id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.2 Rolnummer: P.18.0539.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 255 - laatst gezien 2026-06-28 04:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 1, tweede lid, Wet Verzachtende Omstandigheden vereist enkel dat de rechter de gegevens opgeeft waaruit hij voor de inverdenkinggestelde of de beklaagde het bestaan van verzachtende omstandigheden afleidt en bij afwezigheid van desbetreffend verweer, verplicht artikel 149 Grondwet de rechter niet tot een meer omstandige motivering; hieruit volgt dat de rechter ten aanzien van de beklaagde die daarover geen verweer heeft gevoerd, het bestaan van verzachtende omstandigheden kan afleiden uit het feit dat de beklaagde nog niet is veroordeeld tot criminele straffen wat geen automatisme inhoudt en niet betekent dat de rechter geen weloverwogen beslissing heeft genomen op grond van de gegevens eigen aan de zaak. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Opgave van gegevens waaruit het bestaan van verzachtende omstandigheden wordt afgeleid - Wijze Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Verzachtende omstandigheden - Motivering - Opgave van gegevens waaruit het bestaan van verzachtende omstandigheden wordt afgeleid zonder verweer daarover - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.18.0539.N C K D P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jonathan Bogaerts, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 26 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden, zoals gewijzigd bij artikel 121 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie: de appelrechters herkwalificeren de telastleg-ging A tot de misdaad bepaald in de artikelen 400, tweede lid en 410, tweede lid, Strafwetboek; zij verklaren zich bevoegd om kennis te nemen van die telastlegging wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden die voor de eiser voortspruiten uit de afwezigheid van vroegere veroordelingen tot criminele straf-fen; uit de wetsgeschiedenis van de wet van 5 februari 2016 blijkt dat het de uit-drukkelijke wil van de wetgever was dat er bij een correctionalisering geen gebruik zou worden gemaakt van een stereotype formulering, zodat de correctionalisering van zware misdaden geen automatisme zou worden; uit de motivering dient dus te blijken dat het gaat om een weloverwogen beslissing, toegespitst op de specifieke omstandigheden van de zaak; het arrest motiveert slechts op stereotype en niet afdoende wijze waarom er wordt overgegaan tot correctionalisering.
- Artikel 121 van de wet 5 februari 2016 is vernietigd bij arrest nr. 148/2017 van het Grondwettelijk Hof van 21 december
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 2 Wet Verzachtende Om-standigheden, zoals gewijzigd door dat artikel, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of er verzachtende omstandigheden aan-wezig zijn. Hij kan het bestaan van verzachtende omstandigheden afleiden uit alle gegevens die eigen zijn aan de feiten of aan de persoon van de beklaagde.
- Artikel 1, tweede lid, Wet Verzachtende Omstandigheden bepaalt dat de verzachtende omstandigheden in de arresten en vonnissen worden meegedeeld. Die bepaling vereist enkel dat de rechter de gegevens opgeeft waaruit hij voor de inverdenkinggestelde of de beklaagde het bestaan van verzachtende omstandighe-den afleidt. Bij afwezigheid van desbetreffend verweer, verplicht artikel 149 Grondwet de rechter niet tot een meer omstandige motivering.
- Hieruit volgt dat de rechter ten aanzien van de beklaagde die daarover geen verweer heeft gevoerd, het bestaan van verzachtende omstandigheden kan aflei-den uit het feit dat de beklaagde nog niet is veroordeeld tot criminele straffen. Dit houdt geen automatisme in en betekent niet dat de rechter geen weloverwogen be-slissing heeft genomen op grond van de gegevens eigen aan de zaak. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt: "Geen enkel argument in "syntheseberoepsconclusie" van [de eiser] onder meer in verband met de verklaring van getuige [K.S.] over de aanrijding zelf, is van aard om het hof [van beroep] anders te doen oordelen of is pertinent en be-hoeft derhalve geen nadere toelichting"; aldus beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiser in verband met de verklaring van getuige K.S.
- De appelrechters vermelden een geheel van juridische gronden en feitelijke gegevens, waaronder de verklaring van K.S. aan de politie, op grond waarvan zij eisers verweer verwerpen en hem schuldig verklaren aan de telastlegging A zoals door hen geherkwalificeerd. Met de bekritiseerde reden oordelen de appelrechters dat in het licht van die gronden en gegevens, het bedoelde verweer van de eiser in verband met K.S. doelloos is en geen antwoord behoeft. Aldus beantwoorden zij dat verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest herkwalificeert het feit van de telastlegging A naar opzettelijke slagen met voor-bedachtheid, terwijl het beroepen vonnis dat feit had geherkwalificeerd naar po-ging moord; desondanks behoudt het arrest de opgelegde gevangenisstraf zonder dit te motiveren.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt niet dat de rechter de door hem opgelegde straf bijzonder moet motiveren, behoudens daartoe strekkende conclusie.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waar-om hij dergelijke straf of maatregel oplegt en de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel rechtvaardigt. Die bepaling is krachtens artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing op de rechter in hoger beroep. Die bepalingen verplichten de appelrechter om de door hemzelf opgelegde straf te motiveren, maar niet om die straf te motiveren in vergelijking met de door het be-roepen vonnis opgelegde straf of met een enkel door dat vonnis aangenomen kwa-lificatie.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest vermeldt de redenen waarom het de eiser veroordeelt tot de straf-fen die het bepaalt. Aldus is die beslissing regelmatig gemotiveerd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 30 oktober 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div