← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181116.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 26

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Burgerlijke vordering voor de strafrechter Vrije woorden: Termijn - Duur - Artikel 26, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Arrest dat de ongrondwettigheid vaststelt - Draagwijdte - Stedenbouw - Herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek

Art. 26

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf - Verjaring - Termijn - Duur - Artikel 26, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Arrest dat de ongrondwettigheid vaststelt - Draagwijdte - Stedenbouw - Herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek

Art. 26

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf - Verjaring - Termijn - Duur - Artikel 26, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Arrest dat de ongrondwettigheid vaststelt - Draagwijdte - Stedenbouw - Herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek

Art. 26- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.

C.16.0065.N B.C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woon-plaats kiest, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8200 Brugge, Koning Albert I-laan 1-2 bus

  1. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 2 maart 2012 en 24 april
  2. Sectievoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, dat vervat ligt in de artikelen 10 en 11 Grondwet, is niet enkel een waarborg voor natuurlijke personen en privaatrech-telijke rechtspersonen, maar de schending ervan kan ook worden aangevoerd door publiekrechtelijke rechtspersonen. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
  4. Krachtens artikel 26 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Zij kan echter niet verjaren voor de strafvordering. In zijn arrest nr. 25/95 van 21 maart 1995 oordeelde het Grondwettelijk Hof in antwoord op een prejudiciële vraag dat "de betrokken bepaling tot gevolg heeft dat zij die door een fout schade lijden in een merkelijk ongunstiger positie verkeren wanneer die fout een misdrijf uitmaakt, dan wanneer zulks niet het geval is" (r.o. B.4.3) en dat "er geen redelijk verband van evenredigheid is tussen het door de maatregel nagestreefde doel en de gevolgen ervan voor de slachtoffers van misdrijven" (r.o. B.4.4.). Het Grondwettelijk Hof zegt in antwoord op de gestelde prejudiciële vraag voor recht dat artikel 26 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de arti-kelen 10 en 11 Grondwet schendt. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid van artikel 26 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beperkt tot die burgerlijke rechtsvorderingen die strekken tot het herstel van eigen schade met uitsluiting van de herstelvordering uitgaande van de stedenbouwkundig inspecteur, faalt het naar recht.
  5. De aangevoerde schending van de artikelen 7 EVRM en artikel 15.
  6. IVBPR berust op de foutieve veronderstelling dat de verjaring reeds bereikt was onder artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van laatstgenoemde wetsbepaling. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.011,43 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openba-re rechtszitting van 16 november 2018 uitgesproken door sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bij-stand van griffier Vanessa Van de Sijpe. V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman G. Jocqué K. Mestdagh B. Deconinck PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181116.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.