id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.4 Rolnummer: P.18.0552.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 250 - laatst gezien 2026-06-28 04:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de samenhang van de bepalingen van artikel 15 Grondwet, artikel 12 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest, en artikel 60, §1, en 61 Decreet Natuurbehoud, volgt dat ambtenaren en natuurwachters van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud alsook boswachters van het bosbeheer bevoegd zijn om zonder machtiging van een rechter onder meer magazijnen, bergplaatsen, kantoren, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen en de in de open lucht gelegen bedrijven alsook alle gronden en wateren te betreden. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Ambtenaren en natuurwachters van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud - Boswachters van het bosbeheer - Bevoegdheid - Betredingsbevoegdheid zonder machtiging van een rechter - Draagwijdte Fiches 2 - 3 Uit de bepalingen van artikel 1, eerste lid, 3 en 12 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest, artikel 58, §1, 2°, eerste gedachtestreep, Decreet Natuurbehoud en artikel 16.1.1 en 16.6.1, §1, eerste lid, Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgt dat wie vogels onder zich houdt behorende tot één van de op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie in het wild voorkomende vogelsoorten of tot de bijlage I K.B. Vogelbescherming Vlaanderen, nog steeds strafbaar is, thans overeenkomstig artikel 16.6.1, §1, eerste lid, DABM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Onder zich houden van bepaalde vogelsoorten - Strafbaarheid in de tijd - Toepassing Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Milieurecht - Onder zich houden van bepaalde vogelsoorten - Strafbaarheid in de tijd - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.18.0552.N E E P M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie Turnhout. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 13 september 2017 (hierna: arrest I) en 2 mei 2018 (hierna: arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest II ontslaat de eiser van veroordeling voor de telastleggingen A.3, A.4, B en D.1 tot D.17 in de zaak I, en voor de telastleggingen A, B.1 en B.III in de zaak II. In zoverre tegen die beslissingen gericht zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en 65 Strafwet-boek: het arrest is van oordeel dat de feiten van de zaak I en de zaak II verbonden zijn door eenheid van opzet aangezien beide zaken de illegale vogelhandel in ve-reniging betreffen, terwijl de eiser juist werd vrijgesproken voor de deelname aan een criminele organisatie en het lidmaatschap van een vereniging.
- Het arrest dat formeel schending van de voormelde bepalingen aanvoert, komt wezenlijk op tegen het onaantastbaar oordeel van de appelrechters dat de feiten van de zaken I en II verbonden zijn door eenheid van opzet. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 15 en 149 Grondwet en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het ar-rest oor¬deelt dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat ook bewoonde lokalen het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van de controles van 5 augustus 2004 en 17 augustus 2004, terwijl ook schuren, stallingen en tuinen zelfs als ze niet volledig omheind zijn dezelfde bescherming genieten als een bewoond lokaal; de visitatie was nietig bij ontstentenis van een regelmatige machtiging en het daaruit volgend bewijs moet overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Straf-vordering buiten toepassing worden gelaten.
- Artikel 15 Grondwet bepaalt; "De woning is onschendbaar; geen huiszoe-king kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft." Overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 be-treffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest (hierna: KB Vogel-bescherming Vlaanderen), zoals van toepassing, worden overtredingen van dat besluit opgespoord en vastgesteld onder meer overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en natuurlijk milieu (hierna: Decreet Natuurbehoud). Overeenkomstig artikel 60, § 1, Decreet Natuurbehoud, zoals van toepassing, worden de overtredingen van dit decreet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten opgespoord en vastgesteld onder meer door de ambtenaren en natuur-wachters van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud alsook door de ambtenaren en boswachters van het bosbeheer. Artikel 61 Decreet Natuurbehoud, zoals van toepassing, bepaalt: "In de uitoefening van hun opdracht mogen de in artikel 60 vermelde overheidspersonen fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in de open lucht gelegen bedrijven alsook alle gronden en wateren betreden en mogen zij dieneinde boten, wagons en voertuigen aanhouden." Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat ambtenaren en natuurwachters van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud alsook boswachters van het bosbeheer bevoegd zijn om zonder machtiging van een rechter onder meer maga-zijnen, bergplaatsen, kantoren, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen en de in de open lucht gelegen bedrijven alsook alle gronden en wateren te betreden.
- In zoverre het middel uitgaat van de rechtsopvatting dat schuren, stallingen en tuinen zelfs als deze niet volledig omheind zijn en dus in het bijzonder een bergplaats in de tuin dezelfde bescherming geniet als een bewoond lokaal, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de betreffende boswachters handelden binnen het kader van hun toezichtsbevoegdheid, dat het controleren van de volières niet kan worden gezien als een huiszoeking in een door de Grondwet beschermde woning en zij dus geen voorafgaande schriftelijke toestemming, dan wel een huiszoe-kingsbevel nodig hadden. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is het afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwet-tigheid en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 2 Straf-wetboek, de artikelen 16.6.3ter en 16.6.1 DABM, artikel 5 KB Vogelbescherming Vlaanderen en artikel 12 Soortenbesluit, alsook miskenning van het arrest Vergy van 8 februari 1996, C-149/94, van het Hof van Justitie: de eerste rechter stelde vast dat de aangetroffen vogelsoorten niet voorkwamen in de bijlagen II, III of IV van het Soortenbesluit en de feiten dus niet vielen onder artikel 16.6.3ter DABM; hij herkwalificeerde de feiten als een inbreuk op artikel 16.6.1 DABM; de eiser heeft in conclusie aangevoerd dat deze algemene strafbepaling de vastgestelde tekortkoming niet kon opvangen; het arrest antwoordt daarop dat het Soortenbesluit nog andere vogels beschermt en dat de basis van de beteugeling van de overtredingen van de voorschriften voor die vogels te vinden is in artikel 16.6.1, § 1, DABM, hoewel die vogels daar niet vermeld worden; het arrest houdt evenmin rekening met de rechtspraak van het Vergy-arrest volgens hetwelk de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 (hierna: Vogelrichtlijn) niet van toepassing is op in gevangenschap geboren of gekweekte vogels, zoals hier het geval is; ondergeschikt vraagt de eiser aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen over de verzoenbaarheid van de Vergy-rechtspraak met de beteugeling op grond van artikel 16.1.1, § 1, DABM.
- Het middel preciseert niet welke de wetsbepalingen en straffen zijn die het arrest toepast en waardoor het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet wordt miskend. In zoverre het schending van artikel 2 Strafwetboek aanvoert, is het middel on-nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
- Een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie is geen wet als be-doeld bij artikel 608 Gerechtelijk Wetboek waarvan de schending kan worden aangevochten voor het Hof van Cassatie. In zoverre het middel schending van het arrest C-149/94 van 8 februari 1996 van het Hof van Justitie van de Europese Unie aanvoert, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 1, eerste lid, KB Vogelbescherming Vlaanderen bepaalt: "Dit besluit is van toepassing op alle vogels behorende tot één van de op het Europese grond-gebied van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen in het wild voorko-mende vogelsoorten. Daarin worden alle ondersoorten, rassen of variëteiten van deze vogelsoorten begrepen, ongeacht hun geografische herkomst en ongeacht of de vogels levend, dood of opgezet zijn." Artikel 3 van dat besluit bepaalt: "Het is te allen tijde en om het even waar verbo-den de vogels bedoeld in artikel 1, gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of uit deze vogels verkregen producten, evenals hun eieren, onder zich te hebben, ter verkoop voorhanden te hebben, te kopen, te verkopen, te koop te stellen of te vragen en te leveren behoudens de hierna vermelde afwijkingen." Artikel 12 KB Vogelbescherming Vlaanderen, zoals van toepassing, bepaalt dat de overtredingen van dat besluit ook gestraft worden overeenkomstig de bepa-lingen van het Decreet Natuurbehoud. Artikel 58, § 1, 2°, eerste gedachtestreep, Decreet Natuurbehoud bepaalde aldus dat diegene die de bepalingen van het decreet of de voorschriften vastgesteld door of ter uitvoering van het decreet overtreedt, gestraft wordt met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met een geldboete van zesentwintig frank tot één miljoen frank of met één van deze straffen alleen. Deze bepaling werd met ingang van 25 juni 2009 als volgt vervangen: "Voor dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten gebeurt het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk sanctioneren van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid." Overeenkomstig artikel 16.1.1 DABM zijn de bepalingen van titel XVI DABM onder meer van toepassing op het Decreet Natuurbehoud en de uitvoeringsbeslui-ten ervan. Tenslotte bepaalt artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM: "Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de door deze titel gehandhaafde regelgeving is strafbaar met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 100 euro tot 250.000 euro of met een van die straffen."
- Uit deze bepalingen volgt dat wie vogels onder zich houdt behorende tot één van de op het Europese grondgebied van de lid-staten van de Europese Unie in het wild voorkomende vogelsoorten of tot de bijlage I K.B. Vogelbescherming Vlaanderen, nog steeds strafbaar is, thans overeenkomstig artikel 16.6.1, § 1, eer-ste lid, DABM.
- Het arrest stelt vast dat de in de telastleggingen E.1 en E.2 vermelde vogels behoren tot één van de op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie in het wild voorkomende vogelsoorten of vermeld staan in de bijlage I aan het KB Vogelbescherming. Het arrest dat op die grond oordeelt dat het onder zich hebben van die vogels valt onder de algemene strafbaarstelling van artikel 16.6.1 DABM en niet onder deze van artikel 16.6.3ter van dit decreet dat voorbehouden is aan de vogels vermeld in de bijlagen II, III en IV aan het Decreet Natuurbehoud, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Er kan geen prejudiciële vraag gesteld worden over de bestaanbaarheid van de interne wetgeving met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In zoverre de voorgestelde prejudiciële vraag zulks beoogt, is ze niet ontvankelijk.
- Voor het overige preciseert het middel niet welke bepaling van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 dient te worden uitgelegd. In zoverre is de voorgestelde prejudiciële vraag onduidelijk en wordt ze bijgevolg niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 414,21 euro. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch P. Maffei Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 30 oktober 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div