← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 135

, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Eén van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid beroofd - Beschikking van de raadkamer - Hoger beroep - Termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 135

, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Eén van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid beroofd - Beschikking - Hoger beroep - Termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 135, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.18.1034.N AQUASPORT vzw, met zetel te 8420 De Haan, Hoefijzerlaan 57, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Yen Buytaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen 'T KAPOENTJE bvba, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Prins Boudewijnlaan 97, inverdenkinggestelde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 4 oktober

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 135 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ten onrechte onontvankelijk omdat het niet is ingesteld binnen de door artikel 135, § 4, Wet-boek van Strafvordering bedoelde buitengewone beroepstermijn van 24 uren, die van toepassing is wanneer minstens één inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd; het arrest neemt daarbij impliciet aan dat er samenhang bestaat tussen het dossier BG.60.F1.500262/15/BE waarvoor het openbaar ministerie de strafvorde-ring heeft ingesteld en het dossier DE.20.99.265/17/TC04 dat is opgestart inge-volge de klacht met burgerlijkepartijstelling, zonder evenwel de samenhang uit-drukkelijk vast te stellen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 227 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep van de ei-seres ten onrechte onontvankelijk omdat het niet is ingesteld binnen de door arti-kel 135, § 4, Wetboek van Strafvordering bedoelde buitengewone beroepstermijn van 24 uren, die van toepassing is wanneer minstens één inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd; het arrest neemt impliciet aan dat er samenhang bestaat tussen de beide voormelde dossiers, zonder uitdrukkelijk de samenhang vast te stellen; aangezien noch in het arrest noch in de verwijzingsbeschikking van de raadkamer noch in de vordering tot regeling van de rechtspleging werd vermeld dat de beide zaken werden gevoegd, is het hoger beroep van de eiseres in de zaak DE.20.99.265/17/TC04 ingesteld binnen de door artikel 135, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn van vijftien dagen en dus tijdig.
  3. De partijen moeten hun hoger beroep tegen een beschikking van de raadka-mer over de regeling van de rechtspleging volgens artikel 135, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering instellen binnen de vijftien dagen. Volgens artikel 135, § 4, Wetboek van Strafvordering bedraagt die termijn evenwel vierentwintig uur wanneer een van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid is beroofd.
  4. De door artikel 135, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalde beroepster-mijn van vierentwintig uur is ook van toepassing indien: - na een vordering tot regeling van de rechtspleging die betrekking heeft op de fei-ten voorwerp van twee door dezelfde onderzoeksrechter geleide gerechtelijke on-derzoeken, het eerste opgestart ingevolge een vordering door het openbaar minis-terie, het tweede opgestart ingevolge een klacht met burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter van een ander arrondissement, maar dat na ontlasting door de raadkamer, door het openbaar ministerie aanhangig werd gemaakt bij de on-derzoeksrechter en de beide dossiers werden gevoegd; - in het eerste gerechtelijk onderzoek minstens één van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid is beroofd; - de raadkamer na met een eerste beschikking de rechtspleging te hebben geregeld voor de feiten voorwerp van het eerste gerechtelijk onderzoek, ingevolge een aan-vullende vordering van het openbaar ministerie, met een tweede beschikking ook de rechtspleging regelt voor de feiten voorwerp van het tweede gerechtelijk on-derzoek; - bovendien blijkt dat op de datum van de tweede beschikking er betreffende de feiten voorwerp van het eerste gerechtelijk onderzoek, waarvoor reeds is verwe-zen, nog minstens één inverdenkinggesteld van zijn vrijheid is beroofd; - en dit zonder dat samenhang moet worden vastgestelde tussen de beide gerechtelijke onderzoeken. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen uitgaat van een andere rechtsopvat-ting, faalt het naar recht.
  5. Met overname van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal stelt het arrest vast dat na beschikking tot ontlasting van de onderzoeksrechter te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, door de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank van 17 oktober 2017, het dossier bij aanvullende vordering van de procureur des Konings te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 26 oktober 2017 gevoegd werd bij het lopende gerechtelijk onderzoek onder notitienummer BG.60.F1.500262-15 (karton 5, kaften 32 en 33). Het arrest stelt eveneens vast dat op het ogenblik van de beroepen beschikking van 24 augustus 2018 in de zaak verschillende inverdenkinggestelden zich nog in voorlopige hechtenis bevonden en dat die situatie nog niet gewijzigd is op datum van het arrest (p. 8). De appelrechters verantwoorden dan ook naar recht de beslissing dat het hoger be-roep van de eiseres overeenkomstig artikel 135, § 4, Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel in zijn beide onderdelen niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,11 euro, waarvan 39,11 euro verschuldigd is. K. Vanden Bossche I. Couwenberg A. Lievens P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 13 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.