id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.1 Rolnummer: P.17.1213.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-29 10:08 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181113.1 Fiche Uit het verplicht karakter van de door artikel 16.6.4, eerste lid, DABM bedoelde veroordeling tot herstel volgt niet dat de strafrechter deze herstelmaatregel ook moet bevelen indien voor hem wordt aangevoerd en ook blijkt dat ingevolge een bestuurlijke beslissing of feitelijke omstandigheden de gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf van het achterlaten van afvalstoffen in strijd met de decretale bepalingen verdwenen zijn en de herstelmaatregel geen voorwerp meer heeft; de strafrechter moet in dat geval onderzoeken of de maatregel noodzakelijk is om de gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf te laten verdwijnen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Achterlaten van afvalstoffen in strijd met het Materialendecreet - Herstelmaatregel - Verplichte veroordeling tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen - Grens Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 05-04-1995 - Art. 16.6.4, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Milieurecht [T.M.R.] - VAN ORSHOVEN, Jonas; DEVOS Dominique; Noot "De verplichte herstelmaatregel bij achterlaten van afvalstoffen, niet meer zo verplicht?" - 2019, nr. 3, p. 323-
- Tekst van de beslissing Nr. P.17.1213.N
- V bvba, beklaagde,
- K A O V, beklaagde,
- W J E C, beklaagde,
- F L V, beklaagde, eisers, allen met als raadsman mr. Koenraad Stubbe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 november
- De eisers 1 en 2 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers 3 en 4 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, eveneens vier middelen aan. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft op 8 november 2018 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 13 november 2018 heeft raadsheer Alain Bloch verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal Marc Timperman gecon-cludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eisers 1 en 2 Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet en artikel 16.6.4 DABM, alsmede miskenning van het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten zoals neergelegd in de artikelen 36, 37 en 40 Grondwet: het arrest onderzoekt geenszins welk rechtsgevolg er moet worden verbonden aan het bestaan van een definitief geworden administratieve rechtshandeling zoals het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning die toelaat de aangevoerde grondspecie te gebruiken; het verstrekt geen antwoord op het zelfstandig middel van de eisers dat de rechter acht moet slaan op regelmatig tot stand gekomen overheidsbeslissingen en dat die enkel mogen worden genegeerd als ze onwettig zijn; de redengeving betreffende het verplicht karakter van de veroordeling be-antwoordt eisers verweer ter zake niet en belet het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Artikel 16.6.4 DABM bepaalt: "Wie afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam be-heer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, wordt door de strafrechter veroor-deeld tot het inzamelen, vervoeren en verwerken ervan binnen een door hem vast-gestelde termijn. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in het eerste lid kan de veroor-deelde worden verplicht tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, ver-voeren en verwerken van de afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Af-valstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of door het Vlaamse Gewest."
- Uit het verplicht karakter van de door artikel 16.6.4, eerste lid, DABM be-doelde veroordeling tot herstel volgt niet dat de strafrechter deze herstelmaatregel ook moet bevelen indien voor hem wordt aangevoerd en ook blijkt dat ingevolge een bestuurlijke beslissing of feitelijke omstandigheden de gevolgen van het be-wezen verklaarde misdrijf van het achterlaten van afvalstoffen in strijd met de de-cretale bepalingen verdwenen zijn en de herstelmaatregel geen voorwerp meer heeft. De strafrechter moet in dat geval onderzoeken of de maatregel noodzakelijk is om de gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf te laten verdwijnen.
- Het arrest dat louter op grond van het verplicht karakter van de door artikel 16.6.4, eerste lid, DABM bevolen herstelmaatregel bij de beoordeling van het be-velen van die herstelmaatregel de door de eisers 1 en 2 aangevoerde stedenbouw-kundige vergunning weigert te betrekken, die volgens hen een regulariserend ef-fect zou hebben, is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 2 en 1138, 2° Gerechtelijk Wetboek en artikel 6.1.41, § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van de bewijskracht van de stedenbouwkundige herstelmaatregel van de stedenbouwkundige inspecteur van 24 augustus 2015: het arrest oordeelt terecht dat de eisers 1 en 2 geen hoger beroep hebben ingediend te-gen het beroepen vonnis dat besliste om de beoordeling van de stedenbouwkundi-ge herstelvordering in voortzetting te zetten; het oordeelt ten onrechte dat deze beslissing bij gebrek aan hoger beroep definitief is; de eisers 1 en 2 verkeerden na-melijk in de onmogelijkheid hoger beroep aan te tekenen daar er nooit een her-stelvordering tegen hen werd ingediend en de correctionele rechtbank zich dus daarover niet diende uit te spreken; het arrest dat impliciet oordeelt dat een derge-lijke beslissing wel bestond, spreekt zich uit over zaken die niet gevorderd wer-den.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers 1 en 2 hoger beroep hebben aangetekend tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis en dat zij in hun grievenformulier geen melding maken van de beslissing betreffende de stedenbouwkundige herstelvordering. Het openbaar ministerie heeft afstand gedaan van zijn hoger beroep in zoverre gericht tegen de eisers 1 en
- Het arrest oordeelt dat wat betreft de eisers 1 en 2 de beslissing tot het in voortzetting zetten van de beoordeling van de herstelvordering definitief is. Aldus oordelen de appelrechters niet ultra petita en overschrijden zij niet hun bevoegd-heid, maar verantwoorden ze integendeel de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Aangezien de appelrechters beslissen dat zij geen saisine hebben voor wat betreft de herstelvordering tegen de eisers 1 en 2, hebben zij betreffende die vor-dering ook geen enkele beslissing genomen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Middelen van de eisers 3 en 4 Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het eer-ste middel van de eisers 1 en
- Het is om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel in zoverre gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 806 Gerechtelijk Wetboek: hoewel de eisers 3 en 4 in eerste aanleg de afwijzing van de steden-bouwkundige herstelvordering hadden gevraagd, heeft de eerste rechter vastge-steld dat de zaak niet in staat van wijzen was; het arrest oordeelt dat het hoger be-roep niet ontvankelijk is omdat het gericht is tegen een inwendige maatregel; wanneer een beslissing uitspraak doet over een rechts- of feitenkwestie is er evenwel geen sprake meer van een inwendige of administratieve beslissing.
- Artikel 806 Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, dat betrekking heeft op de behandeling en berechting van zaken bij verstek, is vreemd aan deze grief. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van deze bepaling, faalt het naar recht.
- Een beslissing van inwendige aard waartegen geen hoger beroep mogelijk is, is een beslissing die de belangen van de partijen niet kan schaden en niet oor¬deelt over de feiten, noch over de voorliggende rechtsvraag.
- Het beroepen vonnis oordeelde: "Daar de rechtbank op basis van de haar thans voorgelegde stukken niet in de mogelijkheid verkeert om te oordelen of op heden effectief aan al deze voorwaarden is voldaan, en of de toestand bijgevolg inderdaad op stedenbouwkundig gebied (hetzij deels, hetzij volledig) is geregula-riseerd, is de rechtbank van oordeel dat de zaak wat betreft de gevorderde her-stelvordering niet in staat van wijzen is. De voortzetting van de zaak naar de openbare terechtzitting zoals hierna bepaald, moet het openbaar ministerie en de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur toelaten standpunt in te nemen omtrent het al dan niet zonder voorwerp zijn van de herstelvordering op stedenbouwkundig gebied." Het stelde om die redenen vast dat wat de stedenbouwkundige her-stelvordering betreft de zaak niet in staat van wijzen was en stelde de zaak wat dit betreft in voortzetting naar de openbare rechtszitting van 20 maart
- Het arrest oordeelt: "De beslissing van de eerste rechter beperkte zich tot de vaststelling dat de herstelvordering niet in staat van wijzen was en het, om die re-denen, in voortzetting stellen van de behandeling ervan. Dit is een maatregel van inwendige aard: de eerste rechter nam hiermee immers een beslissing waarbij geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard of geen enkel feitelijke of rechtsvraag werd beslecht, of waarbij hij daarover een beslissing wees of erop vooruitliep, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen. Dergelijke beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep." Met die redenen verantwoorden de appelrechters de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig waar het enerzijds oordeelt niet te kunnen beslissen over het hoger beroep inzake de beslissing over de stedenbouwkundige herstelvordering en an-derzijds de beslissing bevestigt waarbij de burgerlijke belangen worden aange-houden, waarvan deze herstelvordering deel uitmaakt; het arrest is bovendien dubbelzinnig gemotiveerd omdat het Hof in de onmogelijkheid is uit te maken welke rechter nu precies over de stedenbouwkundige herstelmaatregel moet be-slissen.
- In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert zonder aan te geven in welke lezing het arrest wettig is en in welke andere lezing het on-wettig is, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De stedenbouwkundige herstelmaatregel beoogt niet zoals een schadever-goeding de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar het ongedaan maken van de gevolgen van het misdrijf in het algemeen belang. Artikel 4, eerste tot vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering strekt ertoe de be-nadeelde toe te laten om zijn burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van de uit een misdrijf voortkomende schade bij de strafrechter aanhangig te maken. Het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen heeft dan ook geen betrekking op de vordering van de herstelvorderende overheden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motieven doet zich bijgevolg niet voor. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging: het arrest wijst het hoger beroep van de eisers 3 en 4 inzake de stedenbouwkundige herstel-vordering af als onontvankelijk, terwijl hun grief enkel de afwijzing van de ste-denbouwkundige vordering betrof wegens het ontbreken van een voorwerp; het miskent hun recht van verdediging doordat de eisers niet vooraf de gelegenheid kregen om daarover standpunt in te nemen.
- Geen enkele wetsbepaling verplicht de strafrechter, die kennis neemt van een hoger beroep en van oordeel is dat dit hoger beroep geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk is de appellant de gelegenheid te geven daarover voorafgaandelijk standpunt in te nemen. De appellant moet er steeds mee rekening houden dat in een appelprocedure de strafrechter zijn hoger beroep onontvankelijk verklaart. Dit houdt geen miskenning in van het recht van verdediging. Het onderdeel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing waarbij de appelrechters lastens de eisers 1 tot en met 4 het herstel bevelen op grond van artikel 16.6.4, eerste lid, DABM leidt tot de vernietiging van de op grond van artikel 16.6.4, tweede lid, DABM bevolen maatregel die er het gevolg van is. Ze laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Overige grieven van de eisers 1 tot en met 4
- De overige grieven van de eisers 1 tot en met 4 kunnen niet leiden tot ruime-re cassatie of cassatie zonder verwijzing en behoeven dan ook geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers 1, 2, 3 en 4 bij toepassing van artikel 16.6.4, eerste lid, DABM verplicht tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van achtergelaten afvalstoffen binnen de bepaalde termijn onder ver-beurte van een dwangsom en hen bij toepassing van artikel 16.6.4, tweede lid, DABM veroordeelt tot de terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of door het Vlaamse Gewest voor zover zij het afval niet zelf verwijderen binnen de gestelde termijn. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers 1 tot en met 4 tot vier vijfden van de kosten van hun cassa-tieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 719,97 euro waarvan 486,97 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 13 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg A. Lievens P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181113.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div