id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.3 Rolnummer: P.18.0506.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-12-13 Raadplegingen: 569 - laatst gezien 2026-06-29 13:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De verplichting die artikel 155 Wetboek van Strafvordering aan de griffier oplegt om aantekening te houden van de voornaamste verklaringen van de ter rechtszitting gehoorde getuigen, geldt niet voor de strafrechtbanken die in hoger beroep uitspraak doen en vereist evenmin dat het vonnis of arrest de voornaamste inhoud van de getuigenverklaringen vermeldt; het feit dat het proces-verbaal van de rechtszitting of het vonnis of arrest de voornaamste verklaringen van de ter rechtszitting gehoorde getuigen niet vermeldt, houdt geen schending in van artikel 149 Grondwet noch miskenning van enige motiveringsverplichting van de rechter en evenmin wordt het Hof daardoor belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen waarbij het feit dat bij gebrek aan aantekening van de getuigenverklaringen geen controle kan worden uitgeoefend op de bewijswaardering of de eventuele miskenning van de bewijskracht van die verklaringen door de rechter, daaraan geen afbreuk doet
(1).
(1)Cass. 9 oktober 2007, AR P.07.0380.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.1, AC 2007, nr. 462; Cass. 27 september 2006, AR P.06.1262.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.10, AC 2006, nr. 443; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, nr.
- Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Hoger beroep - Ter terechtzitting gehoorde getuigen - Aantekening van voornaamste verklaringen door griffier Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Ter terechtzitting gehoorde getuigen - Aantekening van voornaamste verklaringen door griffier Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Hoger beroep - Ter terechtzitting gehoorde getuigen - Aantekening van voornaamste verklaringen door griffier Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hoger beroep - Ter terechtzitting gehoorde getuigen - Geen vermelding van voornaamste verklaringen door griffier - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0506.N I-II DE NIEUWE HAARD cvba, met zetel te 9600 Ronse, Franklin Rooseveltplein 11 bus 1, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de ei-seres woonplaats kiest. tegen F C, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres doet zonder berusting afstand van het cassatieberoep I omdat het, inge-steld tijdens de gewone termijn van verzet, voorbarig is. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 155 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de burgerlijke partij of haar raadsman: het arrest spreekt de verweerder vrij van de nog bij de appelrechters aanhangige telastleggingen; bij arrest van 12 januari 2018 hebben de appelrechters het debat heropend om P.D. en L.L. als getuigen ter rechtszitting te horen; het ar-rest steunt op de getuigenissen van die personen, hoewel hun voornaamste verkla-ringen niet zijn weergegeven in het proces-verbaal van de rechtszitting of in het arrest; bij gebrek aan die gegevens kunnen de partijen niet nagaan welke verkla-ringen werden afgelegd, of het arrest de bewijskracht van de getuigenverklaringen niet miskent en waarom het arrest de verweerder vrijspreekt; evenmin kan het Hof zijn wettigheidstoets uitoefenen.
- De verplichting die artikel 155 Wetboek van Strafvordering aan de griffier oplegt om aantekening te houden van de voornaamste verklaringen van de ter rechtszitting gehoorde getuigen, geldt niet voor de strafrechtbanken die in hoger beroep uitspraak doen. Evenmin vereist die bepaling dat het vonnis of arrest de voornaamste inhoud van de getuigenverklaringen vermeldt.
- Het feit dat het proces-verbaal van de rechtszitting of het vonnis of arrest de voornaamste verklaringen van de ter rechtszitting gehoorde getuigen niet ver-meldt, houdt geen schending in van artikel 149 Grondwet noch miskenning van enige motiveringsverplichting van de rechter. Evenmin wordt het Hof daardoor belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het feit dat bij gebrek aan aanteke-ning van de getuigenverklaringen geen controle kan worden uitgeoefend op de bewijswaardering of de eventuele miskenning van de bewijskracht van die verkla-ringen door de rechter, doet daaraan geen afbreuk.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede mis-kenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de be-sluiten van de burgerlijke partij of haar raadsman: na het horen van de getuigen P.D. en L.L. besluiten de appelrechters zonder enige redengeving tot de vrijspraak van de verweerder; de eiseres steunde in haar beroepsconclusie specifiek op de verklaringen van P.D. en het onderzoeksverslag van L.L. om te besluiten tot de schuld van de verweerder aan de voor de appelrechters nog aanhangige telastleg-gingen; de appelrechters motiveren niet waarom zij deze getuigenissen niet in aanmerking nemen en beantwoorden het verweer van de eiseres niet.
- De appelrechters besluiten niet tot de vrijspraak van de verweerder zonder enige redengeving noch op grond van een loutere verwerping van de verklaringen van P.D. en het onderzoeksverslag van L.L. Zij steunen die beslissing daarentegen op een geheel van redenen die het onderdeel niet vermeldt en waaruit zij afleiden dat er twijfel bestaat over de schuld van de verweerder. In zoverre het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige preciseert het onderdeel niet welk verweer van de eiseres het arrest niet beantwoordt. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds oordeelt het dat in het gerechtelijk onderzoek niet is nagegaan of het telkens uit te betalen bedrag al of niet verschuldigd was; anderzijds oordeelt het dat uit de verklaringen van de personen vermeld in de ont-vangstbewijzen van de telastleggingen A.2 tot A.8 en A.11 tot A.13 volgt dat hen geen dergelijk bedrag verschuldigd was; op grond van deze tegenstrijdige motie-ven oordeelt het dat de vermelde telastleggingen A en de telastlegging B, voor zo-ver deze betrekking heeft op de stukken vermeld in die telastleggingen A, niet naar genoegen van recht bewezen zijn en spreekt het de verweerder vrij.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt, maar onder meer ook dat niet is nagegaan of het op de ontvangstbewijzen voorkomende bedrag verdwenen is uit de kassa en niet met zekerheid vaststaat dat de eiser de materiële vervalser van de stukken is of dat hij heeft gehandeld met bedrieglijk opzet. Die zelfstandige, door het onderdeel niet-bekritiseerde redenen dragen de beslissing tot vrijspraak van de verweerder. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 196 en 197 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de burgerlijke partij of haar raadsman: het arrest oordeelt ten onrechte dat er sprake is van redelijke twijfel over de deelneming van de verweerder aan de telastleggingen A.2 tot A.8, A.11 tot A.13 en aan de telastlegging B, voor zover deze betrekking heeft op de stukken vermeld onder die telastleggingen A, alsmede over zijn bedrieglijk opzet; uit de feiten die het arrest vaststelt, blijkt dat de verweerder de valse ontvangstbewijzen heeft opgesteld wegens vermeende verschuldigde terugbetaling aan de huurders en dat hij derhalve als enige heeft deelgenomen aan de materiële totstandkoming van de valse stukken; de verweerder handelde bij het opstellen van de valse stukken en het gebruik ervan met bedrieglijk opzet of het opzet om zijn werkgever te benadelen; minstens beantwoordt het arrest niet het door de eiseres hierover ontwikkelde middel; aldus is het arrest niet wettig gemotiveerd en schendt het de artikelen 196 en 197 Strafwetboek.
- Een onjuiste beoordeling van feiten levert mogelijks een schending van de wet, maar geen motiveringsgebrek op. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - de verweerder verklaarde dat hij als ‘zaakvoerder' van de eiseres heeft vastge-steld dat een aantal terugbetalingen moesten worden uitgevoerd aan huurders, hij daartoe een aantal kwijtschriften heeft opgesteld voor personen die hij steekproefsgewijs had teruggevonden en die moesten worden terugbetaald, hij die kwijtschriften op het bureau van zijn medewerker P.D. heeft gelegd en hem de opdracht heeft gegeven tot uitbetaling over te gaan; - P.D., die verantwoordelijk was voor de boekhouding en de controle ervan, de verklaring van de verweerder tegensprak; - A.H., administratief medewerker van de eiseres, verklaarde dat het uitzonderlijk was dat gelden werden terugbetaald via de kas. Wanneer dit toch gebeurde, moest een kwitantie worden opgesteld waarop de huurder moest tekenen. Meestal was dit de taak van P.D., die aan het loket zat; - uit de verklaringen van de personen vermeld in de ontvangstbewijzen van de telastleggingen A.2 tot A.8 en A.11 tot A.13 volgt dat de geplaatste handteke-ning telkens vals is en de inhoud van het ontvangstbewijs, namelijk dat de huurders geld zouden hebben ontvangen, niet strookt met de werkelijkheid. Het betreft in die zin telkens een vals stuk; - er geen reden is om meer bewijswaarde toe te kennen aan het verslag van de door de onderzoeksrechter aangestelde schriftdeskundige dan aan het verslag van de door de verweerder aangestelde schriftdeskundige, zodat de appelrech-ters in het voordeel van de verweerder oordelen dat er geen zekerheid is over het feit dat hij de materiële vervalser is van de stukken; - het enkele feit dat de verweerder de ontvangstbewijzen heeft opgesteld, niet toelaat met menselijke zekerheid te besluiten dat hij deel had in de gepleegde valsheden; - uit het opstellen van de ontvangstbewijzen als dusdanig, zelfs al was dit een ongebruikelijke werkwijze, niet met zekerheid volgt dat de verweerder handel-de met bedrieglijk opzet of het opzet zijn werkgever te benadelen; - in het gerechtelijk onderzoek niet is nagegaan of het telkens uit te betalen be-drag al of niet verschuldigd was en of een dergelijk bedrag verdwenen is uit de kassa. Zo dit laatste het geval was, kan niet met zekerheid worden uitgemaakt of het bedrag onrechtmatig aan de verweerder te beurt is gevallen, noch dat dit met opzet was; - niet aangetoond is dat de verweerder met bedrieglijk opzet gebruik maakte van die valse stukken. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres, zonder dat het dient te antwoorden op de argumenten die de eiseres slechts heeft aangevoerd tot staving van dat verweer, maar geen afzonderlijk verweer uitmaken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 461 en 464 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de burgerlijke partij of haar raadsman: het arrest spreekt de verweerder ten onrechte vrij van de telastleggingen A.9, A.10, B, voor zover deze betrekking heeft op de stukken vermeld in die telastleggingen A, en C; uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig afleiden dat er een reële terugbetaling zou zijn gebeurd aan de huurders om alzo te besluiten dat er sprake zou zijn van een gebrekkige organisatie of slordigheid bij de controle van de zogenaamde contante betalingen, dat er geen zekerheid zou be-staan over enig aandeel van de verweerder hierin of dat hij niet handelde met be-drieglijk opzet; het arrest beantwoordt niet het middel van de eiseres dat de ver-weerder over een periode van ongeveer vijf jaar minstens 11.368,84 euro heeft ontvreemd.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Een onjuiste beoordeling van feiten levert mogelijks een schending van de wet, maar geen motiveringsgebrek op. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - uit de brief van 12 maart 2012 van accountant L.L. aan de eiseres over de con-trole van de kasstukken in de periode 2007-2011, uitgevoerd in opdracht van de eiseres, blijkt dat er sprake was van een dubbele uitgave wat betreft de leve-ringsbonnen of zendnota's, namelijk een eerste maal via de kas (niet aan de le-verancier) en een tweede maal via overschrijving (aan de leverancier); - X.V., onderhoudswerkman bij de eiseres, verklaarde dat huurders soms zelf aankopen deden voor rekening van de eiseres. Ook de verweerder verklaarde dat het soms gebeurde dat een huurder terugbetaling via de kassa vroeg van een stuk dat hij had aangekocht. Soms werd betaald louter op voorlegging van bijvoorbeeld een leveringsbon. Dit occasionele systeem was duidelijk de aanleiding tot de dubbele betalingen; - de verklaring van de verweerder dat met de administratie was afgesproken dat alle bestelbonnen die op zijn bureel werden gelegd, slechts deze waren die uit-betaald werden via de kassa en die aldus door de verweerder als betaald in het kasboek mochten worden ingeschreven, niet van alle waarschijnlijkheid is ont-bloot; - uit de gegevens van het gerechtelijk onderzoek niet met menselijke zekerheid volgt dat de uitgevoerde dubbele betalingen met bedrieglijk opzet werden uit-gevoerd door een personeelslid van de eiseres en niet berusten op vergissingen als gevolg van een gebrekkige organisatie of slordigheid bij de controle van de zogenaamde contante betalingen; - er aldus ook geen zekerheid bestaat over enig aandeel van de verweerder hierin; - ook wat betreft de telastleggingen A.9 en A.10 de aanduidingen die de ver-weerder op deze stukken aanbracht, niet met zekerheid aangeven dat de ver-weerder handelde met bedrieglijk opzet en dat dit niet het gevolg is van een gebrekkige controle. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres, zonder dat het dient te antwoorden op de argumenten die de eiseres slechts heeft aangevoerd tot staving van dat verweer, maar geen afzonderlijk verweer uitmaken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Op grond van de vermelde redenen kan het arrest wettig oordelen dat de schuld van de verweerder aan de hier bedoelde telastleggingen niet vaststaat. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt het cassatieberoep II. Veroordeelt de eiseres tot de kosten van haar cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 125,61 euro, waarvan de eiser I 27,81 euro ver-schuldigd is en de eiser II 27,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 20 november 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231128.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div