← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.3 Rolnummer: P.18.0543.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 244 - laatst gezien 2026-06-28 04:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de wetsgeschiedenis van artikel 43, §3, Wegvervoerswet blijkt dat die bepaling het begrip van de medeverantwoordelijkheid invoert voor personen die, naast de vervoerder, tussenkomen in de uitvoering van de transporten, zodat ook deze personen kunnen worden gestraft wegens inbreuken inzake ladingveiligheid; deze personen worden op exhaustieve wijze in die bepaling opgesomd

(1).
(1)Parl. St. Kamer 2012-13 nr. 53-2612/001, p.
  1. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Artikel 43, § 3, Wegvervoerswet - Personen die, naast de vervoerder, tussenkomen in de uitvoering van de transporten - Strafbaarheid Tekst van de beslissing Nr. P.18.0543.N I W F A D V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Suzy Cooleman, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II VERBAUWHEDE TRANSPORT bvba, met zetel te 8720 Dentergem, Wonter-gemstraat 93, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8800 Roeselaere, Kolenkaai 4, waar de eiseres woon-plaats kiest. III VERBAUWHEDE TRANSPORT bvba, reeds vermeld, burgerlijk aansprakelijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Suzy Cooleman, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 27 april
  2. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers I en III voeren geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III
  3. De burgerrechtelijk aansprakelijke partij is krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht haar cassatieberoep te betekenen aan de partijen te-gen wie het is gericht.
  4. Het bestreden vonnis verklaart de eiseres III burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete en de kosten van de strafvordering waartoe de eiser I wordt veroordeeld wegens de telastlegging A.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res III haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wet-boek van Strafvordering en artikel 43, § 3, van de wet van 15 juli 2013 betreffen-de het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waar-aan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (hierna: Wegvervoerswet), alsmede miskenning van de bewijskracht van de CMR-vrachtbrief gevoegd als bijlage 2 bij het aanvankelijk proces-verbaal: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiseres II, als werkgever van de bestuurder van het voertuig waarvan de ladingzekering gebrekkig was, op grond van artikel 43, § 3, Wegvervoerswet strafbaar is als opdrachtgever van het vervoer; de eiseres II is echter niet de opdrachtgever van het vervoer, maar enkel de vervoerder; bijgevolg valt zij niet onder het toepassingsgebied van die bepaling.
  7. Artikel 43, § 3, Wegvervoerswet bepaalt: "De opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur van een vervoer van goederen waarop de communautaire regelgeving, deze wet of haar uitvoeringsbe-sluiten van toepassing zijn, worden op dezelfde wijze gestraft als de daders van de hierna genoemde inbreuken indien zij instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die tot deze inbreuken hebben geleid: (...) 2° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de veiligheid van de lading van de voertuigen; (...)" Krachtens artikel 5, 3°, Wegvervoerswet is "goederenvervoer over de weg verricht voor rekening van derden" elk vervoer van goederen over de weg behoudens "goederenvervoer over de weg verricht voor eigen rekening" zoals bedoeld in ar-tikel 5, 2°, van die wet. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 43, § 3, Wegvervoerswet blijkt dat die bepa-ling het begrip van de medeverantwoordelijkheid invoert voor personen die, naast de vervoerder, tussenkomen in de uitvoering van de transporten, zodat ook deze personen kunnen worden gestraft wegens inbreuken inzake ladingveiligheid. Deze personen worden op exhaustieve wijze in die bepaling opgesomd.
  8. In de zin zoals hier bedoeld, is de vervoerder de natuurlijke of rechtspersoon die het vervoer voor rekening van derden uitvoert en is de opdrachtgever de na-tuurlijke of rechtspersoon die de opdracht tot dat vervoer geeft.
  9. Het bestreden vonnis stelt vast dat het vervoer hier een vervoer voor derden betrof en oordeelt dat de eiseres II de opdrachtgever was van dat vervoer omdat de bestuurder van het voertuig haar werknemer was die reed voor haar rekening. Aldus verantwoordt dat vonnis de beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek betreffende het cassatieberoep I
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres II veroordeelt wegens de telastlegging G. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen I en III. Houdt de beslissing over de kosten van het cassatieberoep II aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de eisers I en III tot de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 113,31 euro waarvan de eiser I 59,15 euro verschuldigd is en de eiseres III 59,16 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 30 oktober 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.