← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.4 Rolnummer: C.17.0220.N-C.17.0318.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 1167 - laatst gezien 2026-06-29 09:58 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 Fiches 1 - 3 Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, staat het de rechter de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan; een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling toelaatbaarheid door de rechter - Wijze - Wering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 02-08-2002 - Art. 70, §§ 1 en 2 - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14, IVBPR - Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling toelaatbaarheid door de rechter - Wijze - Wering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 02-08-2002 - Art. 70, §§ 1 en 2 - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling toelaatbaarheid door de rechter - Wijze - Wering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 02-08-2002 - Art. 70, §§ 1 en 2 - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Fiche 4 Een gebrek aan objectieve of structurele onpartijdigheid door een administratieve overheid leidt niet noodzakelijk tot een schending van artikel 6.1 EVRM, indien de beslissing van die overheid daaropvolgend onderworpen wordt aan een toetsing door een rechtscollege met volle rechtsmacht dat zelf alle waarborgen van artikel 6 EVRM biedt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Administratieve overheid - Objectieve of structurele onpartijdigheid - Gebrek - Herstel - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wet - 02-08-2002 - Artt. 44 en 121, § 1, 4° - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Fiche 5 "Wetens en willens handelen" zoals vereist bij artikel 5, tweede lid, Strafwetboek betekent dat de dader bewust en zonder dwang handelt; die bepaling vereist niet dat de dader te kwader trouw of bedrieglijk handelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Vrije woorden: Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek - Wetens en willens handelen - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek dat de gevallen regelt waarin de verantwoordelijkheid van een natuurlijke persoon en van een rechtspersoon in het gedrang komen wegens eenzelfde misdrijf, voert een strafuitsluitingsgrond in voor degene die de minst zware fout heeft begaan; die verschoningsgrond geldt voor de dader van het door onvoorzichtigheid of onachtzaamheid gepleegde misdrijf en niet voor degene die wetens en willens heeft gehandeld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Algemeen Vrije woorden: Eenzelfde misdrijf - Verantwoordelijkheid van een natuurlijk persoon en van een rechtspersoon - Strafuitsluitingsgrond - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 7 De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn binnen dewelke een vervolgde persoon het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, in de zin van artikel 6.1 EVRM, is overschreden; hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de vervolgde persoon en de houding van de gerechtelijke overheid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling door de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Fiche 8 Een akte van rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld of, in het geval een aanhaling in een andere taal van de rechtspleging is opgenomen, wanneer in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging is weergegeven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Akte van rechtspleging - Vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 24 en 40, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0220.N H.V. eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN MARKTEN (afgekort FSMA), autonome openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Congresstraat 12-14, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Alain Foriers en mr. Caroline De Baets, advoca-ten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, in aanwezigheid van AGEAS nv, met zetel te 1000 Brussel, Markiesstraat 1, tot bindendverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de tot bindendverklaring opge-roepen partij woonplaats kiest. Nr. C.17.0318.N AGEAS nv, met zetel te 1000 Brussel, Markiesstraat 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN MARKTEN (afgekort FSMA), autonome openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Congresstraat 12-14, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Alain Foriers en mr. Caroline De Baets, advoca-ten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, in aanwezigheid van H.V. tot bindendverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de tot bindendverklaring opge-roepen partij woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 september
  1. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 11 september 2018 een schrifte-lijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser in de zaak C.17.0220.N voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiseres in de zaak C.17.0318.N voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Samenvoeging
  2. De cassatieberoepen in de zaken C.17.0220.N en C.17.0318.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. Zaak C.17.0220.N Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 70, § 1, van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 2 juli 2010, hierna Wet Financieel Toezicht, gelast het directiecomité de secretaris-generaal met het onderzoek van het dossier, indien de CBFA, thans FSMA, in de uitoefening van haar wettelijke opdrachten ernstige aanwijzingen vaststelt van het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot het opleggen van een administratieve geldboete of een dwangsom, of indien zij ingevolge een klacht van een dergelijke praktijk in kennis wordt gesteld. De se-cretaris-generaal voert te dien einde de titel van auditeur. De auditeur onderzoekt de aangelegenheden ten laste en ten gunste en maakt zijn bevindingen over aan de sanctiecommissie. Overeenkomstig artikel 70, § 2, van voormelde wet kan de auditeur voor de uit-voering van zijn opdracht alle onderzoeksbevoegdheden uitoefenen die aan de FSMA zijn toevertrouwd door de wettelijke en reglementaire bepalingen die de betrokken materie regelen. Te dien einde wijst hij voor elke zaak een verslaggever aan, onder de personeelsleden van de FSMA.
  4. Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, staat het de rechter de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elemen-ten van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan. Een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijs-verkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht.
  5. Het verbod voor de auditeur om andere feiten te onderzoeken dan deze die door het directiecomité bij hem aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 70, § 1, Wet Financieel Toezicht, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Bijge-volg kan de rechter het als gevolg van die overschrijding opgeleverde bewijs enkel nietig verklaren of op een andere wijze uitsluiten wanneer hij preciseert hoe en waarom die onregelmatigheid ofwel de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aan-getast ofwel tot gevolg heeft dat het gebruik van dat bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
  6. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de vervolgingen die werden ingesteld op grond van de overschrijding van de saisine van de auditeur, in elk geval niet ontvankelijk moeten worden verklaard, zonder dat rekening moet worden gehouden met de vraag of die overschrijding het recht op een eerlijk proces of de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, faalt naar recht. (...) Tweede middel Eerste en derde onderdeel
  7. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem in-gestelde vervolging, eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
  8. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt een gebrek aan objectieve of structurele onpartijdigheid door een ad-ministratieve overheid niet noodzakelijk tot een schending van artikel 6.1 EVRM, indien de beslissing van die overheid daaropvolgend onderworpen wordt aan een toetsing door een rechtscollege met volle rechtsmacht dat zelf alle waarborgen van artikel 6 EVRM biedt (EHRM 26 oktober 1984, De Cubber t. België, r.o. 33; EHRM 7 november 2000, Kingsley t. Verenigd Koninkrijk, r.o. 50-59; EHRM 14 november 2000, Riepan t. Oostenrijk, r.o. 39; EHRM 14 november 2006, Tsfayo t. Verenigd Koninkrijk, r.o. 41-49; EHRM 4 maart 2014, Grande Stevens e.a. t. Italië, r.o. 138-139 en 161).
  9. In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat een gebrek aan structurele onpar-tijdigheid door een administratieve overheid noodzakelijk een onherstelbare schending van artikel 6.1 EVRM oplevert die leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen uitgevoerd door die overheid, falen zij naar recht.
  10. Krachtens artikel 44 Wet Financieel Toezicht is de FSMA een autonome in-stelling met rechtspersoonlijkheid en met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  11. Krachtens artikel 121, § 1, 4°, Wet Financieel Toezicht kan bij het hof van beroep te Brussel beroep worden ingesteld tegen elke beslissing van de FSMA waarbij een dwangsom of een administratieve geldboete wordt opgelegd en die is genomen met toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, 2°, of § 2, van deze wet. Uit deze bepaling en de wetsgeschiedenis blijkt dat het hof van beroep te Brussel over een volle rechtsmacht beschikt, waarbij het de beslissing van de administra-tieve overheid niet enkel kan vernietigen, maar ook kan hervormen en zijn eigen beslissing in de plaats kan stellen.
  12. De appelrechters oordelen dat: - door de combinatie van de nauwe betrokkenheid en actieve toezichtrol van de verweerster ten aanzien van Fortis als bank en als beursgenoteerde groep, ener-zijds, en de bijzondere omstandigheid dat de verweerster haar optreden nadien diende te rechtvaardigen tegen scherpe kritiek van pers en aandeelhouders voor wat gepercipieerd werd als een falend controleoptreden, anderzijds, de schijn is ontstaan dat het directiecomité er een belang bij had de eiser te vervolgen ten-einde zichzelf in te dekken tegen mogelijke aanklachten; - de eiser in die omstandigheden de legitieme vrees kon hebben dat een grondig en objectief onderzoek naar en een onpartijdige beoordeling van het controle-optreden van het directiecomité of bepaalde van haar leden - waaruit zou kun-nen blijken dat de verweerster afdoende op de hoogte was van de solvabiliteitsevolutie binnen Fortis en niettemin geen bezwaar maakte ten aanzien van externe communicaties die hierop betrekking hadden - niet mogelijk of zeer moeilijk zou zijn; - de eiser in de huidige procedure opnieuw de gelegenheid heeft gehad alle per-tinente bewijselementen in het debat te brengen, waarvan hij kennis heeft en die kunnen wijzen op een goedkeuring door de verweerster van de externe communicaties van Fortis, en desgevallend onderzoeksmaatregelen te vorderen, zodat het hof over deze verschoningsgrond met volle rechtsmacht kan oordelen in het kader van de behandeling van het verweer van de eiser ten gronde; - de door het hof van beroep vastgestelde anomalieën geen onherstelbare inbreu-ken vormen op het recht van verdediging van de eiser in de mate dat de eiser zonder hierdoor nog verder gehinderd te zijn, voor het hof van beroep zijn verweer ten volle heeft kunnen voeren en het hof van beroep hierover met volle rechtsmacht opnieuw kon oordelen.
  13. De appelrechters herstellen aldus de schijn van objectieve partijdigheid van de verweerster door de beslissing van de verweerster aan een toetsing met volle rechtsmacht te onderwerpen met naleving van de waarborgen van artikel 6.1 EVRM. Hierdoor schenden de appelrechters noch de aangevoerde wetsbepalingen noch miskennen zij de aangevoerde algemene rechtsbeginselen, zonder dat zij verplicht waren de vervolgingen niet ontvankelijk te verklaren. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. (...) Vijfde middel (...) Derde onderdeel
  14. Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdenti-ficeerde natuurlijke persoon, enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan, kan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.
  15. "Wetens en willens handelen" zoals vereist bij voormelde bepaling betekent dat de dader bewust en zonder dwang handelt. Die bepaling vereist niet dat de dader te kwader trouw of bedrieglijk handelt.
  16. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat "wetens en willens handelen" een bedrieglijk opzet veronderstelt, namelijk een daadwerkelijke intentie om te mis-leiden, faalt het naar recht.
  17. De appelrechters oordelen dat: - de eiser bezwaarlijk staande kan houden dat hij onwetend was over het potenti-eel misleidend karakter van zijn mededeling; - in aanmerking nemend zijn positie binnen het bedrijf en zijn deelname aan di-verse voorbereidende vergaderingen van het ExCo, RCC en ERCC, de eiser niet onwetend kon zijn van de eerder onrustwekkende evoluties en solvabili-teitsprognoses gedurende het tweede trimester van 2008 en dat wegens een na-kend stress case scenario nieuwe verdergaande maatregelen niet langer vielen uit te sluiten; - de eiser niet anders dan zich bewust kon zijn van de groeiende discrepantie tus-sen wat eerder hierover naar de markt was gecommuniceerd en de inzichten en standpunten die zich hieromtrent binnen het Fortis topmanagement kristalli-seerden in de weken en dagen voorafgaand aan zijn presentatie; - dit reeds moge blijken uit het feit dat op zijn verzoek de presentatie door de communicatiedienst van Fortis enigermate werd bijgestuurd; - de eiser bovendien wel degelijk wist dat een bijsturing van zijn presentatie niet zou leiden tot een fundamenteel afwijkende boodschap; - de eiser zich nochtans bewust moest zijn van het feit dat deze optimistische in-terpretatie van de voorliggende solvabiliteitsramingen niet door zijn collega's werd gedeeld; - de eiser met de wetenschap waarover hij beschikte moest beseffen dat zijn pre-sentatie de toehoorders kon misleiden over de werkelijke aard en omvang van de solvabiliteitskloof van Fortis en over de groeiende vrees van het manage-ment dat een stress case scenario zich zou voordoen en de daarmee samenhan-gende noodzaak tot verdergaande maatregelen; - de eiser in de gegeven omstandigheden gezien het uiterst delicate karakter er-van had kunnen weigeren zelf over de solvabiliteitspositie van Fortis te com-municeren.
  18. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, stellen de appelrechters met deze overwegingen vast dat de eiser "wetens en willens" heeft gehandeld. In zoverre berust het onderdeel op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  19. Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek dat de gevallen regelt waarin de verant-woordelijkheid van een natuurlijke persoon en van een rechtspersoon in het ge-drang komen wegens eenzelfde misdrijf, voert een strafuitsluitingsgrond in voor degene die de minst zware fout heeft begaan. Die verschoningsgrond geldt voor de dader van het door onvoorzichtigheid of on-achtzaamheid gepleegde misdrijf en niet voor degene die wetens en willens heeft gehandeld.
  20. Door na de vaststelling dat de eiser "wetens en willens" heeft gehandeld, de eiser te veroordelen wegens inbreuk op artikel 25, § 1, 4°, Wet Financieel Toe-zicht, zonder te onderzoeken of de eiser dan wel Fortis de zwaarste fout heeft ge-pleegd, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Zij schenden hierdoor noch de in het onderdeel aangevoerde wetsbepalingen noch miskennen zij de aangevoerde algemene rechtsbeginselen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. (...) Zaak C.17.0318.N (...) Derde middel Eerste onderdeel
  21. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn binnen dewelke een vervolgde persoon het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, in de zin van artikel 6.1 EVRM, is overschreden. Hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aan-merking, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de vervolgde persoon en de houding van de gerechtelijke overheid.
  22. De appelrechters oordelen dat: - het weinig geloofwaardig overkomt dat het directiecomité bijna 17 maanden nodig zou hebben gehad - van het definitief verslag van de auditeur van 30 no-vember 2010 tot de beslissing om te vervolgen op 12 april 2012 - om de bevin-dingen van de auditeur grondig te bestuderen; - de verweerster geen redelijke verantwoording verschaft voor het feit dat de procedure kennelijk meerdere maanden volledig heeft stilgelegen waardoor de totale termijn van de procedure nodeloos werd verlengd; - er tussen de saisine van de sanctiecommissie op 12 april 2012 en haar uitspraak op 17 juni 2013 een termijn is verlopen van ongeveer 14 maanden, wat niet als onredelijk lang kan worden aangemerkt gelet op de complexiteit van de zaak; - tussen de aanvangsdatum van de termijn op 8 september 2010 - de inverden-kingstelling - en de beslissing van de sanctiecommissie op 17 juni 2013 onge-veer 33 maanden verliepen gedurende dewelke de tot bindendverklaring opge-roepen partij leefde onder de dreiging van een sanctie, wat op zichzelf ook niet onredelijk lang is; - de duur van de gehele procedure inbegrepen deze voor het hof van beroep iets meer dan 60 maanden bedraagt; - de instaatstelling voor het hof van beroep volgens afspraak gebeurde tussen partijen; - kort na de neerlegging van de laatste conclusie op 31 maart 2015 een pleitda-tum volgde; - het beraad ongeveer vier maanden in beslag nam, met inbegrip van de periode van het gerechtelijk verlof.
  23. Door op die gronden te oordelen dat, niettegenstaande het gebrek aan recht-vaardiging voor een periode van meerdere maanden van inactiviteit door het di-rectiecomité, de totale duurtijd van de procedure in haar geheel beschouwd geen overschrijding van de redelijke termijn met zich meebrengt, verantwoorden de ap-pelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (...) Vierde middel
  24. Overeenkomstig artikel 24 Taalwet Gerechtszaken, waarvan de bepalingen, krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld.
  25. Een akte van rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld of, in het geval een aanhaling in een andere taal van de rechtspleging is opgenomen, wanneer in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging is weergegeven.
  26. De appelrechters hebben de zakelijke inhoud van de elementen van de En-gelstalige dia nr. 8 waarop zij hun beslissing steunen, in het Nederlands weerge-geven, met name de titel "Gezonde pro forma doorkijk kapitaal ratio's", de bege-leidende tekst die bij de dia werd gebruikt, de datum van 31 maart 2008, de ra-mingen van kapitaalbehoefte waaruit een solvabiliteitstekort van 3 miljard euro blijkt op voormelde datum en de vermelde maatregelen om het tekort te dichten, die enkel verwijzen naar het basisscenario en geen gewag maken van de noodzaak tot het nemen van verdergaande maatregelen zoals een kapitaalverhoging en een wijziging van dividendpolitiek. Het middel kan niet worden aangenomen. (...) Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.17.0220.N en C.17.0318.N. Verwerpt de cassatieberoepen en de vorderingen tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiser tot de kosten in de zaak C.17.0220.N. Veroordeelt de eiseres tot de kosten in de zaak C.17.0318.N. Bepaalt de kosten in de zaak C.17.0220.N op 720,06 euro. Bepaalt de kosten in de zaak C.17.0318.N op 1.300,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 9 november 2018 uitgesproken door sec-tievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211126.1F.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.