id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.8 Rolnummer: P.18.0698.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-11-29 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-06-29 06:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De strafbare poging vereist een begin van uitvoering van het misdrijf, maar niet dat het wezenlijk bestanddeel van de misdaad of van het wanbedrijf zelf reeds een aanvang heeft genomen en er is begin van uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf zodra de dader de middelen aanwendt die hij zich heeft verschaft en die hij heeft klaargelegd en in gereedheid gezet om zijn misdadig voornemen ten uitvoer te brengen; het begin van uitvoering staat in een noodzakelijk verband met het misdadig opzet van de dader en kan slechts worden verklaard uit diens wil om een welbepaald misdrijf te plegen dat rechtstreeks en onmiddellijk wordt beoogd door de gestelde daden zodat een daad die geen enkele twijfel laat bestaan over de bedoeling van de dader het begin van uitvoering kan uitmaken dat de strafbare poging kenmerkt
(1).
(1)Cass. 20 december 2017, AR P.17.0342.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.8, AC 2017, nr. 721. Thesaurus CAS: MISDRIJF - POGING Vrije woorden: Begin van uitvoering - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Fiche 2 De rechter oordeelt onaantastbaar of er een begin van uitvoering is geweest en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Cass. 24 maart 2010, AR P.10.0473.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.1, AC 2010, nr. 215. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Misdrijf - Poging - Begin van uitvoering - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0698.N B H, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advo-caat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 29 mei 2018. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 51, 392, 393 en 394 Strafwetboek, alsmede miskenning van het wettig begrip begin van uitvoering: de appelrechters bestempelen de feiten waarvoor de eiser wordt vervolgd ten onrech-te als daden van begin van uitvoering van het ten laste gelegde misdrijf en leiden hieruit af dat deze feiten kunnen worden beschouwd als een moordpoging; de door de appelrechters in aanmerking genomen feitelijke gedragingen betreffen echter alle louter voorbereidende handelingen van het ten laste gelegde misdrijf, meer bepaald het zoeken en beopdrachten van een mogelijke uitvoerder ervan. 2. Krachtens artikel 51 Strafwetboek bestaat er strafbare poging, wanneer het voornemen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad of dat wan-bedrijf uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de dader onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist. 3. De strafbare poging vereist derhalve een begin van uitvoering van het mis-drijf, maar niet dat het wezenlijk bestanddeel van de misdaad of van het wanbe-drijf zelf reeds een aanvang heeft genomen. 4. Er is begin van uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf zodra de da-der de middelen aanwendt die hij zich heeft verschaft en die hij heeft klaargelegd en in gereedheid gezet om zijn misdadig voornemen ten uitvoer te brengen. Het begin van uitvoering staat in een noodzakelijk verband met het misdadig opzet van de dader en kan slechts worden verklaard uit diens wil om een welbepaald misdrijf te plegen dat rechtstreeks en onmiddellijk wordt beoogd door de gestelde daden. Een daad die geen enkele twijfel laat bestaan over de bedoeling van de da-der kan dus het begin van uitvoering uitmaken dat de strafbare poging kenmerkt. 5. De rechter oordeelt onaantastbaar of er een begin van uitvoering is geweest. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aan-genomen. 6. De appelrechters gronden het oordeel dat niet louter voorbereidende hande-lingen werden gesteld, maar er wel degelijk een begin van uitvoering is op de vol-gende eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen: - het geven van de opdracht door A.V. (eerste beklaagde) via I.G. (vierde be-klaagde) en de aanvaarding ervan door de eiser na onderhandelingen over het te betalen bedrag; - de betaling van dit bedrag door A.V. (eerste beklaagde) en M.U. (tweede be-klaagde); - de verscheidene ontmoetingen tussen A.V. (eerste beklaagde), de eiser en I.G. (vierde beklaagde); - de ontmoetingen geregeld door de eiser met andere potentiële uitvoerders, tot zes ontmoetingen toe; - de verkenning van de woning in Koersel door de eiser met A.V. (eerste be-klaagde); - de vraag tot overhandiging van foto's van het slachtoffer door de eiser, die later in het bezit van een potentiële uitvoerder zijn; - het voorhanden hebben van een geheim gsm-toestel voor contacten in verband met de moordplannen bij A.V. (eerste beklaagde); - het aandringen op de teruggave van de betaalde geldsom ook door M.U. (twee-de beklaagde) na de ontmoeting van de undercoveragent op 23 november 2015, die de vrouw van A.V. (eerste beklaagde) wil ombrengen; - het aandringen op een ontmoeting tussen A.V. (eerste beklaagde) en de eiser op 30 november 2015 die aanleiding geeft tot "goed nieuws" in die zin dat de un-dercoveragent in kennis wordt gesteld door A.V. (eerste beklaagde) dat hij er nog altijd mee bezig is en er een nieuwe afspraak tussen A.V. (eerste beklaag-
- de)en de eiser is gepland met een vriend om 6 uur op 2 december 2015; - het in contact komen door de undercoveragent met A.V. (eerste beklaagde) en het bespreken van de uitvoering in het café Zero Zero te Maasmechelen, die in het bezit was van de foto's, identiteitsgegevens en telefoonnummers van het beoogde slachtoffer; - het zich voordoen door de undercoveragent ten aanzien van de aanvankelijke opdrachtgever, A.V. (eerste beklaagde), als de effectieve uitvoerder van de moord; - het ontvangen door de eiser van de betreffende foto's en gegevens van A.V. (eerste beklaagde); - het doorgeven door de eiser van deze foto's en de gegevens aan de undercoveragent in de overtuiging dat deze een huurmoordenaar was en de moord zou uitvoeren; - het aan de uitvoerder verlenen van onmisbare hulp bij de uitvoering van het misdrijf vervat in de telastlegging, na het ontvangen van het overeengekomen en onderhandelde bedrag van 25.000,00 euro en bijkomend 5.000,00 euro, door het overhandigen van de foto's en gegevens; - het samen op verkenning gaan door de eiser met A.V. (eerste beklaagde) aan de woning (voor- en achterzijde) van het beoogde slachtoffer. Op grond van deze redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat wel de-gelijk daden van begin van uitvoering werden gesteld en is die beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 51, 66, 392, 393 en 394 Strafwetboek: de appelrechters miskennen de onzelfstandigheid van de strafbare deelneming door de eiser schuldig te verklaren als strafbare deelnemer - mededa-der aan de ten laste gelegde poging tot moord, zonder vast te stellen dat de under-coveragent-uitvoerder - de hoofddader - een begin van uitvoering van het beoog-de feit heeft gesteld. 8. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest wettig oordeelt dat er daden van begin van uitvoering zijn gesteld. Het onderdeel dat is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde stelling dat er geen da-den van begin van uitvoering zijn, is niet ontvankelijk. Tweede middel 9. Het middel voert schending aan van de artikelen 51, 66, 392, 393 en 394 Strafwetboek en de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, alsmede misken-ning van het wettig begrip feitelijk vermoeden: de appelrechters miskennen het wettig begrip feitelijk vermoeden door uit de loutere vaststelling dat de foto's en gegevens die in het bezit waren van de undercoveragent, voordien aan de eiser door A.V. waren overhandigd, af te leiden dat de eiser deze foto's en gegevens aan de undercoveragent heeft overhandigd en aldus onmisbare hulp heeft verleend bij de uitvoering van het ten laste gelegde misdrijf; het valt immers niet uit te slui-ten dat de undercoveragent in het bezit kwam van de foto's en gegevens via de huurmoordenaar wiens plaats hij volgens de appelrechters op 23 november 2015 had ingenomen. 10. De artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek zijn in de regel niet van toe-passing in strafzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Een vermoeden is een gevolgtrekking die de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. De rechter stelt onaantastbaar de feiten vast waarop hij zijn beslissing grondt en de gevolgtrekkingen uit die feiten worden aan zijn oordeel overgelaten. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 12. Met het door het middel bekritiseerde oordeel trekken de appelrechters uit de vermelde door het arrest vastgestelde feiten geen gevolgen die op grond daar-van onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest miskent eisers recht van verdediging door de uitgesproken straf en strafmaat mee te gronden op de omstandigheid dat de eiser het hem ten laste gelegde feit minimaliseert en her-leidt tot oplichting; aldus bestraffen de appelrechters de wijze waarop de eiser zijn onschuld wilde staande houden. 14. De appelrechters bepalen de strafmaat mede op grond van volgende reden die zij van het beroepen vonnis overnemen en die was vermeld onder de rubriek strafmaat: "[De eiser] minimaliseert het feit en herleidt deze tot oplichting waarbij hij de geldsom aannam om zijn schulden af te lossen." Aldus bestraffen zij de wijze waarop de eiser zich heeft verdedigd tegen de telastlegging van poging moord en miskennen zij zijn recht van verdediging. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie 15. De onwettigheid van de beslissing over de straf laat de beslissing over eisers schuld onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf en tot de betaling van bijdragen aan het Slachtofferfonds en aan het Begrotingsfonds voor de Juridi-sche Tweedelijnsbijstand. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Begroot de kosten op 294,75 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.8 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div