← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.3 Rolnummer: P.18.0360.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 501 - laatst gezien 2026-06-29 08:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Indien de appelrechter ingevolge een verklaring van hoger beroep en de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde grieven saisine heeft om zich uit te spreken over de schuld aan een bepaald feit, dan houdt dit ook in dat hij de omschrijving van het strafbare feit heeft te beoordelen en dit ongeacht of de appellant de rubriek kwalificatie heeft aangekruist. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Saisine van de appelrechter - Beoordeling van de schuld - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 202 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Indien de appelrechter, in het kader van het onderzoek naar de schuld van de beklaagde aan het bij hem aanhangig gemaakte feit, van oordeel is dat niet de door de eerste rechter gegeven omschrijving correct is, maar wel die welke in de inleidende akte was opgenomen en blijkt dat de partijen kennis hadden van de mogelijkheid dat het strafbare feit toch zou kunnen worden omschreven zoals het oorspronkelijk was omschreven, is er geen grond voor de appelrechter om artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering toe te passen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Saisine van de appelrechter - Beoordeling van de schuld - Herkwalificatie van het feit in de oorspronkelijke omschrijving - Verplichting tot het opwerpen van een ambtshalve middel - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 202, 204 en 210, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.18.0360.N L R J P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 9 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 202, 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis herkwalificeert de telastlegging A zoals oorspronkelijk geformuleerd, zonder dat de eiser een grief heeft aangevoerd tegen de herkwalificatie vastgesteld door het beroepen vonnis of zonder ambtshalve een grief van openbare orde aan te voeren die deze herkwalificatie verantwoordt en zonder de partijen daarover standpunt te laten innemen.
  3. Indien de appelrechter ingevolge een verklaring van hoger beroep en de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde grieven saisine heeft om zich uit te spreken over de schuld aan een bepaald feit, dan houdt dit ook in dat hij de omschrijving van het strafbare feit heeft te beoordelen en dit ongeacht of de appellant de rubriek kwalificatie heeft aangekruist. De appelrechter is immers steeds ertoe gehouden aan het bij hem ter schuldbeoordeling aanhangig gemaakte feit de juiste kwalificatie te geven.
  4. Indien hij in het kader van dit onderzoek van oordeel is dat niet de door de eerste rechter gegeven omschrijving correct is, maar wel die welke in de inleidende akte was opgenomen en blijkt dat de partijen kennis hadden van de mogelijkheid dat het strafbare feit toch zou kunnen worden omschreven zoals het oorspronkelijk was omschreven, is er geen grond voor de appelrechter om artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering toe te passen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het aannemen van de oorspronkelijke omschrijving van het feit A (inbreuk op artikel 12.4 Wegverkeersreglement) in plaats van de door de eerste rechter aangenomen heromschrijving (inbreuk op artikel 19.1 Wegverkeersreglement) voor de appelrechters in het debat was. Er was bijgevolg geen grond om artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering toe te passen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 163, 172, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis vermeldt wat betreft de telastlegging A niet het hier toepasselijke artikel 2 van het konink-lijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer; deze wetsbepaling is immers nodig zowel om de fei-telijke gedraging van het misdrijf bepaald in artikel 29, § 1, derde lid, Wegver-keerswet te kunnen laten uitmaken als om deze gedraging te kunnen bestraffen.
  7. In strafzaken moeten veroordelende beslissingen, om naar recht met redenen omkleed te zijn, opgave doen van de wettelijke bepalingen waarbij de bestandde-len van het ten laste gelegde misdrijf worden vastgesteld, alsook van de wetsbepa-lingen waarbij de straf wordt bepaald. Wanneer de veroordeling wordt uitgespro-ken wegens een overtreding van het Wegverkeersreglement, moet de rechter niet de bepaling vermelden van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aan-wijzing van de overtredingen per graad in de zin van artikel 29 Wegverkeerswet. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis miskent de bewijskracht van eisers verklaring van 15 september 2016, opgenomen als bijlage 2 bij het proces-verbaal nr. BG.81.FO.300415/2016 (blz. 9 tot 14 van het strafdossier), door te oordelen dat: - "beiden gewag maken van het geparkeerd staan van de Volvo/P in de aan-vangsfase"; de eiser maakt in zijn verklaring immers geen gewag van het ge-parkeerd staan van zijn wagen "in de aanvangsfase"; - deze verklaring van de eiser perfect overeenkomt met de verklaring van D V, volgens welke er een voertuig aan de rechterzijde geparkeerd stond dat volgens D V plots afdraaide; de verklaring van D V komt immers niet perfect overeen met deze van de eiser; - de eiser weliswaar de afstand waarover hij zijn voertuig verplaatst had raamde op 100 à 150 meter, maar dit duidelijk een ruwe schatting is, die niet in over-eenstemming te brengen is met de verklaring dat hij net zijn parkeerplaats ver-laten had; de bewering van het bestreden vonnis dat het woord "net" niet in overeenstemming zou kunnen worden gebracht met een afstand van 100 tot 150 meter, is onverenigbaar met wat de eiser heeft gezegd; - beide betrokken bestuurders het verlaten van de parkeerplaats/parkeerstrook door de Volvo/P in verband brengen met het ongevalsgebeuren; de eiser brengt in zijn verklaring het eerder verlaten door hem van zijn parkeerplaats immers niet in verband met het ongevalsgebeuren.
  9. Het in het middel bedoeld proces-verbaal van verhoor van de eiser van 15 september 2016 vermeldt dat de eiser heeft verklaard dat hij net een parkeerstrook had verlaten, geen andere voertuigen zag en hij zijn voertuig slechts 100 à 150 meter verzet heeft.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt dat: - beiden gewag maken van het geparkeerd staan van de Volvo/P in de aanvangs-fase; - de verklaring van de eiser dat hij net een parkeerstrook had verlaten, perfect overeenkomt met de verklaring van D V, volgens welke er een voertuig aan de rechterzijde geparkeerd stond dat (volgens D V) plots afdraaide; - de raming door de eiser van de afstand waarover hij zijn voertuig verplaatst had op 100 à 150 meter, duidelijk slechts een ruwe schatting is, die niet in overeenstemming te brengen is met de verklaring dat hij net zijn parkeerplaats verlaten had. Met die redenen geeft het bestreden vonnis een uitlegging van de bewoordingen van het bedoeld proces-verbaal die er niet onverenigbaar mee is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  11. Met het oordeel dat beide betrokken bestuurders het verlaten van de par-keerplaats/parkeerstrook door de eiser duidelijk in verband brengen met het onge-valsgebeuren, geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van het bedoelde stuk, maar beoordeelt het de bewijswaarde ervan. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag. Vierde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer: dat hij ongeveer geparkeerd stond op de plaats van de witte personenwagen of van de vrachtwagen die men ziet op de foto onder eisers stuk 2, zodat er - op basis van de afstandmeting in zijn stukken 4 en 5 - een goede 100 meter lag tussen de parkeerplaats van de eiser en de plaats van de aanrijding, wat ook blijkt uit de nog af te leggen afstand op de foto onder stuk
  13. Het bestreden vonnis oordeelt dat de afstand geraamd door de eiser waar-over hij zijn voertuig verplaatst had op 100 à 150 meter, duidelijk slechts een ruwe schatting is, die niet in overeenstemming te brengen is met de verklaring dat hij net zijn parkeerplaats verlaten had. Met die reden beantwoordt het arrest eisers verweer dat hij zijn voertuig verplaatst had op 100 à 150 meter, zonder dat het moet antwoorden op elk argument ter ondersteuning van dat verweer, dat zelf geen afzonderlijk verweer vormde. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer dat er bij de beoordeling of er bij de eiser een inbreuk zou zijn op artikel 12.4 Wegverkeersreglement niet mag worden ge-steund op de verklaring van D V, vermits uit de verklaring van de getuige E D blijkt dat deze verklaring van D V niet waarheidsgetrouw en dus ook niet geloof-waardig is.
  15. Met de redenen die het bevat, weegt het bestreden vonnis de verklaringen van de eiser, van E D en D V tegen elkaar af en betrekt ze samen bij de beoorde-ling van eisers schuld. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis ook het in het middel bedoelde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. K. Vanden Bossche I. Couwenberg A. Lievens P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 13 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.