id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.2 Rolnummer: P.18.0203.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 552 - laatst gezien 2026-06-29 00:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche De strijdigheid van een door artikel 146, eerste lid, 1°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde handeling met de Gewestplannen kan niet leiden tot de niet-toepasselijkheid van het Vrijstellingenbesluit op grond van artikel 1.4 van dit besluit. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Uitvoeren van handelingen zonder voorafgaande vergunning - Strijdigheid met de Gewestplannen - Vrijstelling van vergunning Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 146, eerste lid, 1° - 33 ELI link Pub nr 1999035652 Besluit Vlaamse Regering - 15-05-2009 - Art. 6.1.1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit Vlaamse Regering - 16-07-2010 - Art. 1.4 - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Tekst van de beslissing Nr. P.18.0203.N
- L I V, beklaagde,
- VULPIA nv, met zetel te 2950 Kapellen, Kalmthoutsesteenweg 51, verte-genwoordigd door de lasthebber ad hoc Stefan WALGRAEVE, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten 57, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Koenraad Van De Sijpe, advocaat bij de balie Dendermon-de, tegen COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN van de GEMEEN-TE KAPELLEN, met kantoor te 2950 Kapellen, Antwerpsesteenweg 130, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Roland Pockele-Dilles, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Stoopstraat 1 bus 13, waar de verweerder woon-plaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 31 januari
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest (p. 24 en 31) verklaart de herstelvordering ongegrond wat betreft het aanbrengen van diverse verhardingen bij de hoeve. Het arrest (p. 24-26 en 31) stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is op vijf punten die het ver-meldt. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4.4.1, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 1.4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (hierna Vrijstellingenbesluit): het arrest houdt voor wat betreft de beslissing op de strafvordering bij de beoordeling van de toepasselijkheid van het Vrijstellingenbesluit ten onrechte rekening met de gewestplanbestemming; artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit maakt immers geen melding van een gewestplan; een en ander heeft ook gevolgen voor de beslissing over de herstelvordering, die moet worden beoordeeld voor de op het ogenblik van de beslissing geldende vrijstellingsregels; dit geldt voor wat betreft de beslissing op de strafvordering minstens voor de instandhouding van de stalen afsluitingen en de betonnen mestopslag en voor wat betreft de beslissing op de herstelvordering minstens voor de stalen afsluitingen, de aanleg van de paddock (afspanning van het weiland) en de betonnen mestopslag. Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
- De verweerder voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het niet tot cassatie kan leiden: het arrest steunt de beslissing niet uitsluitend op de strij-digheid met de gewestplanbestemming. Verder wordt aangevoerd dat het middel niet ontvankelijk is wegens onduidelijkheid in zoverre het het arrest verwijt de vrijstelling niet te hebben getoetst aan de op het ogenblik van de uitspraak gel-dende regels.
- De verweerder heeft als eiser tot herstel geen hoedanigheid om een grond van niet-ontvankelijkheid aan te voeren betreffende een middel dat betrekking heeft op de beslissing op de strafvordering. In zoverre kan de grond van niet-ontvankelijkheid niet worden aangenomen.
- In zoverre de grond van niet-ontvankelijkheid betrekking heeft op een be-slissing op de herstelvordering, waartegen het cassatieberoep van de eisers bij ge-brek aan belang niet ontvankelijk is, kan hij evenmin worden aangenomen.
- Voor de volgende onderdelen is de afwijzing van het verweer van de eisers over de toepasselijkheid van de vrijstellingsregeling wel degelijk gesteund of me-de gesteund op de gewestplanbestemming: 1) de afspanning van een weiland en de creatie van de paddock (arrest, p. 18-19); 2) het aanbrengen van een ijzeren hekwerk rondom het gehele domein, met uitzondering van het ijzeren hekwerk in voor- en zijtuin zoals aangeduid op het bouwplan dat deel uitmaakt van de door de Deputatie van de Provincie Antwerpen afgeleverde regularisatievergunning van 14 juli 2016 (arrest p. 19); 3) het oprichten van de betonnen mestopslagplaats aan de achterkant van de hoeve (arrest, p. 20). In zoverre berust de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op een on-juiste lezing van het arrest en kan hij niet worden aangenomen.
- Het arrest grondt voor wat betreft de volgende onderdelen de afwijzing van het verweer van de eisers over de toepasselijkheid van de vrijstellingsregeling niet op de gewestplanbestemming: - het oprichten van bijgebouwen achter de hoeve (met uitzondering van de tuin-berging-tuinschuur en van de berging voor hooiopslag), maar wel op de niet-bekritiseerde reden dat de schuld van de eisers wat dit onderdeel betreft inge-volge het beperkt hoger beroep vaststaat (arrest, p. 21); - het in het rood gearceerde deel van het bij de orangerie aangelegde terras, maar wel op de niet-bekritiseerde reden dat uit artikel 2.1, 8°, en 2.2, 5°, Vrijstellin-genbesluit volgt dat de vrijstellingsregeling niet geldt (arrest, p. 16 en 18). In zoverre de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel betrekking heeft op deze beide onderdelen wordt hij aangenomen.
- Voor het overige valt de beoordeling van de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel samen met de beoordeling van de gegrondheid van het middel. In zoverre kan de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel niet worden aangenomen. Gegrondheid van het middel
- Het arrest veroordeelt de eisers tot straf wegens de telastleggingen I en II. De aan de eisers opgelegde straf blijft naar recht verantwoord door de schuldig-verklaring aan de onderdelen van deze telastleggingen welke het middel niet of tevergeefs bekritiseert. In zoverre het middel betrekking heeft op de beslissing op de strafvordering kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvanke-lijk.
- De eisers worden voor de onderdelen 1) de afspanning van een weiland en de creatie van de paddock, 2) het aanbrengen van een ijzeren hekwerk rondom het gehele domein, met uitzondering van het ijzeren hekwerk in voor- en zijtuin zoals aangeduid op het bouwplan dat deel uitmaakt van de door de Deputatie van de Provincie Antwerpen afgeleverde regularisatievergunning van 14 juli 2016, en, 3) het oprichten van de betonnen mestopslagplaats aan de achterkant van de hoeve, van de telastleggingen I en II, vervolgd voor het zonder vergunning uitvoeren van deze handelingen en de instandhouding ervan, zijnde een inbreuk op artikel 146, eerste lid, 1°, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in de hier toepasselijke versie.
- Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot be-paling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, hande-lingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, na de wijziging door het besluit van de Vlaamse regering van 1 september 2006, als-ook artikel 1.4 Vrijstellingenbesluit bepalen dat de erin vermelde vrijstelling van vergunning niet geldt voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van de vermelde plannen of vergunningen. In deze bepalingen, zoals ze van toepassing waren op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het arrest, worden de gewestplannen niet vermeld. De strijdigheid van een door artikel 146, eerste lid, 1°, Decreet Ruimtelijke Orde-ning 1999 en artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde handeling kan bijgevolg niet leiden tot de niet-toepasselijkheid van het Vrijstellingenbesluit op grond van artikel 1.4 van dit besluit.
- Het arrest (p. 15-16, 18 tot en met 20 en 26) grondt het oordeel over de in-williging van de herstelvordering voor wat betreft de drie voormelde onderdelen in wezen op de strijdigheid van de bedoelde handelingen met de bestemming zo-als vastgelegd in het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde ge-westplan Antwerpen. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. In zoverre is het middel gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de herstelvorde-ring met betrekking tot 1) de afspanning van een weiland en de creatie van de paddock, 2) het aanbrengen van een ijzeren hekwerk rondom het gehele domein, met uitzondering van het ijzeren hekwerk in voor- en zijtuin zoals aangeduid op het bouwplan dat deel uitmaakt van de door de Deputatie van de Provincie Ant-werpen afgeleverde regularisatievergunning van 14 juli 2016, en, 3) het oprichten van de betonnen mestopslagplaats aan de achterkant van de hoeve. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot drie vierden van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten op 524,94 euro, waarvan 260,59 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 13 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg A. Lievens P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.2 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div