← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.7 Rolnummer: P.18.0634.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2018-11-29 Raadplegingen: 284 - laatst gezien 2026-06-28 04:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien een strafdossier stukken bevat in een andere taal dan die van de rechtspleging en de rechter van oordeel is die taal machtig te zijn, belet geen enkele bepaling de rechter van die stukken kennis te nemen en ze bij zijn oordeelsvorming te betrekken, zonder een beroep te moeten doen op een beëdigd vertaler of de partijen de gelegenheid te geven over de betekenis van die stukken standpunt in te nemen; het recht van verdediging van de partijen is afdoende gewaarborgd door hun recht om tijdens de rechtspleging en binnen de wettelijk bepaalde grenzen vertaling van die stukken te vorderen. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Vrije woorden: Stukken opgesteld in een andere taal dan die van de rechtspleging - Kennisname door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Taalgebruik in gerechtszaken - Stukken opgesteld in een andere taal dan die van de rechtspleging - Kennisname door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0634.N

  1. R S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg,
  2. S F, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Lore Gyselaers, advocaat bij de balie Limburg, het cassatieberoep van de eiser 1 tegen
  3. INFRAX cvba, met zetel te 1030 Brussel (Schaarbeek), Koning Albert II-laan 37, burgerlijke partij,
  4. VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING cvba, met zetel te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 189, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 18 mei
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser
  6. Het arrest houdt de beslissing over de voor de rechtspleging in hoger beroep toe te kennen rechtsplegingsvergoeding aan. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering noch een beslissing als bedoeld door het tweede lid van deze bepaling. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is eisers cassatieberoep niet ontvan-kelijk. Middel van de eiser
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM en de artikelen 22 en 40 Taalwet Gerechtszaken, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest vermeldt dat de appelrechters afdoende de Franse taal beheersen tenein-de kennis te kunnen nemen van de stukken in deze taal; de taalwetgeving laat niet toe dat de rechter zelf stukken vertaalt die deel uitmaken van het gerechtelijk on-derzoek en die mede tot de bewezenverklaring van de telastleggingen hebben ge-leid; er werd geen tegenspraak toegelaten met betrekking tot deze door de appel-rechters zelf vertaalde stukken.
  8. Indien een strafdossier stukken bevat in een andere taal dan die van de rechtspleging en de rechter van oordeel is die taal machtig te zijn, belet geen enke-le bepaling de rechter van die stukken kennis te nemen en ze bij zijn oordeelsvor-ming te betrekken, zonder een beroep te moeten doen op een beëdigd vertaler of de partijen de gelegenheid te geven over de betekenis van die stukken standpunt in te nemen. Het recht van verdediging van de partijen is afdoende gewaarborgd door hun recht om tijdens de rechtspleging en binnen de wettelijk bepaalde gren-zen vertaling van die stukken te vorderen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middelen van de eiseres Eerste middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, de artikelen 2bis, 4, 6 en 9 Drugswet en de artikelen 2, 12°, 14°, 16°, 18°, 3, 6, § 1, 8, 50 en 61 van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen: het arrest vermag uit de enkele vaststelling dat de eiseres samen met de eiser, die haar echtgenoot is, de woning huurde, geen deelnemingsgedraging, namelijk dat zij de woning ter beschikking stelde aan de eiser om de feiten van de telastlegging A.II te plegen, afleiden; zij ondertekende enkel het huurcontract en uit het louter mee huren kan geen effec-tieve en bewuste terbeschikkingstelling van deze woning om strafbare feiten te plegen worden afgeleid noch dat zij op de hoogte was van enige criminele intentie van de eiser; evenmin is er sprake van een flagrant en langdurig misbruik van de gezinswoning; uit de stukken van het strafdossier blijkt dat er geen werkende plantage werd aangetroffen (eerste onderdeel); evenmin kan een deelnemingsopzet worden afgeleid uit deze feitelijke omstandigheden; het deelnemingsopzet vereist ook dat de deelnemer wil dat er een misdrijf wordt gepleegd en veronderstelt een daadwerkelijke bijdrage tot het misdrijf (tweede onderdeel); er is geen enkel intrinsiek verband tussen het betrekken van de gezinswoning en het ondertekenen van het huurcontract enerzijds en de exploitatie van een cannabisplantage ander-zijds; het arrest stelt op geen enkele wijze een door de eiseres gestelde handeling vast die gerelateerd is aan de cannabisplantage; de kennis van de eiseres dat de ei-ser een misdrijf pleegde volstaat niet om haar schuldig te verklaren aan dit misdrijf dat immers een actieve handeling veronderstelt; het arrest vermeldt geen bepaalde feiten die zouden kunnen worden beschouwd als een aanmoediging van het misdrijf, waaraan het de eiseres schuldig verklaart; het komt op geen enkele wijze tot de vaststelling dat de eiseres wetens en willens handelingen heeft gesteld die rechtstreeks betrekking hebben op de exploitatie van een cannabisplantage (derde onderdeel).
  10. Het arrest veroordeelt de eiseres niet als medeplichtige zoals bedoeld door artikel 67 Strafwetboek. In zoverre berust het middel in al zijn onderdelen op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  11. Krachtens artikel 66, tweede lid, Strafwetboek worden als daders van een misdaad of wanbedrijf gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd. Hieruit volgt dat om als mededader aan een misdaad of wanbedrijf te worden ge-straft het niet vereist is dat de deelnemer handelingen stelt die rechtstreeks betrek-king hebben op de misdaad of het wanbedrijf aan de uitvoering waarvan hij mee-werkt. Het volstaat dat hij wetens en willens aan de uitvoering heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat de misdaad of het wanbedrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd. In zoverre het middel in al zijn onderdelen van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  12. De rechter beoordeelt onaantastbaar of de mededader wetens en willens aan de uitvoering heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat de misdaad of het wanbedrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daar-mee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Het arrest oordeelt dat: - de bewering van de eiseres dat zij niet gezien zou hebben dat er een cannabis-plantage werd ingericht en geëxploiteerd in de kelder van de gezinswoning, ongeloofwaardig is, gelet op de omvang van de werken en het materiaal vereist voor de inrichting van de plantage en de daaropvolgende verzorging van de cannabisplantage; - zij zich niet op ernstige wijze kan verschuilen achter het culturele gegeven dat zij als vrouw niet zo veel zou weten en zij dit gegeven geenszins geloofwaardig maakt, daar er sprake is van flagrant en langdurig misbruik van de gezinswo-ning, waarover zijzelf zeggenschap had; - de eiseres immers de woning huurde samen met haar echtgenoot, de eiser; - het exploiteren van een cannabisplantage bovendien gepaard gaat met een vrijwel permanente geur- en geluidshinder, hetgeen de eiseres niet kon ontgaan; - uit de huiszoeking is gebleken dat de elektriciteitsmeter met verbroken zegels zich in de hal op het gelijkvloers bevond en dat de documenten die betrekking hebben op de huur van panden en beheer van een plantage zich in de kasten in de leefruimte bevonden; - de eiser de plantage in alle openheid in de gezinswoning beheerde; - de omstandigheid dat zij geen kennis zou hebben van de illegale aftakking van water of elektriciteit irrelevant is voor de beoordeling van haar mededader-schap aan de telastlegging A.II. Op grond van deze redenen kunnen de appelrechters naar recht oordelen dat de ei-seres door als medehuurder van de gezinswoning deze ter beschikking te stellen van de eiser om er een cannabisplantage te exploiteren wetens en willens een zo-danige hulp heeft verleend aan de uitvoering van het wanbedrijf omschreven in de telastlegging A.II dat dit zonder haar bijstand niet kon worden gepleegd. In zoverre kan het middel in al zijn onderdelen niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest ant-woordt niet op de door de eiseres in conclusie gevoerde betwisting over het deel-nemingsopzet; uit de door de appelrechters aangenomen redenen op grond waar-van zij de eiseres schuldig verklaren, kan geen deelnemingsopzet worden afgeleid.
  14. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat ter ondersteuning van dit verweer wordt aangevoerd, maar geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  15. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel en moet het om de in het antwoord op dit middel vermelde redenen worden ver-worpen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 160,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.