id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juli 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180711.4 Rolnummer: P.18.0735.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2018-07-26 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-18 04:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsberovende straf opgelegd met uitstel door een eerder vonnis, plaatsvindt krachtens een later vonnis dat het uitstel herroept, neemt niet weg dat het eerste vonnis geldt als het veroordelend vonnis in de zin van artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging van een vrijheidsberovende straf - Veroordelend vonnis - Begrip - Straf opgelegd met uitstel - Herroeping van het uitstel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing P.18.0735.N A. Z. S. persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 28 juni 2018 De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht drie middelen aan. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 Wet Europees Aanhoudings-bevel.
- Artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat een Europees aan-houdingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lid-Staat worden gestraft met een vrijheidsbenemende straf of vei-ligheidsmaatregel met een maximale duur van ten minste twaalf maanden of, wanneer de veroordeling tot een straf reeds heeft plaatsgevonden of een veilig-heidsmaatregel is genomen, voor zover zij ten minste vier maanden bedragen.
- De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsberovende straf opgelegd met uitstel door een eerder vonnis, plaatsvindt krachtens een later vonnis dat het uitstel herroept, neemt niet weg dat het eerste vonnis geldt als het veroor-delend vonnis in de zin van artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De appelrechters die vaststellen dat tegen de eiser een Europees aanhou-dingsbevel werd uitgevaardigd krachtens een vonnis gewezen op 18 juli 2008 door de districtsrechtbank te Zagan (Polen), de eiser in het vonnis van 18 juli 2008 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 1 maand en de ten-uitvoerlegging van dit vonnis werd bevolen door een vonnis van dezelfde recht-bank van 30 september 2011 en die oordelen dat gelet op deze vaststellingen aan de voorwaarden van artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel is voldaan, ver-antwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet.
- Gelet op het antwoord op het eerste middel verwerpen en beantwoorden de appelrechters het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 4, 5° Wet Europees Aanhou-dingsbevel en artikel 6 EVRM.
- Het onderdeel legt niet uit hoe en waardoor het arrest artikel 6 EVRM en ar-tikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel schendt. Het onderdeel is wegens gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel verwijt de appelrechters de bewijslast nopens de onmenselij-ke behandeling in Polen op de eiser te leggen.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, legt het arrest niet de bewijslast op de eiser, maar oordeelt het dat er onvoldoende elementen voorliggen die toela-ten te besluiten dat door de overlevering er afbreuk zou worden gedaan aan diens fundamentele rechten. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de feitelijke beoordeling van de appelrechters en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit eerste voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de sectievoorzitters Christian Storck en Eric Dirix, de raadsheren Geert Jocqué en Frédéric Lugentz, en op de openbare rechtszitting van 11 juli 2018 uitgesproken door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky F. Lugentz G. Jocqué E. Dirix Chr. Storck J. de Codt PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180711.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div