, 775,
eerste lid, 870 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - Artikelen 1315, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - Algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en - Algemeen rechtsbeginsel houdende de wapengelijkheid. Aangevochten beslissing en motieven: Na te hebben vastgesteld dat het arbeidshof in het tussenarrest d.d. 10 de-cember 2013, alvorens verder ten gronde te oordelen over de terugvordering van eiseres, ambtshalve de debatten heropende en bevel gaf aan eerste verweerster "om uiterlijk op 31 maart 2014 een volledige staat van de door (eiseres) gedane betalingen op de griffie neer te leggen met verduidelijking hoe deze bedragen werden toegerekend, alsmede rekeninguittreksels, aanmaningen, briefwisseling" en "het arbeidshof (eerste verweerster) tevens uitnodigde om te antwoorden op de volgende vragen: - welk pre-cies bedrag was (eiseres) uit hoofde van de bijdragen voor het jaar 1991 verschuldigd, inclusief gerechtskosten en gerechtelijke intresten; m.a.w. wat was het precieze bedrag dat zij verschuldigd was uit hoofde van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk d.d. 7 april 1995? ; - hoe kon dit bedrag worden gerecupereerd?; - hoe werd het bedrag van 4.363,- BEF dat (eiseres) op 30 september 1992 betaalde en waarvan (eerste verweerster) stelt dat zij dit bedrag aanrekende op gerechtskosten, verrekend op de uiteindelijk op basis van het vonnis van 7 april 1995 verschuldigde bedragen?; - hoe heeft (eerste verweerster) het bedrag van (75.216,- BEF - 66.747,- BEF =) 8.469,- BEF dat (eiseres) anno 1994 betaalde, aangewend of ver-rekend? (en) - waarom diende anno 1998 een bedrag van 28.297,- BEF terugbetaald te worden aan (eiseres)? Werd dit bedrag effectief terugbetaald? Zo neen, werd het verrekend op nog verschuldigde bijdragen" (arrest, p. 4-5), en dat na dat tussenarrest, eerste verweerster op 21 augustus 2014 een aanvullende conclusie en tweede verweerder op 10 september 2014 een conclusie neerlegden ter griffie, veroordeelt het bestreden arrest eerste verweerster tot terugbetaling aan eiseres van 209,94 euro in hoofdsom. Het steunt die beslissing op volgende motieven: "WAT DE BIJDRAGEN VOOR HET JAAR 1991 BETREFT. In het jaar 1991 betaalde (eiseres) geen bijdragen, maar op basis van de uiteindelijk fiscaal weerhouden nettobedrijfsinkomsten van het jaar 1988 was (eiseres) voor het jaar 1991 11.512,- BEF sociale bijdragen verschuldigd (...). De bijdragen voor het jaar 1991 (...) werden door (eiseres) pas betaald nadat zij door de arbeidsrechtbank Kortrijk daartoe bij vonnis van 7 april 1995 was veroordeeld. (...) (Eiseres) betaalde in uitvoering van dit vonnis op 27 juli 1995 een bedrag van 21.383,- BEF aan de gerechtsdeurwaarder. De uiteindelijke afrekening van het vonnis is (...) 22.446,- BEF. Op dit bedrag rekende (eerste verweerster) vooreerst een bedrag van 4.363,- BEF aan. Deze 4.363,- BEF betrof het bedrag dat (eiseres) in de loop van het jaar 1992 teveel betaalde aan sociale zekerheidsbijdragen. (...) (Eiseres) bleef dus nog 22.446,- BEF - 4.363,- BEF = 18.083,- BEF verschuldigd (...). (Eiseres) betaalde in uitvoering van dit vonnis op 27 juli 1995 een bedrag van 21.383,- BEF aan de gerechtsdeurwaarder die op zijn beurt 18.083,- BEF doorstortte aan (eerste verweerster). Het verschil tussen de betaalde 21.383,- BEF en het door de gerechtsdeurwaarder doorgestorte 18.083,- BEF is te verklaren door de uitvoeringskosten (...). Over de voor het jaar 1991 verschuldigde en betaalde bijdragen bestaat thans dus voldoende duidelijkheid: voor het jaar 1991 betaalde (eiseres) niets teveel. (...) WAT DE BIJDRAGEN VOOR HET JAAR 1992 BETREFT. (...) In de loop van het jaar 1994 betaalde (eiseres) een bedrag van 75.216,- BEF aan (eerste verweerster) (...). Deze bedragen betroffen de minimumbijdragen in hoofdberoep verhoogd met de bijdrageopslagen wegens laattijdige betaling en werden berekend op basis van nettoberoepsinkomsten van (eiseres) in het jaar 1991, nl 313.500,- BEF. Op 20 juli 1999 verstuurde (eerste verweerster) een nieuwe afrekening aan (eiseres) m.b.t. de voor het jaar 1994 verschuldigde bijdragen. In deze nieuwe afrekening vertrok (eerste verweerster) van een bedrag van 49.202,- BEF aan nettobedrijfsinkomsten in het jaar 1991. (Eiseres) (...) was (...) voor het jaar 1994 geen sociale bijdragen verschuldigd (...). Het in de loop van het jaar 1994 betaalde bedrag van 75.216,- BEF diende dus verrekend en/of terugbetaald te worden. In de afrekening van 20 juli 1999 wordt evenwel slechts melding gemaakt van een bedrag van 66.747,- BEF aan betaalde kwartaalbijdragen voor het jaar 1994. (Eiseres) betaalde evenwel 75.216,- BEF in de loop van het jaar 1994 zodat de vraag rees hoe (eerste verweerster) het bedrag van (...) 8.469,- BEF aanwendde of verrekende. (...) (Eerste verweerster) kan dus geen enkele plausibele uitleg verschaffen omtrent dit bedrag van 8.469,- BEF (209,94 euro) zodat het terugbetaald dient te worden. (...) In de loop van het jaar 2000 stelde (eerste verweerster) vast dat zij zich bij de afrekening van 20 juli 1999 had vergist: de nettobedrijfsinkomsten van (eiseres) in het jaar 1991 (...) bleken dan toch niet 49.020,- BEF te bedragen, maar wel degelijk - zoals oorspronkelijk weerhouden - 313.500,- BEF. (...) In principe had (eiseres) voor het jaar 1994 65.171,- BEF sociale bijdragen moeten betalen. Omdat deze bijdragen evenwel reeds verjaard waren, vorderde (eerste verweerster) deze bijdragen niet meer in. (...) Op 11 december 2009 stuurde Johan Van der Borght (...) een e-mail aan (eerste ver-weerster) waarin hij (eerste verweerster) de toestemming gaf om voorals-nog de betaling door (eiseres) van de sociale zekerheidsbijdragen voor het jaar 1994 te aanvaarden. (...) Op 3 maart 2010 betaalde (eiseres) een bedrag van 3.523,47 euro voor het jaar 1994. Door deze betaling werden de bijdragen voor 1994 vereffend en werd het jaar 1994 opgenomen in de pensioenloopbaan van (eiseres). In tegenstelling tot wat (eiseres) beweert vormt deze 3.523,47 euro dus geen dubbele betaling voor het bijdragejaar 1994. De aanvankelijk voor het jaar 1994 betaalde bijdragen waren im-mers reeds - met uitzondering van het bedrag van 8.469,- BEF - correct verrekend. (...) WAT HET BEDRAG VAN 28.297,- BEF BETREFT. Anno 1998 diende (eer-ste verweerster) een bedrag van 28.297,- BEF terug te betalen aan (eise-res). Dit betrof het bedrag dat (eiseres) teveel aan sociale zekerheidsbij-dragen betaalde voor het jaar 1997. (Eerste verweerster) stortte dit bedrag terug maar op een verkeerde bankrekening. Dit bedrag werd vervolgens door de bankinstelling op 15 oktober 1999 terug aan (eerste verweerster) overgemaakt waarna (eerste verweerster) dit bedrag toerekende op de sociale zekerheidsbijdragen die (eiseres) voor het vierde kwartaal van 1999 verschuldigd was. (Eiseres) brengt geen elementen aan die aan deze uitleg van (eerste verweerster) zou kunnen doen twijfelen" (arrest, p. 8-11). Grieven: Eerste onderdeel De algemene motiveringsverplichting volgt uit artikel 149 van de Grond-wet. Uit artikel 767,
, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bij toepassing van artikel 1042 van datzelfde wetboek tevens van toepassing is in graad van beroep, volgt in het bijzonder dat de rechter ook verplicht is te antwoorden op de conclusie van een partij, genomen in antwoord op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie. In haar op 15 oktober 2014 ter griffie neergelegde synthesebesluiten liet eiseres gelden dat zij vaststelde dat eerste verweerster "geen gevolg gaf aan het (...) gegeven bevel om uiterlijk op 31 maart 2014 een volledige staat van de door (eiseres) gedane betalingen op de griffie neer te leggen met verduidelijking hoe deze bedragen werden toegerekend, alsmede rekeninguittreksels, aanmaningen en briefwisseling. Evenmin legde eerste (verweerster) tegen uiterlijk 30 mei 2014 conclusies neer, zoals de procedurekalender vastgesteld door het Hof had bepaald. (...) Ook na het arrest d.d. 12 februari 2013 van het arbeidshof lieten de beide (verwerende) partijen na in te gaan op de ‘uitnodiging' van het Arbeidshof om de gevraagde stukken en conclusies neer te leggen. In het arrest van 10 december 2013 moest het Hof wel vaststellen dat (eerste verweerster) niet de minste medewerking verleende aan het gerecht teneinde tot een op stukken gefundeerde uitspraak van het geschil te kunnen komen. (In) dat arrest, is het volgende te lezen: ‘Samen met het openbaar ministerie dient het arbeidshof vast te stellen dat (eerste verweerster) niet antwoordt op de concrete vragen die het arbeidshof in het arrest van 12 februari 2013 stelde. Het antwoord van (eerste verweerster) beperkt er zich eigenlijk toe te herhalen wat zij reeds vóór het tussenarrest van 12 februari 2013 in conclusies verwoordde.' (Eiseres) betreurt ten zeerste dat (eerste verweerster) deze houding van totaal gebrek aan medewerking van het gerecht zelfs nog volhoudt, nadat het arbeidshof (...) zijn toevlucht heeft moeten nemen tot een formeel bevel om de noodzakelijke stukken ter griffie neer te leggen, teneinde tot een op stukken gefundeerde oplossing van het pensioengeschil te kunnen komen" (blz. 4-5). Zij besloot daaruit "uitdrukkelijk (te vragen) dat het Hof de besluiten van (eerste verweerster) d.d. 20 augustus 2014 uit de debatten zou verwijderen. Deze houding is niet alleen in strijd met de vereiste me-dewerking met het gerecht. De volgehouden weigering van (eerste ver-weerster) is ook in strijd met het grondwettelijk recht op openbaarheid van bestuur, zoals geregeld door de wet van 11 april 1994 in de welke dit grondrecht nader is uitgewerkt. Bovendien schendt (eerste verweerster) zodoende ook de wet van 8 december 1992 op de bescherming van de per-soonlijke levenssfeer. In die wet wordt uitdrukkelijk vermeld dat elke in-stantie die persoonsgegevens verwerkt, dus ook een sociaal verzekerings-fonds, deze gegevens steeds moet kunnen meedelen aan de betrokken per-soon die erom verzoekt. (Eiseres) had dus ook op die gronden het recht om te vernemen welke aanwendingen (eerste verweerster) had verricht met de door haar gedane betalingen in het kader van haar sociaal statuut" (synthesebesluiten, p. 5). In haar op 6 februari 2015 neergelegde "opmerkingen op het advies van de heer Advocaat-generaal" argumenteerde eiseres dat zij niet kon instemmen met het oordeel van de advocaat-generaal dat de conclusie van eerste verweerster d.d. 21 augustus 2014 niet buiten het beraad diende te worden gehouden en dit op grond van volgende argumenten: "Immers, de procedurekalender die in het arrest van 10 december 2013 was vastgesteld om te antwoorden op de vragen die het hof had geformuleerd, voorzag dat (eerste verweerster) reeds op 30 mei 2014 conclusies had moeten neerleggen met een antwoord op de gestelde vragen. Op die datum heeft (eerste verweerster) verzuimd om conclusies neer te leggen en te antwoorden op de gestelde vragen aan de hand van stukken die het ook op bevel van het Hof had moeten neerleggen. (Eiseres) mocht op basis van die procedurekalender verwachten dat (eerste verweerster) alsdan ook gevolg zou hebben gegeven aan het bevel van het Hof om: ‘een volledige staat van de door (eiseres) gedane betalingen neer te leggen met verduidelijking hoe deze bedragen werden toegerekend, alsmede rekeninguittreksels, aanmaningen, briefwisseling'. Door deze datum van 30 mei 2014 van de opgelegde procedurekalender voor conclusies en bevolen neerleggen van de terzake dienende stukken niet te eerbiedigen heeft (eerste verweerster) het recht van (eiseres) om deze stukken tijdig in te kijken en er in conclusies uiterlijk op 15 juli 2014 op te antwoorden, flagrant miskend. Door de opgelegde procedurekalender niet te eerbiedigen heeft (eerste verweerster) andermaal het recht op een eerlijk proces (gelijkheid van wapenen) gekrenkt. Om die redenen kan (eiseres) niet instemmen met het advies van de heer Advocaat-generaal, waar hij stelt dat (eerste verweerster's) besluiten van 21 augustus 2014 niet buiten het beraad moeten gehouden worden. Deze besluiten hadden al op 30 mei 2014 neergelegd moeten worden, op straffe van verwijdering uit de debatten, aldus het arrest van 10 december 2013. De door (eiseres) voor-gehouden stelling is des te ernstiger omdat de laattijdigheid van neerleg-ging van die besluiten van 21 augustus 2014 en de bevolen rechtvaardi-gingsstukken voor gevolg hebben gehad dat het recht van (eiseres) op een tijdige studie en repliek op die besluiten is miskend en onmogelijk gemaakt" (opmerkingen, p. 3-4). Het bestreden arrest, dat noch met de hiervoor weergegeven motieven, noch met enig ander motief voormeld verweer van eiseres beantwoordt, is niet regelmatig gemotiveerd en schendt de artikelen 149 van de Grondwet, 767,
Tweede onderdeel De algemene motiveringsverplichting volgt uit artikel 149 van de Grond-wet. Uit artikel 767,
, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bij toepassing van artikel 1042 van datzelfde wetboek tevens van toepassing is in graad van beroep, volgt in het bijzonder dat de rechter ook verplicht is te antwoorden op de conclusie van een partij, genomen in antwoord op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie. In haar op 6 februari 2015 neergelegde "opmerkingen op het advies van de heer Advocaat-generaal" liet eiseres gelden dat eerste verweerster geen bewijs bijbracht van haar beweringen en dit als volgt "aangaande de inhoud van (
Derde onderdeel Artikel 775,
eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat, bij toepassing van artikel 1042 van datzelfde wetboek van toepassing is in graad van beroep, bepaalt dat de rechter die de heropening der debatten beveelt, de termijnen bepaalt waarbinnen partijen op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten hun schriftelijke opmerkingen over het voorwerp van de heropening der debatten dienen uit te wisselen en aan de rechter te overhandigen. Wanneer een partij verzuimt die opmerkingen binnen de eerste toegekende termijnen uit te wisselen en te overhandigen, dan verliest zij misschien niet automatisch het recht om nog gebruik te maken van de laatste haar toegekende termijn, doch zal dat recht wel teloor gaan wanneer door die handelwijze het recht van verdediging van de tegenpartij wordt miskend. Inzake is vaststaand en niet betwist, zoals blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest (p. 3), de syntheseconclusie (p. 4-5) en opmerkingen van eiseres (p. 3-4) en het op 5 januari 2015 ter griffie neergelegde advies van het Openbaar Ministerie (p. 2), dat eerste verweerster slechts één "aanvullende" conclusie heeft neergelegd op 21 augustus 2014 en zij daarin alleen antwoord heeft gegeven op de in het tussenarrest d.d. 10 december 2013 gestelde vragen. Daar waar eiseres in haar "opmerkingen op het advies van de heer Advo-caat-generaal" (p. 4) liet gelden dat voormelde handelwijze van eerste verweerster haar rechten van verdediging miskende, kon het arbeidshof in het bestreden arrest niet zonder meer rekening houden met de antwoorden van eerste verweerster, gegeven in die op 21 augustus 2014 neergelegde conclusie. Door dat wel te doen, zonder vast te stellen dat de rechten van verdediging van eiseres niet waren miskend en op grond van die antwoorden de terugvordering van eiseres slechts gedeeltelijk, met name ten belope van 209,94 euro in hoofdsom, gegrond te verklaren, schendt het bestreden arrest de artikelen 775,
eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van de rechten van verdediging. Vierde onderdeel Bij toepassing van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek, moet een partij die beweert bevrijd te zijn van een verbintenis daarvan het bewijs leveren. Eigen beweringen van een partij of eenzijdig door haar opgestelde geschriften zijn geen bewijs. Zij kunnen evenmin een feitelijk vermoeden opleveren in de zin van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Conform artikel 6.1 E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel houdende de wapengelijkheid, moet iedere partij de redelijke mogelijkheid hebben om haar zaak voor te brengen in omstandigheden die haar niet in een duidelijk onvoordelige positie plaatsen ten opzichte van de tegenpartij. Een partij wordt in dergelijke positie geplaatst wanneer de tegenpartij stukken onder zich houdt en zij deze, niettegenstaande bevel daartoe van de rechter, wei-gert te overleggen. Het bestreden arrest dat om de terugvordering van eiseres slechts gegrond te verklaren ten belope van 209,94 euro in hoofdsom de louter eigen verklaringen van eerste verweerster aanvaardt ten titel van bewijs en tevens stelt dat eiseres geen elementen aanbrengt die aan de uitleg van eerste verweerster zouden kunnen doen twijfelen, schendt de wettelijke begrippen bewijs (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek) en feitelijk vermoeden (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek), alsmede het recht op een eerlijk proces, vervat in artikel 6.1 E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel houdende de wapengelijkheid. OPMERKINGEN
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.