id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 435
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De vernietiging met verwijzing plaatst de partijen binnen de grenzen van de vernietiging en de verwijzing in de toestand waarin de partijen zich zouden hebben bevonden voor de rechter wiens beslissing is vernietigd, hetgeen inhoudt dat wat dat punt betreft de partijen elke door hen gewenste vordering kunnen nemen en elk verweer kunnen laten gelden; daaruit volgt dat indien het Hof een op grond van een witwasmisdrijf bevolen bijzondere verbeurdverklaring heeft vernietigd omdat als voorwerp van dit misdrijf de door dit misdrijf gegenereerde vermogensvoordelen werden verbeurdverklaard, de rechter op verwijzing rechtsmacht heeft om de bijzondere verbeurdverklaring te bevelen van hetzij het voorwerp van dit witwasmisdrijf hetzij de vermogensvoordelen die uit dit witwasmisdrijf voortkomen hetzij eventueel beide, voor zover aan de wettelijke voorwaarden voor die bijzondere verbeurdverklaringen is voldaan
(1).
(1)Cass. 11 oktober 2012, AR C.10.0711.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2, AC 2012, nr. 524; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, pp. 1682-1683. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring op grond van een witwasmisdrijf - Vernietiging omdat als voorwerp van dit misdrijf de door dit misdrijf gegenereerde vermogensvoordelen werden verbeurdverklaard - Rechtsmacht van de rechter op verwijzing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 435
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring op grond van een witwasmisdrijf - Vernietiging omdat als voorwerp van dit misdrijf de door dit misdrijf gegenereerde vermogensvoordelen werden verbeurdverklaard - Rechtsmacht van de rechter op verwijzing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 435
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 4 De éénstemmigheid die vereist is voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren geldt ook voor de appelrechters op verwijzing en of er een strafverzwaring is, wordt beoordeeld door de bestraffing opgelegd door de eerste rechter en die opgelegd door het appelgerecht, desgevallend na verwijzing, te vergelijken waarbij die vergelijking gebeurt op basis van het geheel van de telkens uitgesproken straffen, met dien verstande dat indien de eerste rechter en de appelrechters zowel een hoofdgevangenisstraf, een geldboete en bijzondere verbeurdverklaringen hebben opgelegd, voor het bepalen van de zwaarte van de bestraffing enkel de hoofdgevangenisstraffen in aanmerking worden genomen en de maat van de overige straffen zonder belang is; die regel geldt ook indien de door de appelrechters opgelegde bestraffing deels werd vernietigd en met name wat betreft de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring en de appelrechters op verwijzing opnieuw hebben beslist tot bijzondere verbeurdverklaring, waaruit volgt dat indien de appelrechters éénstemmig een zwaardere hoofdgevangenisstraf hebben opgelegd in vergelijking met de door de eerste rechter opgelegde hoofdgevangenisstraf, de appelrechters op verwijzing die enkel te oordelen hebben over de bijkomende straffen van de bijzondere verbeurdverklaring, indien zij een zwaardere bijzondere verbeurdverklaring uitspreken in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring, niet moeten vaststellen dat die beslissing éénstemmig is. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Strafverzwaring - Eenstemmigheid - Beoordeling van de strafverzwaring - Vernietiging van de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring - Appelrechters op verwijzing die enkel te oordelen hebben over de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring - Zwaardere bijzondere verbeurdverklaring uitgesproken door de appelrechters op verwijzing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Uit de wetsgeschiedenis van de bepalingen van de artikelen 42, 1°, 42, 3°, 43bis en 505, derde lid, (oud) Strafwetboek
(1)blijkt niet dat de wetgever van oordeel was dat de rechter bij een schuldigverklaring aan een witwasmisdrijf lastens eenzelfde dader prioritair het omgezette goed als voorwerp van dat misdrijf dient verbeurd te verklaren op grond van de artikelen 42, 1°, en 505, derde lid, (oud) Strafwetboek en slechts als die verplichte bijzondere verbeurdverklaring wettelijk niet mogelijk is, de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring kan bevelen van het goed na omzetting als vermogensvoordeel uit het witwasmisdrijf; de wetgever beoogt integendeel met de bijzondere verbeurdverklaringen die krachtens het witwasmisdrijf kunnen worden bevolen een daadwerkelijke voordeelsontneming bij de dader van het witwasmisdrijf en de omstandigheid dat de ene bijzondere verbeurdverklaring een verplicht karakter heeft en de andere een facultatief karakter doet daaraan niets af, zodat hieruit volgt dat niets zich ertegen verzet dat de rechter lastens de dader van een witwasmisdrijf niet de verplichte bijzondere verbeurdverklaring beveelt van het goed dat wordt omgezet als voorwerp van het witwasmisdrijf, maar wel de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring van het goed na omzetting als uit het witwasmisdrijf voortkomende vermogensvoordelen
(2)
(3).
(1)Zoals toepasselijk vóór de wijziging ervan bij wet van 10 mei 2007.
(2)Het arrest oordeelt dat de rechter lastens eenzelfde dader voor eenzelfde witwasmisdrijf een goed of een goed dat daarvoor in de plaats is gekomen slechts éénmaal kan verbeurd verklaren. Vgl. met de situatie van vervolging van dezelfde dader wegens het basismisdrijf en het witwasmisdrijf of bij opeenvolgende witwasverrichtingen, Cass. 4 september 2007, AR P.07.0219.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2, AC 2007, nr. 381 en Cass. 11 december 2007, AR P.07.0305.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071211.3, AC 2007, nr. 626; Cass. 10 september 2014, AR P.14.0475.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.2, AC 2014, nr. 506 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in Pas. 2014, nr. 506; F. VAN VOLSEM, "De bijzondere verbeurdverklaring", in P. WAETERINCKX, F. VAN VOLSEM en F. DERUYCK (eds.), Strafrecht in onderneming, Antwerpen, Intersentia, 2016, p. 829-830, nr. 146 en p. 857, nr. 238-239; V. TRUILLET, "Confiscations en matière de blanchiment", Rev.dr.pén. 2015, 1081; F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, RPDB, Brussel, Bruylant, 2015, p. 42-43, nr. 72 en p. 47-48, nr. 84.
(3)V. TRUILLET, "Confiscations en matière de blanchiment", Rev.dr.pén. 2015, 1083; M. CESONI en D. VANDERMEERSCH, "Le recel en le blanchiment", in H. BOSLY en C. DE VALKENEER (eds.), Les infractions contre les biens, Brussel, Larcier, 2016, 593; Cass. 10 september 2014, AR P.14.0475.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.2, nr. 506 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in Pas. 2014, nr.
- In zijn conclusies schrijft advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH dat er in hoofde van éénzelfde dader geen cumul van de verbeurdverklaringen mogelijk is en dat "Dans ce dernier cas, en raison de son caractère obligatoire, seule la confiscation de l'objet du blanchiment devrait être prononcée à charge de cette personne"; zie ook F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, RPDB, Brussel, Bruylant, 2015, p. 48, nr. 84; M. CESONI en D. VANDERMEERSCH, "Le recel en le blanchiment", in H. BOSLY en C. DE VALKENEER (eds.), Les infractions contre les biens, Brussel, Larcier, 2016, 592-
- Er dient hierbij te worden vermeld dat deze rechtsleer betrekking heeft op de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf na de wetgeving van 10 mei
- AW Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring op grond van een witwasmisdrijf - Verplichte verbeurdverklaring van het goed dat is omgezet als voorwerp van het misdrijf welke niet bij equivalent kan worden bevolen - Draagwijdte - Gevolg Bijzondere verbeurdverklaring op grond van een witwasmisdrijf - Facultatieve verbeurdverklaring van het goed na omzetting, als vermogensvoordeel uit het witwasmisdrijf, desgevallend bij equivalent - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Verbeurdverklaring - Verplichte verbeurdverklaring van het goed dat is omgezet als voorwerp van het misdrijf welke niet bij equivalent kan worden bevolen - Draagwijdte - Gevolg Witwasmisdrijf - Verbeurdverklaring - Facultatieve verbeurdverklaring van het goed na omzetting, als vermogensvoordeel uit het witwasmisdrijf, desgevallend bij equivalent - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0551.N
- J L W G D, beklaagde,
- L L G D, beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kie-zen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 4 mei 2018, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 28 februari
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 434 en 435 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1082, eerste lid, 1095 en 1110 Gerechtelijk Wet-boek: door lastens de eisers de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring te beve-len van vermogensvoordelen uit respectievelijk de witwasmisdrijven B1-B3 en B2-B4, overschrijden de appelrechters als rechter op verwijzing hun rechtsmacht; de appelrechters op verwijzing gaan eraan voorbij dat het Hof geen bedragen, re-denen, motieven of rechtsgronden vernietigt, maar enkel rechterlijke beslissingen; ingeval van een partiële vernietiging met verwijzing is de rechtsmacht van de rechter op verwijzing beperkt tot de vernietigde beschikkingen met inbegrip van de onafscheidbare beslissingen en de gevolgbeslissingen waarbij de omvang van de vernietiging in de regel is beperkt tot de draagwijdte van het middel dat eraan ten grondslag ligt; de vernietiging plaatst de rechter op verwijzing in dezelfde toe-stand als de rechter wiens beslissing is vernietigd op het tijdstip waarop de vernie-tigde beslissing is genomen, maar binnen de grenzen van de vernietiging; het Hof heeft het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 februari 2016 enkel vernie-tigd in zoverre het lastens de eisers de verplichte bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van respectievelijk een totaalbedrag van 22.371.092,60 euro als voor-werp van de witwasmisdrijven B1-B3 en een totaalbedrag van 26.363.002,50 euro als voorwerp van de witwasmisdrijven B2-B4; de Gentse appelrechters hadden geen bijzondere verbeurdverklaring uitgesproken van de vermogensvoordelen uit de basismisdrijven C (inzake personenbelasting), E (misbruik van vennootschaps-goederen) en F (misbruik van vertrouwen), maar alleen de wettelijk verplichte bij-zondere verbeurdverklaring van de witwasmisdrijven; met het vernietigingsarrest werd enkel geoordeeld dat de Gentse appelrechters op een onjuiste wijze het voorwerp van de wettelijk verplichte bijzondere verbeurdverklaring hebben inge-vuld en dus niet dat de appelrechters niet gehouden waren om het voorwerp van die misdrijven verbeurd te verklaren; bijgevolg diende de rechter op verwijzing opnieuw de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van de witwasmis-drijven te beoordelen en had hij geen rechtsmacht meer om te oordelen over een nieuwe vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van de uit de witwasmisdrij-ven voortkomende vermogensvoordelen; de omstandigheid dat die vermogens-voordelen desgevallend in aanmerking hadden kunnen komen om met toepassing van een andere rechtsgrond te worden verbeurd verklaard, doet daaraan niets af; de appelrechters miskennen dan ook het wettelijk bepaalde onderscheid tussen de verplichte bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwassen en de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen uit het witwassen.
- Artikel 435, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ingeval van vernietiging, het Hof van Cassatie indien daartoe aanleiding bestaat, de zaak verwijst en het gerecht waarnaar de zaak wordt verwezen zich naar het ar-rest van het Hof gedraagt betreffende het door het Hof beslechte rechtspunt.
- De rechter op verwijzing heeft slechts rechtsmacht binnen de grenzen van de vernietiging en de verwijzing. Het staat aan de rechter op verwijzing te bepalen, onder controle van het Hof, in hoeverre hij van de zaak kennis moet nemen en dus welke de vernietigde beslissingen zijn van de bestreden rechterlijke uitspraak die door hem opnieuw moeten worden beoordeeld. Het zijn immers slechts de vernietigde beslissingen van de bestreden rechterlijke uitspraak, met inbegrip van de onafscheidbare beslissingen en de gevolgbeslissingen, die de omvang van de vernietiging en de verwijzing bepalen en dus niet de onderliggende reden of rede-nen die aanleiding hebben gegeven tot cassatie.
- De vernietiging met verwijzing plaatst de partijen binnen de grenzen van de vernietiging en de verwijzing in de toestand waarin de partijen zich zouden heb-ben bevonden voor de rechter wiens beslissing is vernietigd. Dit houdt in dat wat dat punt betreft de partijen elke door hen gewenste vordering kunnen nemen en elk verweer kunnen laten gelden.
- Daaruit volgt dat indien het Hof een op grond van een witwasmisdrijf bevo-len bijzondere verbeurdverklaring heeft vernietigd omdat als voorwerp van dit misdrijf de door dit misdrijf gegenereerde vermogensvoordelen werden verbeurd-verklaard de rechter op verwijzing rechtsmacht heeft om de bijzondere verbeurd-verklaring te bevelen van hetzij het voorwerp van dit witwasmisdrijf hetzij de vermogensvoordelen die uit dit witwasmisdrijf voortkomen hetzij eventueel bei-den, voor zover aan de wettelijke voorwaarden voor die bijzondere verbeurdver-klaringen is voldaan. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvorde-ring: door lastens de eisers een bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken van respectievelijk 22.371.093,60 euro en 26.363.002,50 euro van vermogensvoorde-len verkregen uit de feiten der telastleggingen B1-B3 en B2-B4, telkens te ver-minderen met de verkoopopbrengsten of waardebepalingen van bepaalde zaken, spreekt het arrest een strafverzwaring uit zonder vast te stellen dat die beslissing eenstemmig werd genomen; met het beroepen vonnis was lastens de eisers een bijzondere verbeurdverklaring uitgesproken van vermogensvoordelen ten bedrage van respectievelijk 9.440.335,34 euro en 748.750 USD en van 9.520.677,78 euro en 748.750 USD, telkens te verminderen met inbeslaggenomen goederen en waarden, alsook een bijzondere verbeurdverklaring als voorwerp van het witwas-sen van de naar België overgebrachte sicav's, respectievelijk voor 348 sicav's (te-lastlegging B3) alsook een aantal goederen (telastlegging B5 en B6) en voor 557 sicavs (telastlegging B4); de eerste rechter had ook beslist dat de som van de ver-plichte bijzondere verbeurdverklaringen van het voorwerp van het witwassen in mindering diende te worden gebracht van de facultatief bevolen bijzondere ver-beurdverklaringen; uit de regels dat de rechtsmacht van de rechter op verwijzing is beperkt tot de vernietigde beschikkingen, de rechter op verwijzing slechts kennis neemt van een geschil binnen de grenzen van de verwijzing en de vernietiging met verwijzing de rechter op verwijzing in dezelfde toestand plaatst als die van de rechter wiens beslissing werd vernietigd en dit op het tijdstip van de vernietigde beslissing, volgt dat de rechter op verwijzing artikel 211bis Wetboek van Straf-vordering moet naleven indien de toestand van de beklaagde op enigerlei wijze wordt verzwaard; indien de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverkla-ring, waarbij geen onderscheid is te maken tussen de bijzondere verbeurdverkla-ring van het misdrijfvoorwerp of van de vermogensvoordelen, wordt verhoogd en de straf dus wordt verzwaard, zoals in deze zaak, moet die verzwaring met een-stemmigheid worden vastgesteld.
- Volgens artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering is een-stemmigheid vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. Die verplichting geldt ook voor de ap-pelrechters op verwijzing.
- Of er in hoger beroep een strafverzwaring is, wordt beoordeeld door de be-straffing opgelegd door de eerste rechter en die opgelegd door het appelgerecht, desgevallend na verwijzing, te vergelijken.
- Die vergelijking gebeurt op basis van het geheel van de telkens uitgesproken straffen, met dien verstande dat indien de eerste rechter en de appelrechters zowel een hoofdgevangenisstraf, een geldboete en bijzondere verbeurdverklaringen heb-ben opgelegd, voor het bepalen van de zwaarte van de bestraffing enkel de hoofd-gevangenisstraffen in aanmerking worden genomen en de maat van de overige straffen zonder belang is.
- Die regel geldt ook indien de door de appelrechters opgelegde bestraffing deels werd vernietigd en met name wat betreft de bijkomende straf van de bijzon-dere verbeurdverklaring en de appelrechters op verwijzing opnieuw hebben beslist tot bijzondere verbeurdverklaring.
- Daaruit volgt dat indien de appelrechters eenstemmig een zwaardere hoofd-gevangenisstraf hebben opgelegd in vergelijking met de door de eerste rechter op-gelegde hoofdgevangenisstraf, de appelrechters op verwijzing die enkel te oorde-len hebben over de bijkomende straffen van de bijzondere verbeurdverklaring, in-dien zij een zwaardere bijzondere verbeurdverklaring uitspreken in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring, niet moeten vaststellen dat die beslissing eenstemmig is.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het beroepen vonnis veroordeelt de eisers elk tot een gevangenisstraf van dertig maanden en een geldboete van 100.000,00 euro, verhoogd met 50 decimes of 600.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, waarbij uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend voor een termijn van vijf jaar voor vierentwintig maanden van die hoofdgevangenisstraf. Het beveelt bovendien las-tens hen een aantal bijzondere verbeurdverklaringen. Bij eenstemmig gewezen arrest van 3 februari 2016 veroordeelt het hof van beroep te Gent de eisers tot een gevangenisstraf van dertig maanden en een geldboete van 100.000,00 euro, verhoogd met 50 decimes of 600.000,00 euro of een ver-vangende gevangenisstraf van drie maanden, waarbij uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend voor een termijn van vijf jaar voor achttien maanden van die hoofdgevangenisstraf. Het beveelt lastens hen een aantal bijzondere verbeurdver-klaringen. Bij arrest van het Hof van 28 februari 2017 worden enkel de lastens de eisers op grond van de feiten der telastleggingen B1-B3 en B2-B4 uitgesproken verbeurd-verklaringen vernietigd. Het bestreden arrest beveelt op grond van de feiten der telastleggingen B1-B3 en B2-B4 lastens de eisers opnieuw een bijzondere verbeurdverklaring.
- De appelrechters hebben met het eenstemmig gewezen arrest van 3 februari 2016 de aan de eisers opgelegde hoofdgevangenisstraffen verzwaard door het ge-deelte waarvoor uitstel van tenuitvoerlegging werd verleend te verminderen. Die beslissing werd met het arrest van het Hof van 28 februari 2017 niet vernietigd. Voor het bepalen van de zwaarte van de in hoger beroep aan de eisers opgelegde bestraffing zijn de door de appelrechters op verwijzing met het bestreden arrest uitgesproken bijzondere verbeurdverklaringen dan ook zonder belang, zodat bij-gevolg niet diende te worden vastgesteld dat het bestreden arrest met eenparigheid van stemmen werd gewezen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 1° en 3°, 43bis en 505 (zoals van toepassing vóór de wijziging van dit artikel door de wet van 10 mei 2007) Strafwetboek: met de overweging dat uit geen enkele wetsbepaling of rechtsregel volgt dat steeds voorrang moet worden gegeven aan de verplichte verbeurdverklaring beantwoordt het arrest niet het verweer van de eisers dat die voorrang volgt uit het wettelijk verplicht karakter van de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf zoals is bepaald door artikel 505 Strafwetboek; bovendien schendt het zo ook de vermelde artikelen van het Strafwetboek.
- Indien een witwasmisdrijf bestaat in het omzetten van een goed in een ander goed dan vormt het goed dat is omgezet het voorwerp van dit witwasmisdrijf in de zin van het hier toepasselijke artikel 505, derde lid, Strafwetboek (in de versie van vóór de wijziging door de wet van 10 mei 2007) (hierna artikel 505, derde lid, (oud) Strafwetboek) en vormt het goed na omzetting een uit dit witwasmisdrijf verkregen vermogensvoordeel in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek. De artikelen 42, 1°, en 505, derde lid, (oud) Strafwetboek voorzien in een lastens de dader van dit witwasmisdrijf verplicht uit te spreken bijzondere verbeurdver-klaring van het goed dat is omgezet als voorwerp van dit misdrijf, welke niet bij equivalent kan worden bevolen. De artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek voorzien in een lastens de dader van dit witwasmisdrijf uit te spreken facultatieve bijzondere verbeurdverklaring van het goed na omzetting, als vermogensvoordeel uit het witwasmisdrijf, desgevallend bij equivalent, mits een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie voorligt.
- De rechter kan lastens eenzelfde dader wegens eenzelfde witwasmisdrijf een goed of een goed dat daarvoor in de plaats is gekomen, slechts één keer verbeurd verklaren.
- Uit de wetsgeschiedenis van de voormelde bepalingen blijkt niet dat de wet-gever van oordeel was dat de rechter bij een schuldigverklaring aan een witwas-misdrijf lastens eenzelfde dader prioritair het omgezette goed als voorwerp van dat misdrijf dient verbeurd te verklaren op grond van de artikelen 42, 1°, en 505, derde lid, (oud) Strafwetboek en slechts als die verplichte bijzondere verbeurdver-klaring wettelijk niet mogelijk is, de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring kan bevelen van het goed na omzetting als vermogensvoordeel uit het witwasmis-drijf. De wetgever beoogt integendeel met de bijzondere verbeurdverklaringen die krachtens het witwasmisdrijf kunnen worden bevolen een daadwerkelijke voor-deelsontneming bij de dader van het witwasmisdrijf. Dat de ene bijzondere ver-beurdverklaring een verplicht karakter heeft en de andere een facultatief karakter doet daaraan niets af.
- Uit het voorgaande volgt dat niets zich ertegen verzet dat de rechter lastens de dader van een witwa smisdrijf niet de verplichte bijzondere verbeurdverklaring beveelt van het goed dat wordt omgezet als voorwerp van het witwasmisdrijf, maar wel de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring van het goed na omzetting als uit het witwasmisdrijf voortkomende vermogensvoordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest (p. 26-28, punt c)) bevat, beantwoordt het ar-rest het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221012.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230607.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071211.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180605.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div