110517.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121106.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170926.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.