← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1 Rolnummer: P.18.0516.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 838 - laatst gezien 2026-06-29 11:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren waarbij de rechter rekening mag houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven; zodoende kan de rechter die gelast is met feiten van misbruik van vertrouwen en die als vaststaand gegeven aanneemt dat een vennootschap betalingen heeft gedaan die op grond van de gegevens van het strafdossier het vervolgde misdrijf ten nadele van die vennootschap lijken op te leveren, van de beklaagde die als bestuurder de betalingen heeft uitgevoerd, vragen daarvoor een aannemelijke verantwoording te verstrekken bij gebreke waarvan de rechter op grond van een feitelijk vermoeden kan oordelen dat die bestuurder de gelden niet in het belang van de vennootschap heeft aangewend, maar ze integendeel heeft verduisterd in de zin van artikel 491 Strafwetboek en waarbij aldus de rechter het vermoeden van onschuld niet miskent. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Bewijs - Feitelijk vermoeden - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Misbruik van vertrouwen - Feitelijk vermoeden - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Misbruik van vertrouwen - Feitelijk vermoeden - Beoordeling - Wijze Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - DE SMET, Bart; Noot "De onpartijdigheid van de gerechtsdeskundige in strafzaken" - 2018-19, nr. 36, p. 1420-

  1. Tekst van de beslissing Nr. P.18.0516.N T R B N V H T W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. David Verreckt, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen Linda AERNAUDTS, met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 37, bus 12, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement AVG CATERING EQUIPMENT nv, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 18 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt eisers verweer dat de aanstelling en het optreden van gerechtsdeskundige J.R. tijdens het gerechtelijk onderzoek vereisen dat de strafvordering niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens ernstige en onher-stelbare miskenning van eisers recht op een eerlijk proces of minstens dat de ver-slagen van die deskundige of de daarop gesteunde andere bewijselementen wor-den geweerd; anders dan het arrest oordeelt, is niet vereist dat de gerechtsdeskun-dige effectief partijdig heeft gehandeld, maar volstaat het dat zijn optreden is ge-schied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het ver-kregen bewijs omdat er twijfel bestaat over zijn onpartijdigheid; het arrest kan niet wettig oordelen dat er bij de eiser geen gewettigde vrees kan bestaan voor een par-tijdige bewijsgaring wegens een gebrek aan onpartijdigheid van J.R., aangezien deze is opgetreden als technisch raadsman van de verweerster voorafgaand aan zijn aanstelling als gerechtsdeskundige door de onderzoeksrechter.
  4. Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de on-partijdigheid van een gerechtsdeskundige wiens bevindingen van belang zijn voor de beoordeling van de schuld of onschuld van de beklaagde. De vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn. Daarvoor is niet vereist dat het bewijs wordt geleverd dat de gerechtsdeskundige effectief partijdig heeft gehandeld, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval geweest is.
  5. Uit het gegeven dat een door de onderzoeksrechter aangestelde gerechtsdes-kundige voorafgaand aan het gerechtelijk onderzoek een technisch advies in ver-band met de onderzochte feiten heeft verstrekt aan een latere procespartij, volgt niet steeds dat die deskundige partijdig is bij de uitvoering van de hem door de onderzoeksrechter toevertrouwde opdracht. De vonnisrechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt.
  6. Het arrest stelt de volgende feitelijke gegevens vast: - de verweerster heeft aan J.R. gevraagd de boekhouding van AVG Catering Equipment nv te onderzoeken om een verklaring te kunnen vinden voor de op het eerste gezicht verdachte geldstromen voorafgaand aan het faillissement op bekentenis van die vennootschap; - het verslag met de bevindingen van J.R. van 19 november 2010 vermeldt onder meer: "Wij wensen erop te wijzen dat het hier geen volledig onderzoek van de boekhouding betreft. Ons onderzoek heeft zich vooral gericht op het verklaren van het merkwaardige faillissement en mogelijke onregelmatigheden aan het licht te brengen"; - de verweerster heeft het verslag van J.R. van 19 november 2010, waarin mel-ding wordt gemaakt van mogelijke feiten van verduistering van vennoot-schapsactiva, op 22 november 2010 aan de procureur des Konings meegedeeld als nazending bij haar memorie inzake faillissement van 15 oktober 2010, waarin reeds sprake was van de opdracht van deze technische raadsman; - de verweerster is niet tussengekomen in het verdere verloop van het vooron-derzoek en heeft pas proceshoedanigheid verkregen door zich op de inleidings-zitting van de correctionele rechtbank van 21 juni 2016 burgerlijke partij te stellen; - de procureur des Konings heeft op 6 april 2011 een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek genomen tegen onder meer de eiser; - de onderzoeksrechter heeft J.R. aangesteld als gerechtsdeskundige, waarbij punctueel werd verwezen naar te onderzoeken vermogenstransfers en geld-stromen die reeds waren aangehaald in het verslag van de verweerster van 19 november 2010; - de bijkomende opdracht van de onderzoeksrechter aan J.R. van 16 april 2012 ligt in dezelfde lijn en omschrijft enkele specifiekere analyses; - gerechtsdeskundige J.R. heeft op 26 april 2013 een verslag neergelegd dat gro-tendeels voortbouwde op zijn verslag van 19 november
  7. Hij heeft op 7 oktober 2013 een bijkomend advies opgesteld in het kader van de verhoren van de eiser. Op 5 mei 2014 heeft hij zijn eindverslag neergelegd.
  8. In het kader van die feitelijke gegevens oordeelt het arrest: - de faillissementscurator is als burgerlijke partij in de strafzaak niet gelijk te stellen met het openbaar ministerie dat de strafvordering uitoefent en het alge-meen belang behartigt, maar evenmin met een burgerlijke partij die zelf indivi-duele schade oorzakelijk aan het misdrijf geleden heeft. De verweerster heeft het advies van haar technisch raadsman van 19 november 2010 ingewonnen in het kader van haar gerechtelijke opdracht zoals deze in het arrest nader is toe-gelicht. Dit sluit de verdediging van elk persoonlijk belang uit. Daardoor kan ten aanzien van de adviesverlener J.R. geen feitelijk vermoeden van partijdigheid worden gewekt waardoor zijn latere aanstelling door de onderzoeksrechter in het kader van dezelfde feiten onmogelijk zou worden; - aan de technische raadsman werd op 1 september 2010 een strikt objectief on-derzoek van de boekhoudstukken gevraagd door middel van een algemene op-dracht en zonder specifieke instructies vanwege de verweerster. Klaarblijkelijk werd deze adviesverlening nodig geacht omdat de tot dan verkregen stukken en verklaringen niet volstonden; - uit geen enkel feitelijk element blijkt of valt af te leiden dat J.R. als gerechts-deskundige ook belangen van de verweerster voor ogen had of blijk gaf van enige vooringenomenheid ten nadele van de eiser; - het was de specifieke wens van de onderzoeksrechter om binnen zijn saisine verder en nader onderzoek in strafrechtelijk perspectief te doen voeren ten aan-zien van bepaalde verrichtingen in de boekhouding van AVG Catering Equip-ment nv en dit technisch onderzoek en de verzameling van nuttige gegevens te laten uitvoeren door de gerechtsexpert in samenspraak met de politionele on-derzoekers. Uit de opdrachten van de onderzoeksrechter is af te leiden dat slechts van bepaalde hoofdstukken van het eerste onderzoek diepgaandere ana-lyse werd gewenst; - het is niet onwaarschijnlijk dat de beslissing van de onderzoeksrechter om meer bepaald J.R. met de gerechtelijke expertise te gelasten, ingegeven werd om redenen van financiële zuinigheid en van een spoedige voortgang van het deskundigenonderzoek, wat in het belang van alle betrokken partijen is. Het was eveneens van in het begin duidelijk dat het gerechtelijk onderzoek een verdere uitwerking betrof van het eerste verslag aan de verweerster, dat op die wijze hernomen werd bij aanvang van de gerechtelijke expertise; - de eiser heeft naar aanleiding van geen enkel verhoor of geen enkele verklaring bezwaren of opmerkingen geformuleerd met betrekking tot de eerdere werk-zaamheden van gerechtsdeskundige J.R. in opdracht van de verweerster, hoe-wel hij daarvan op de hoogte was; - uit het verloop van het strafrechtelijk vooronderzoek ontwaart het hof van be-roep geen enkel feitelijk element, concrete omstandigheid of onderzoeksmatige handeling op grond waarvan de eiser zou hebben kunnen vermoed of waaruit hij zou kunnen hebben afgeleid dat de bewijsgaring op onbetrouwbare wijze zou zijn verlopen; - de zogenaamde tendentieuze terminologie van de gerechtsdeskundige wijst niet op partijdigheid, onder meer omdat die terminologie uitsluitend contextueel en indicatief te begrijpen is, met redenen is onderbouwd en niet zonder enige nuancering is geformuleerd; - de beweerdelijk misleidende of onvolledige elementen in het deskundigenver-slag die de eiser aanhaalt, kunnen niet leiden tot het besluit dat de gerechtsdes-kundige vooringenomen was of zich partijdig heeft opgesteld. Zijn zogenaamde subjectieve bevindingen en denkfouten worden door het hof beoordeeld samen met alle overige onderzoeksbevindingen. De argumenten die de eiser desbetreffend aanhaalt, overtuigen het hof van beroep niet; - de onderzoeksrechter heeft gerechtsdeskundige J.R. niet aangezocht om uit-spraak te doen over de schuldvraag. De aan die deskundige gegeven opdracht komt te dezen niet erop neer dat hij zelf geacht werd aan te geven of er tegen de eiser aanwijzingen of bewijzen bestaan van de onderzochte misdrijven. De opdrachten betreffen in het bijzonder de technische analyse van een ven-nootschapsboekhouding in het licht van mogelijke specifieke delictuele feiten en het technisch advies daarover, zonder dat deze zich uitstrekken tot enige persoonlijke aansprakelijkheid. De technische bevindingen van de gerechtsdeskundige zijn enkel een advies voor de vonnisrechter, aan wie het staat zich over de schuld van de beklaagde uit te spreken op grond van alle gegevens van het strafdossier; - de eiser was gedurende het ganse procedureverloop in de gelegenheid om over de vaststellingen en besluiten van J.R. tegenspraak te voeren.
  9. Op grond van die redenen besluit het arrest: "Rekening houdend met wat voorafgaat, kan, naar het oordeel van het hof [van beroep], de opgeworpen vrees van [de eiser] betreffende de onpartijdigheid van het technisch onderzoek door de gerechtsdeskundige niet objectief worden ver-antwoord. Er is in casu geen enkel objectief element voorhanden waaruit de par-tijdigheid van de gerechtsdeskundige bij de uitvoering van zijn op objectieve stuk-ken gebaseerde boekhoudkundige analyses zou blijken. Als gevolg daarvan kan er in hoofde van [de eiser] geen ernstige en onherstelbare miskenning zijn van zijn recht op een eerlijke procesvoering gedurende de ganse procedure. Vermits er voor het hof [van beroep] geen enkel bewijs of indicatie aan te nemen is die tot de vooringenomenheid van gerechtsdeskundige [J.R.] moet doen besluiten, is er evenmin enige reden of aanleiding om één of enkele van diens verslagen uit de debatten te weren, net zo min als daarop gestoelde verhoren van [de eiser] of overige processtukken. Er is daarbij immers nergens sprake van onrechtmatig of nietig bewijsmateriaal." Aldus oordeelt het arrest niet dat het bewijs wordt vereist dat de gerechtsdeskun-dige effectief partijdig heeft gehandeld, maar verantwoordt het naar recht de be-slissing dat er geen objectieve redenen voorhanden zijn die bij de eiser de gewet-tigde vrees kunnen doen ontstaan dat de gerechtsdeskundige partijdig heeft ge-handeld. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest heromschrijft op aangeven van het openbaar ministerie de feiten van de telastleg-ging C van misbruik van vennootschapsgoederen naar misbruik van vertrouwen, maar laat na te duiden waarom de initiële kwalificatie in die zin dient te worden gewijzigd en beantwoordt aldus niet eisers verweer.
  11. De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat het openbaar ministerie naliet aan te duiden waarop het onderscheid tussen misbruik van vennootschaps-goederen en misbruik van vertrouwen is gestoeld en waarom deze herkwalificatie aan de orde zou zijn.
  12. Het arrest oordeelt: - "Het hof [van beroep] is als bodemrechter gehouden aan de aanhangige feiten zoals die blijken uit de stukken van het vooronderzoek, naar misdrijf de correcte wetsomschrijving te verlenen zonder daarbij andere feiten in de plaats te stellen of toe te voegen. Daarnaast moeten deze delictsomschrijvingen op basis van de concrete feiten zo nauwkeurig mogelijk worden gepreciseerd. Het openbaar ministerie, maar ook alle overige procespartijen, kunnen daar¬omtrent aanbevelingen richten aan het hof [van beroep]. Of deze in voorkomend geval al dan niet geduid of gemotiveerd zijn, is niet determinerend voor de gehoudenheid van het hof [van beroep] om eventueel wijzigingen aan de voorlopige omschrijvingen aan te brengen" (p. 19); - de eiser heeft de gelden, voorwerp van de telastleggingen C.I, C.II en C.III eensdeels en van de telastlegging C.IV anderdeels, waarover hij als bestuurder van AVG Catering Equipment nv het precair bezit had, bedrieglijk ten nadele van die vennootschap verduisterd en die gelden definitief uit haar vermogen doen verdwijnen (p. 21 tot 24); - de door de eiser tot stand gebrachte verduisteringen waren ten nadele van de vennootschap en de faillissementsboedel (p. 29). Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest dat in de doorgevoerde heromschrijving van de feiten van de telastlegging C aan-neemt dat de verduisterde gelden aan de eiser werden overhandigd onder de ver-plichting ze te verduisteren of te verspillen, kan de eiser niet veroordelen wegens verduistering of verspilling van de in die telastlegging bedoelde gelden.
  14. Het arrest heromschrijft de telastlegging C als volgt: "Ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweeg-brengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze te hebben verduis-terd of verspild, namelijk door ten nadele van de NV AVG Catering Equipment, (...) als bestuurder de hierna bepaalde geldsommen van de vennootschap te heb-ben onttrokken (...)".
  15. Daarmee herneemt het arrest de misdrijfomschrijving vervat in artikel 491 Strafwetboek: "Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft (...)". Het ligt dan ook voor de hand dat de zinssnede in de heromschrijving "onder ver-plichting om ze te hebben verduisterd of verspild" een materiële verschrijving in-houdt en moet gelezen worden als: "onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden." Gelet op die juiste lezing, kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiedi-ging van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt dat de betalingen, voorwerp van de telastleggingen C.I, C.II en C.III, niet kunnen worden verant-woord door de facturen voor bestuurs- en managementsvergoedingen, voorwerp van de telastleggingen A.I, A.II en A.III, omdat die facturen vals zijn en de eiser geen afdoende verantwoording kan verstrekken; aldus legt het arrest aan de eiser de verplichting op te bewijzen dat aan die facturen reële prestaties ten grondslag liggen, er voor de uitbetaling van de geviseerde vergoedingen wel degelijk afwij-kende toekenningsbeslissingen vanwege de aandeelhouders bestaan of dat de om-vang van die vergoedingen niet buitensporig hoog is; daarmee miskent het arrest het vermoeden van onschuld.
  17. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig over-gelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daar-bij mag de rechter rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Zodoende kan de rechter die gelast is met feiten van misbruik van vertrouwen en die als vaststaand gegeven aanneemt dat een vennootschap betalingen heeft gedaan die op grond van de gegevens van het strafdossier het vervolgde misdrijf ten nadele van die vennootschap lijken op te leveren, van de beklaagde die als bestuurder de betalingen heeft uitgevoerd, vragen daarvoor een aannemelijke verantwoording te verstrekken. Bij gebreke daarvan kan de rechter op grond van een feitelijk ver-moeden oordelen dat die bestuurder de gelden niet in het belang van de vennoot-schap heeft aangewend, maar ze integendeel heeft verduisterd in de zin van artikel 491 Strafwetboek. Aldus miskent de rechter het vermoeden van onschuld niet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Het arrest (p. 22-27) steunt de beslissing over de schuld van de eiser aan de feiten van de telastleggingen C.I, C.II en C.III in het bijzonder op de volgende re-denen, gestaafd met feitelijke gegevens: - eisers aanvoering dat de financiële constructies met verbonden vennootschap-pen in het belang van AVG Catering Equipment nv waren, is niet aannemelijk gelet op de redenen die het arrest daarvoor vermeldt; - de betalingen, voorwerp van de telastleggingen C.I, C.II en C.III, waren gedekt met valse facturaties; - het is bewezen dat de gelden de vennootschap door toedoen van de eiser, die er precair bezit over had, definitief hebben verlaten zonder enige plausibele ver-antwoording; - het staat vast dat de eiser daarbij bedrieglijk handelde, daar hij van bij de aan-vang wist dat nooit een terugbetaling of ‘aanzuivering' zou gebeuren; - de valse facturen, voorwerp van de telastleggingen A.I, A.II en A.III, vermel-den fictieve prestaties van verbonden vennootschappen die eveneens onder de controle van de eiser waren en die werden opgemaakt en gebruikt om de geld-stromen uit AVG Catering Equipment nv een schijn van onderliggende ver-antwoording te geven en daardoor de verduisteringen ten nadele van de ven-nootschap te verhullen; - die facturen stemmen, gelet op de redenen die het arrest daarvoor aanhaalt, niet overeen met de werkelijkheid aangezien de meeste bestuurdersmandaten onbe-zoldigd waren en er hoe dan ook uit geen enkel dossiergegeven valt af te leiden welke reële managementsprestaties ten voordele van AVG Catering Equipment nv zouden zijn geleverd, dit samen genomen met de omvang van de gefactu-reerde ‘prestaties' en de hoogte van de geldbedragen binnen een zeer korte tijdsspanne; - eisers toelichtingen over die facturen zijn ongeloofwaardig, onvolledig of ont-wijkend; - de constitutieve bestanddelen van de misdrijven valsheid in geschriften staan op grond van de vaststellingen van het arrest vast. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 156,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 30 oktober 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210623.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221019.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.