← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.3 Rolnummer: C.17.0393.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2018-11-29 Raadplegingen: 672 - laatst gezien 2026-06-29 17:20 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181102.3 Fiches 1 - 2 Het in artikel 14bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel omschreven cumulatieverbod betekent dat de getroffene of zijn rechthebbenden slechts vergoeding voor lichamelijke schade mogen eisen volgens het gemeen recht wanneer de volgens het gemeen recht berekende lichamelijke schade meer bedraagt dan het bedrag van de schadeloosstelling op grond van de arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en enkel voor het verschil, waarbij het cumulatieverbod niet geldt voor schade waarvan de vergoeding niet door de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel is gedekt waaronder de schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstandig bijberoep

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vrije woorden: Vergoeding - Cumulatie en verbod - Cumulatieverbod - Schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstanding bijberoep - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art. 14bis - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Vrije woorden: Arbeidsongeval - Overheidspersoneel - Cumulatieverbod - Schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstanding bijberoep - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art. 14bis - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0393.N
  1. P&V VERZEKERINGEN cvba, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 151-153,
  2. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen A.E. verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 20 februari
  3. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 1 oktober 2018 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Artikel 14bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel bepaalt: "§
  5. Onverminderd de bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, blijven de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen verplicht de uit deze wet voortvloeiende vergoedingen en renten uit te betalen. §
  6. De overeenkomstig artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989 toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen. §
  7. De in artikel 1 bedoelde rechtspersonen en instellingen, degenen die de in ar-tikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen, alsook hun eventuele verzekeraar kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het mo-torvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, tot beloop van de krachtens § 1 gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen. Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden vervangen in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig § 1 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989."
  8. Het in deze wetsbepaling omschreven cumulatieverbod betekent dat de ge-troffene of zijn rechthebbenden slechts vergoeding voor lichamelijke schade mo-gen eisen volgens het gemeen recht wanneer de volgens het gemeen recht bere-kende lichamelijke schade meer bedraagt dan het bedrag van de schadeloosstelling op grond van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en enkel voor het verschil. Dit cumulatieverbod geldt niet voor schade waarvan de vergoeding niet door de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is gedekt.
  9. Het middel dat ervan uitgaat dat het cumulatieverbod ook geldt voor de schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstandig bijberoep waarvan de ver-goeding door de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel niet is gedekt, faalt naar recht. (...) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de vordering van de verweerder wegens hulp van derden en over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 2 november 2018 uitgesproken door sectievoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. V. Van de Sijpe G. Jocqué K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181102.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211001.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.