← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.6 Rolnummer: P.18.0555.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-11-29 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-06-29 18:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een beoordeling van een op grond van artikel 67ter Wegverkeerswet ingestelde strafvordering en een bewezenverklaring van dit misdrijf vereist niet noodzakelijk dat het met het afschrift van het proces-verbaal verstuurde antwoordformulier, waarin de vraag om inlichtingen is vervat, aan het strafdossier is toegevoegd; de rechter oordeelt onaantastbaar op basis van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens of een door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde vraag om inlichtingen werd verstuurd en of het antwoordformulier een vraag om inlichtingen is als bedoeld door artikel 67ter Wegverkeerswet, maar deze beoordeling door de rechter vereist niet dat de rechter kennis kan nemen van de exacte bewoordingen van dit geschrift

(1).
(1)Het in deze zaak toepasselijke artikel 67ter Wegverkeerswet dateerde van vóór de wijzigingen bij de wetten van 6 maart 2018 (BS 15 maart 2018) en 2 september 2018 (BS 2 oktober 2018). Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Antwoordformulier met vraag om inlichtingen verzonden met het afschrift van het proces-verbaal - Voeging bij het dossier - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeer - Wegverkeerswet - Artikel 67ter - Antwoordformulier met vraag om inlichtingen verzonden met het afschrift van het proces-verbaal - Voeging bij het dossier - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0555.N JOHN - LIN ebvba, met zetel te 2900 Schoten, Fazantendreef 16, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joost Peeters, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 20 april
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek. Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert aan dat met het oordeel dat het proces-verbaal van 19 december 2016 met een antwoordformulier werd verzonden, terwijl het antwoord-formulier niet in het strafdossier aanwezig is, het bestreden vonnis de bewijskracht van dat proces-verbaal miskent; indien zich geen afschrift van het ant-woordformulier in het strafdossier bevindt, kan het bestreden vonnis niet rechts-geldig oordelen of, en zo ja, op welke wijze een beklaagde werd gevraagd om overeenkomstig artikel 67ter Wegverkeerswet inlichtingen te verstrekken en kan een inbreuk op die strafbepaling niet worden bewezen verklaard.
  4. Met het in het onderdeel vermelde oordeel, geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van de bewoordingen van het bedoelde proces-verbaal en kan het bij-gevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  5. Volgens artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet, in de hier toe-passelijke versie, moeten, indien een overtreding van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan is begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon, de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen, de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten meedelen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de personen die het voertuig onder zich hebben. Die mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van het versturen van het afschrift van het proces-verbaal met de daarbij gevoegde vraag om inlichtingen. Die ver-plichting rust ook op de rechtspersoon zelf. Een beoordeling van een op grond van artikel 67ter Wegverkeerswet, in de hier toepasselijke versie, ingestelde strafvordering en een bewezenverklaring van dit misdrijf vereist niet noodzakelijk dat het met het afschrift van het proces-verbaal verstuurde antwoordformulier, waarin de bedoelde vraag om inlichtingen is ver-vat, aan het strafdossier is toegevoegd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar op basis van de hem regelmatig overge-legde feitelijke gegevens of een door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde vraag om inlichtingen werd verstuurd. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ont-vankelijk. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis met het oordeel dat een antwoordformulier werd opgestuurd, de bewijskracht van het voormelde proces-verbaal miskent; het antwoordformulier bevindt zich immers niet in het strafdos-sier; de eiseres kan aldus niet nagaan waaruit dit formulier bestaat, noch of er in werd verzocht het terug te sturen; door niet vast te stellen wat de exacte bewoor-dingen zijn van dat formulier, is de beslissing niet naar recht verantwoord.
  8. De beoordeling door de rechter of een door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde vraag om inlichtingen werd verstuurd, vereist niet dat de rechter kennis kan nemen van de exacte bewoordingen van dit geschrift. Hij beoordeelt op basis van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens of het antwoordformulier een vraag om inlichtingen is als bedoeld door artikel 67ter Wegverkeerswet, in de hier toepasselijke versie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste on-derdeel en is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert aan dat met het oordeel dat er niet kan aan worden ge-twijfeld dat er een duidelijke vraag om inlichtingen werd verstuurd, het bestreden vonnis aan het voormelde proces-verbaal iets toevoegt dat er niet in te lezen is; dit blijkt immers uit niets; het bestreden vonnis trekt uit de door de appelrechters ge-dane vaststellingen gevolgen die er niet kunnen worden uit afgeleid.
  11. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste en het tweede onder-deel en het is om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen te ver-werpen. Vierde onderdeel
  12. Het onderdeel voert aan dat met het oordeel dat het antwoordformulier niet werd ingevuld en teruggestuurd, zonder de vaststelling dat het antwoordformulier door de eiseres is ontvangen, de beslissing niet naar recht verantwoord is.
  13. Het bestreden vonnis oordeelt dat een afschrift van het aanvankelijk proces-verbaal samen met een antwoordformulier aan de eiseres werd toegezonden en dat niet werd gereageerd. Aldus geeft het bestreden vonnis te kennen dat de eiseres dat formulier heeft ontvangen. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist fei-telijke grondslag. Vijfde onderdeel
  14. Het onderdeel voert aan dat zonder antwoordformulier en zonder het horen van de betrokken partijen, niet vaststaat wie het formulier bij voorkeur had moeten invullen en bijgevolg het moreel bestanddeel van het misdrijf en de decumula-tieregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, niet kan worden beoordeeld.
  15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res voor de appelrechters het in het onderdeel vermelde verweer heeft gevoerd. Het onderdeel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: met de schuldigver-klaring van de eiseres, miskent het bestreden vonnis het verbod op zelfincrimina-tie; geen enkele verdachte kan immers worden verplicht actief mee te werken met de vervolgende autoriteiten en dus te antwoorden op het antwoordformulier of de nodige maatregelen te nemen om de identiteit van de bestuurder tijdig mee te de-len.
  17. De essentie van het recht om zichzelf niet te beschuldigen, zoals gewaar-borgd door artikel 6.1 EVRM, wordt niet miskend door artikel 67ter Wegver-keerswet dat de geregistreerde eigenaar van een voertuig op straffe van een straf-sanctie verplicht bekend te maken wie er met dit voertuig reed op het ogenblik van de verkeersovertreding. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel in zijn geheel
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 29ter en 67ter Wegver-keerswet: door de eiseres schuldig te verklaren aan een overtreding overeenkom-stig artikel 67ter Wegverkeerswet, niettegenstaande het cruciale element, met na-me het antwoordformulier, ontbreekt is de beslissing niet naar recht verantwoord (eerste onderdeel); zonder het bewuste antwoordformulier kan de rechter het mo-reel bestanddeel van het misdrijf niet beoordelen (tweede onderdeel); het bestre-den vonnis verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging zonder de vaststelling dat er effectief een vraag om inlichtingen werd gesteld (derde onderdeel).
  19. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel, eerste, tweede en vijfde onderdeel en het is om de in het antwoord op die onderdelen vermelde re-denen te verwerpen. Vierde middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek, zoals hier toe-passelijk: aangezien enkel de rechtspersoon is vervolgd en het antwoordformulier in het strafdossier ontbreekt, is het onmogelijk te bepalen wie de zwaarste fout heeft begaan.
  21. Het middel heeft dezelfde strekking als het vijfde onderdeel van het eerste middel en het is om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210209.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.