← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4 Rolnummer: P.17.0854.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-10-29 Raadplegingen: 723 - laatst gezien 2026-06-18 13:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een rechtsdwaling over de strafbaarheid van een handeling is slechts dan onoverwinnelijk indien uit de concrete elementen van de zaak kan worden afgeleid dat elk normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden ook zou hebben gedwaald

(1).
(1)Zie: Cass. 6 oktober 1952, AC 1953, 35. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Onoverwinnelijke rechtsdwaling - Voorwaarden Fiche 2 De rechter kan, bij de beoordeling of de houding van een overheid een beklaagde onoverwinnelijk heeft doen dwalen over de draagwijdte van een bestuurlijke beslissing, in aanmerking nemen dat die overheid niet de bevoegde instantie is op dat vlak. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Onoverwinnelijke rechtsdwaling ingevolge de houding van de overheid - Beoordeling door de rechter - Criterium Fiche 3 Bij de beoordeling of het advies of het stilzitten van een geschikt geacht persoon zoals een notaris een beklaagde onoverwinnelijk heeft doen dwalen, mag de rechter de geloofwaardigheid van de verklaringen welke die geschikte persoon daarover naderhand heeft afgelegd betrekken, evenals de omstandigheden die hebben geleid tot dit advies of dit stilzitten, aangezien zij een licht werpen op de waarde van dit advies of dit stilzitten
(1).
(1)Zie: Cass. 19 mei 1987, AR 964, AC 1986-1987, nr.
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Onoverwinnelijke rechtsdwaling ingevolge het advies of stilzitten van een geschikt geacht persoon - Beoordeling door de rechter - Criteria Fiche 4 De rechter moet in beginsel steeds het feitelijk herstel in een originele goede staat bevelen en andere herstelvormen kunnen slechts worden bevolen indien blijkt dat dit feitelijk herstel in een originele goede staat niet mogelijk is; die vaststelling moet slaan op alle goederen voorwerp van de herstelvordering. Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Vrije woorden: Onroerend erfgoed - Misdrijven - Rechterlijke herstelmaatregel - Doel - Grens Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Artt. 11.2.2, eerste lid, 3°, en 11.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Fiche 5 Uit de enkele omstandigheid dat beschermde goederen die onroerend zijn door bestemming, werden verkocht aan een derde te goeder trouw, volgt niet dat voor wat betreft die goederen het feitelijk herstel in een originele goede staat niet kan worden bevolen aangezien ook de derde te goeder trouw ertoe gehouden is het beschermingsbesluit en zijn gevolgen te respecteren. Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Vrije woorden: Onroerend erfgoed - Misdrijven - Verkoop beschermde goederen aan een derde te goeder trouw - Rechterlijke herstelmaatregel - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 11.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor notarissen [T.Not.] - BOES, Marc; Noot 'De gevolgen van de bescherming als monument voor de daarbij horende roerende goederen onroerend door bestemming' - 2019, nr. 10, p. 812-
  2. Tekst van de beslissing Nr. P.17.0854.N I
  3. C. S. G. M. J. D. R. D'A. O. D. M., beklaagde,
  4. J. P. G. R. M. E. G. D. R. D'A. O. D. M., beklaagde,
  5. T. A. F. A. R. M. G. D. R. D'A. O. D. M., beklaagde,
  6. M.-C. G. W. J. D. R. D'A. O. D. M., beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kie-zen, tegen
  7. INSPECTEUR ONROEREND ERFGOED, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19 bus 22, eiser tot herstel, met als raadsman mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128, waar de verweerder 1 woon-plaats kiest,
  8. GEMEENTE EDEGEM, vertegenwoordigd door haar college van burge-meester en schepenen, met kantoor te 2650 Edegem, Gemeenteplein 1, burgerlijke partij,
  9. KEMPENS LANDSCHAP vzw, met zetel te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, burgerlijke partij,
  10. ONDERSTEUNEND CENTRUM VAN HET AGENTSCHAP NATUUR EN BOS, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20 bus 22, burgerlijke partij,
  11. T. L., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Rudy Van Turnhout, advocaat bij de balie te Antwer-pen, verweerders. II INSPECTEUR ONROEREND ERFGOED, met kantoor te 1210 Brussel, Ko-ning Albert II-laan 19 bus 22, eiser tot herstel, eiser, met als raadsman mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  12. C. D. R. D'A. O. D. M. reeds vermeld, beklaagde,
  13. J. P. D. R. D'A. O. D. M., reeds vermeld, beklaagde,
  14. T. D. R. D'A. O. D. M., reeds vermeld, beklaagde,
  15. M.-C. D. R. D'A. O. D. M., reeds vermeld, beklaagde, de verweerders II.1 tot en met II.4 vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, ad-vocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders II.1-4 woonplaats kiezen,
  16. J. E. R. S. M. D. C., beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 28 juni
  17. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I
  18. Het arrest verklaart de eisers I niet schuldig aan de feiten A, B en C in zo-verre deze betrekking hebben op één vaas aan het einde van de toegangsdreef. Het oordeelt dat de appelrechters onbevoegd zijn om kennis te nemen van de bur-gerlijke rechtsvorderingen in zoverre op dit feit gesteund. Het arrest verklaart de herstelvordering in zoverre deze betrekking heeft op de elf beelden (sculpturen) en op de twee schilderijen uit de boogvormige nissen in de centrale hal kennelijk on-redelijk en wijst deze af. In zoverre ook gericht tegen deze beslissingen, zijn de cassatieberoepen van de ei-sers I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II en van het cassatieberoep II
  19. De verweerders II.1 tot en met II.4 voeren aan dat niet blijkt dat de raads-man van de eiser II, die namens hem het cassatieberoep heeft ingesteld en de me-morie heeft ingediend, houder is van het door artikel 425 Wetboek van Strafvor-dering bedoelde getuigschrift, zodat dit cassatieberoep en die memorie niet ont-vankelijk zijn.
  20. De raadsman van de eiser II doet blijken dat zij op de datum van het instel-len van het cassatieberoep en het indienen van de memorie houder was van het bedoelde getuigschrift. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.
  21. De verweerder I.5 voert aan dat het cassatieberoep van de eiser II hem niet werd betekend, zodat dit cassatieberoep niet ontvankelijk is. Hij voert eveneens aan dat de memorie hem niet werd ter kennis gebracht.
  22. De herstelvordering van de eiser II is niet gericht tegen de verweerder I.
  23. Het loutere gegeven dat de verweerder I.5 desgevallend de gevolgen van de be-slissing over die vordering ondergaat, maakt hem geen tegenpartij van de eiser II. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Middel van de eisers I
  24. Het middel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek en miskenning van het wettelijk begrip onoverwinnelijke dwaling: het arrest kon op grond van de vaststellingen die het bevat de aanvoering van de eisers dat zij onoverwinnelijk hebben gedwaald niet verwerpen; de eisers hebben gewezen op de inhoudelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van de compromis van 23 december 2011 en de notariële akte van 1 maart 2012 houdende verkoop, waarin werd bepaald dat in de verkoop geen roerende goederen waren begrepen en evenmin de beelden in het park en in de tuin, naar de onderhandelingen tussen de partijen bij die overeen-komsten en de ondertekening ervan, evenals naar de houding van de instrumente-rende notarissen van zowel de kopers als de verkopers; de kopers, publieke instel-lingen, hebben op geen enkel moment aangegeven dat de roerende goederen be-schermd waren; de omstandigheid dat de eisers als verkopers contractpartij waren, sluit niet uit dat zij zich op grond van de begeleidende omstandigheden kunnen beroepen op onoverwinnelijke dwaling; van de voormelde publieke organen als kopers mocht worden verwacht dat zij overleg zouden hebben gepleegd met het agentschap Onroerend Erfgoed; het gebrek aan geloofwaardigheid van de politio-nele verklaringen van de instrumenterende notarissen en een gebrek aan grondige studie door die notarissen, die geen enkele opmerking hebben gemaakt betreffen-de het beschermingsstatuut van de roerende goederen, kunnen de eisers niet wor-den verweten, aangezien zij die elementen niet kenden op het ogenblik van de fei-ten; de eisers mochten er dan ook in alle redelijkheid vanuit gaan dat de schilde-rijen, de sculpturen en de medaillons als roerende goederen afzonderlijk konden worden verkocht zonder schending van het Monumentendecreet, thans het Onroe-rend Erfgoeddecreet.
  25. Een rechtsdwaling over de strafbaarheid van een handeling is slechts dan onoverwinnelijk indien uit de concrete elementen van de zaak kan worden afge-leid dat elk normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden ook zou hebben gedwaald.
  26. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde onoverwinnelijk heeft gedwaald. Het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem gedane vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  27. Het arrest oordeelt met betrekking tot het kenniselement bij de eisers I als volgt: - de eisers I dienden te weten dat de schilderijen, medaillons en beelden onder het beschermingsstatuut vielen; - er bestond geen wettelijke verplichting om die goederen nominatim te vermel-den in het beschikkend gedeelte van het beschermingsbesluit van 6 november 1981; - de eisers I waren op de hoogte van het feit dat hun voorouders vragende partij waren voor de bescherming van het kasteeldomein. Er moet worden vastge-steld dat die voorouders geen absolute leken waren op het gebied van mo-numentenbescherming aangezien zij zelf bezwaar hebben aangetekend tegen het voorontwerp van klasseringsbesluit als monument en stads- en dorpsge-zicht; - het argument van de eisers I dat zij mochten voortgaan op de inhoud van de compromis en de notariële akte kan niet worden gevolgd, daar zij zelf hebben bijgedragen tot de totstandkoming en de invulling van deze contracten. Het is dus niet zo dat louter omdat de eisers I in de contracten hebben bepaald dat er geen roerende goederen in de verkoop waren begrepen dat zij daarom de beel-den, de schilderijen en de medaillons probleemloos konden verkopen aan der-den, daarbij volkomen de bescherming ingevolge het besluit van 6 november 1981 negerend; - de eisers I bevonden zich geenszins in de absolute onmogelijkheid om vooraf-gaand aan het ondertekenen van de compromis en de notariële verkoopakte ze-kerheid te verkrijgen over de vraag of de goederen als onroerende goederen door bestemming onder het beschermingsbesluit van 6 november 1981 vielen; - de eisers I hadden in de aanloop naar de verkoop van het beschermd kasteel-domein aan het Agentschap Onroerend Erfgoed kunnen vragen of de beelden, schilderijen en medaillons onder de bescherming van het besluit van 6 novem-ber 1981 vielen en of deze goederen al dan niet konden worden vervreemd; - de eisers I hadden die vraag zelf kunnen en moeten stellen, dan wel via hun no-taris aan het Agentschap; - er bestond op dit punt geen absolute onmogelijkheid om dit te doen, zodat de voorgehouden onwetendheid bij de eisers I op eenvoudige wijze had kunnen worden overwonnen; - de loutere goede trouw van de eisers I volstaat niet om een onoverwinnelijke dwaling op te leveren; - de eerste rechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het aanvaardbaar is dat de eisers I bij de verwijdering van de sculpturen uit de parktuin van het kasteel te goeder trouw hebben gehandeld in de foutieve veronderstelling dat zij rekening houdend met de onderhandelingen met drie kopers-administratieve overheden zonder enige opmerking ter zake vrij over deze beelden konden beschikken. De verweerders I.2 tot en met I.4 zijn onderscheiden juridische entiteiten met elk een eigen maatschappelijk doel en finaliteit. Zij zijn niet de behoeders noch de beheerders van het onroerend erfgoed in Vlaanderen. Onroerend Erfgoed Vlaanderen is een agentschap en wetenschappelijke instelling van de Vlaamse overheid, die bevoegd is voor het bouwkundig, archeologisch, landschappelijk en varend erfgoed. Het bereidt in Vlaanderen het beleid inzake het onroerend erfgoed voor en voert het uit, zodat het bij uitstek de instantie is die, voor zover er twijfel of onduidelijkheid bestaat over de draagwijdte van een beschermingsmaatregel, aan de betrokken eigenaars meer uitleg en rechtszekerheid kan geven; - het loutere feit dat drie kopers met de eigenaars hebben onderhandeld over de prijs en de mogelijke verkoop van het kasteeldomein zonder de beelden, zelfs wanneer deze drie kopers met betrekking tot de draagwijdte van het beschermingsstatuut onachtzaam zouden zijn geweest, volstaat niet om bij de eisers I een onoverwinnelijke dwaling te doen ontstaan. Het niet maken van opmerkingen door deze kopers ontheft de eisers I niet van hun eigen onderzoeksplicht, te meer zij op de hoogte waren van de inhoud van het beschermingsbesluit van 6 november 1981; - het feit dat de instrumenterende notarissen geen opmerkingen hebben gemaakt volstaat evenmin om voor de eisers I een onoverwinnelijke dwaling op te leve-ren. De loutere vaststelling dat de eisers I slecht geadviseerd waren, zelfs door een geschikt persoon zoals een notaris, volstaat niet om van een onoverwinne-lijke dwaling te kunnen gewagen. De eisers I kunnen zich dan ook niet achter de instrumenterende notarissen verschuilen. De verklaringen van die notarissen tijdens het strafonderzoek over het al dan niet beschermd zijn, vormen geen doorslaggevende elementen bij de beoordeling van de strafrechtelijke gehou-denheid van de eisers I, aangezien deze notarissen, indien zij een ander stand-punt zouden innemen dan datgene wat zij in hun verklaring hebben verwoord, impliciet maar zeker hun eigen fout of nalatigheid zouden erkennen, wat hun beroepsaansprakelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen; - er blijkt niet dat de notarissen over de problematiek grondig hebben gestu-deerd. De eisers I zijn op dit punt niet consequent waar zij voorhouden dat de notarissen de kopers hadden moeten infomeren over de eigenheid van de ver-koop van een beschermd monument en dorpsgezicht. De notaris van de kopers verklaarde dat hij noch het kasteel noch de tuin had bezocht voorafgaand aan het verlijden van de koopakte en dat hij helemaal niet wist over welke beelden het handelde. Hij heeft als notaris geen contact opgenomen met Onroerend Erfgoed en hij verklaarde niet te weten dat de beelden beschermd waren als deel uitmakend van een dorpsgezicht. De notaris van de eisers I verklaarde dat hij zich beperkt heeft tot het lezen van het beschermingsbesluit zonder verdere opzoekingen of navraag te doen en dat hij er niet heeft bij stilgestaan dat de schilderijen niet mochten worden verwijderd; - de eisers I verwijzen met betrekking tot de schilderijen naar de meningen van verschillende experts over de status van de beschermde schilderijen, maar die meningen zijn niet doorslaggevend over het al dan niet beschermd karakter er-van op grond van het beschermingsbesluit van 6 november 1981, aangezien niet geweten is welke opzoekingen zij al dan niet ter zake hebben gedaan.
  28. Het arrest oordeelt niet dat de hoedanigheid van de eisers I als contractpartij bij het compromis en de notariële akte hen belet om de inhoud en de bewoordin-gen van die akten in het licht van de begeleidende omstandigheden als onverwin-nelijke dwaling aan te voeren. Het oordeelt wel dat het louter stipuleren door de eisers I in de contracten dat geen roerende goederen in de verkoop waren begre-pen, hen niet toeliet de kwestieuze goederen met negering van het beschermings-besluit te verkopen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  29. De rechter kan bij de beoordeling of de houding van een overheid een be-klaagde onoverwinnelijk heeft doen dwalen over de draagwijdte van een bestuur-lijke beslissing in aanmerking nemen dat die overheid niet de bevoegde instantie is op dat vlak. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  30. Bij de beoordeling of het advies of het stilzitten van een geschikt geacht persoon zoals een notaris een beklaagde onoverwinnelijk heeft doen dwalen, mag de rechter wel degelijk de geloofwaardigheid van de verklaringen welke die ge-schikte persoon daarover naderhand heeft afgelegd betrekken, evenals de omstan-digheden die hebben geleid tot dit advies of dit stilzitten, aangezien zij een licht werpen op de waarde van dit advies of dit stilzitten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  31. Op grond van de voormelde vaststellingen van het arrest en in het bijzonder de vaststelling dat een normaal, redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde feite-lijke omstandigheden informatie zou hebben ingewonnen bij het agentschap On-roerend Erfgoed, kunnen de appelrechters oordelen dat de eisers I hebben gehan-deld in strijd met wat een normaal, zorgvuldig en redelijk persoon, geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden, zou hebben gedaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II
  32. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 144, 145 en 149 Grondwet, de artikelen 6.2.1, 6.4.1 tot en met 6.4.3 en 11.4.1 van het de-creet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed (hierna Decreet Onroe-rend Erfgoed) en het ministerieel besluit van 6 november 1981 strekkende tot be-scherming van het kasteel Hof ter Linden als monument en dorpsgezicht, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten: het arrest verklaart wat be-treft de sculpturen de herstelvordering ten onrechte kennelijk onredelijk; uit artikel 11.4.1 Onroerend Erfgoeddecreet volgt dat de rechter primair het feitelijk herstel in de originele staat moet bevelen; het arrest stelt met betrekking tot de sculpturen niet vast dat dit onmogelijk is; het grondt de onuitvoerbaarheid en dus de kennelijke onredelijkheid van de herstelmaatregel op het niet kunnen vrijgeven van de identiteit van de kopers; het weigert zonder opgave van redenen in te gaan op de vraag van de eiser II om het openbaar ministerie te verzoeken het proces-verbaal van de verkoop op te vragen bij de regeringscommissaris van de Raad voor vrijwillige verkopen; de verwijzing naar het beroepsgeheim van de veilingmeester is een willekeurig, vaag en speculatief motief; het is precies het bestaan van het beroepsgeheim dat de gevraagde onderzoeksmaatregel noodzakelijk maakt; ook het motief dat sommige beelden reeds zouden kunnen zijn doorverkocht, volstaat niet; de appelrechters moeten voor elk beeld vaststellen dat het feitelijk herstel in de originele staat niet mogelijk is; de motivering op dit punt volstaat niet, minstens is ze tegenstrijdig; de onuitvoerbaarheid heeft bovendien ook slechts een tijdelijk karakter; met het bekritiseerde oordeel wijzigt het arrest ook het beschermingsbesluit; het arrest verklaart wat betreft de schilderijen uit de boogvormige nissen in de centrale hal de herstelvordering eveneens ten onrechte kennelijk onredelijk; uit de loutere verkoop van een schilderij aan een derde te goeder trouw volgt niet dat op dit schilderij het beschermingsbesluit niet langer van toepassing is; ook de koper moet het beschermingsbesluit respecteren; de nieuwe eigenaar, die overigens in de procedure betrokken was, moet de herstel-maatregel gedogen; hij moet ook de artikelen 6.4.1 tot 6.4.3 Decreet Onroerend Erfgoed respecteren; het arrest wijzigt dan ook het beschermingsbesluit.
  33. Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 11.4.1 Decreet Onroerend Erfgoed volgt dat de rechter in beginsel steeds het feitelijk herstel in een originele goede staat moet bevelen en dat de andere herstelvormen slechts kunnen worden bevolen indien blijkt dat dit feitelijk herstel in een originele goede staat niet mo-gelijk is. Die vaststelling moet slaan op alle goederen voorwerp van de herstel-vordering.
  34. De eiser II heeft voor de appelrechters aangevoerd dat: - de veilingmeester weliswaar is gehouden door het beroepsgeheim, maar dat hij overeenkomstig artikel 321-9 van het Franse Wetboek van Koophandel een proces-verbaal moet opstellen, waarin naast de koopsom ook de namen en adresgegevens van de nieuwe eigenaars zijn opgenomen; - een afschrift van dit proces-verbaal kan worden verkregen op verzoek van de politionele of gerechtelijke overheden gericht aan de regeringscommissaris van de Franse raad van de vrijwillige verkopen ("Conseil des ventes volontaires"); - bijgevolg de identiteit van de kopers wel traceerbaar is; - de strafrechter, bij de beoordeling van de herstelvordering welke behoort tot de strafvordering in ruime zin, het openbaar ministerie kan verzoeken een afschrift op te vragen bij de voormelde regeringscommissaris volgens de daartoe vereiste vormen; - aan de strafrechter wordt gevraagd in die zin te beslissen en de beslissing op de herstelvordering betreffende die goederen uit te stellen.
  35. Het arrest grondt de beslissing dat de met betrekking tot de elf beelden ge-vorderde herstelmaatregel onuitvoerbaar en dan ook kennelijk onredelijk is op, eensdeels, het oordeel dat de veilingmeester van het veilinghuis Mercier heeft verklaard dat hij de identiteit van de kopers van de beelden niet mag vrijgeven wegens zijn beroepsgeheim, en, anderdeels op het gegeven dat de veiling van de beelden dateert van oktober 2012 zodat het mogelijk is dat sommige beelden door de kopers al zijn doorverkocht. Met die redenen beantwoordt het arrest niet de met redenen omklede vraag van de eiser II om bij tussenarrest het openbaar ministerie te verzoeken bij de regeringscommissaris van de Franse raad van de vrijwillige verkopen het proces-verbaal van de veiling op te vragen en stelt het bovendien niet vast dat het feitelijk herstel in een originele goede staat onmogelijk is. In zoverre is het middel gegrond.
  36. Uit de enkele omstandigheid dat goederen die onroerend zijn door bestem-ming, werden verkocht aan een derde te goeder trouw, volgt niet dat voor wat be-treft die goederen het feitelijk herstel in een originele goede staat niet kan worden bevolen. Ook de derde te goeder trouw is gehouden het beschermingsbesluit en zijn gevolgen te respecteren.
  37. Het arrest dat anders oordeelt met betrekking tot de twee door de verweer-der I.5 aangekochte schilderijen uit de boogvormige nissen in de centrale hal, is niet naar recht verantwoord. In zoverre is het middel gegrond. Omvang van de cassatie
  38. De vernietiging van de beslissing over de herstelvordering betreffende de negen beelden en de twee schilderijen uit de boogvormige nissen in de centrale hal, brengt de vernietiging mee van de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorde-ring van de verweerder I.5 en van de verweerders I.2 tot en met I.4 betreffende de twee schilderijen, gelet op het nauw verband tussen deze beslissingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - de herstelvordering betreffende de negen beelden en de twee schilderijen uit de boogvormige nissen in de centrale hal als kennelijk onredelijk afwijst; - het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder I.5 lastens de eisers I; - het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders I.2 tot en met I.4 lastens de eisers I. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I tot de kosten van het cassatieberoep I. Veroordeelt het Vlaams Gewest tot een derde van de kosten van het cassatiebe-roep II. Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten in het geheel op 2.890,03 euro waarvan de eisers I 282,12 euro verschuldigd zijn en de eiser II 243,63 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 2 oktober 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.