id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.4 Rolnummer: P.18.0627.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2018-12-13 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-06-28 04:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van artikel 38, §1, 2°, en §2, Wegverkeerswet volgt dat het uitspreken van een verval van het recht tot sturen niet verplicht is indien de rechter een beklaagde enkel veroordeelt wegens een overtreding van artikel 419 Strafwetboek en niet tegelijkertijd voor een inbreuk op de Wegverkeerswet. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Uitspraak van verval van recht tot sturen - Verplichting - Voorwaarde Tekst van de beslissing Nr. P.18.0627.N R M J V, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 38, § 2, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt onwettig dat het opleggen van een verval van het recht tot sturen voor een duur van tenminste drie maanden en om het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het theoretisch en praktisch examen en het medisch en psychologisch onderzoek de in die wetsbepaling vermelde mini-mumstraf is; immers aangezien het bestreden vonnis de eiseres niet tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van artikel 419 Strafwetboek en wegens een overtreding van de artikelen 29, § 1 en § 3, 34, § 2, 35 of 37bis, § 1, Wegver-keerswet, is de rechter niet verplicht om het verval van het recht tot sturen uit te spreken voor een duur van ten minste 3 maanden.
- Krachtens artikel 38, § 1, 2°, Wegverkeerswet kan de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken indien hij veroordeelt wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader en de veroordeling wordt uitgesproken wegens doding of verwonding. Krachtens artikel 38, § 2, Wegverkeerswet zal, indien de rechter tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van artikel 419 Strafwetboek en wegens een overtreding van de artikelen 29, § 1 en § 3, 34, § 2, 35 of 37bis, § 1, van deze wet, het verval van het recht tot sturen worden uitgesproken voor een duur van ten minste 3 maanden.
- Hieruit volgt dat het uitspreken van een verval van het recht tot sturen niet verplicht is indien de rechter een beklaagde enkel veroordeelt wegens een overtre-ding van artikel 419 Strafwetboek en niet tegelijkertijd voor een inbreuk op de Wegverkeerswet.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat: - in geval van veroordeling wegens overtreding van artikel 419 Strafwetboek de rechter overeenkomstig artikel 38, § 2, Wegverkeerswet verplicht is om een verval van het recht tot sturen uit te spreken voor een duur van tenminste drie maanden en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk dient te worden ge-maakt van het slagen in een theoretisch examen, een praktisch examen, een medisch onderzoek en een psychologisch onderzoek; - de rechtbank in deze instantie van oordeel is dat het vooralsnog volstaat om de ter zake geldende minimumbestraffing op te leggen. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres enkel voor een overtreding van artikel 419 Strafwetboek en verklaart haar voor die telastlegging vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden en maakt het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een theoretisch exa-men, praktisch examen, medisch onderzoek en psychologisch onderzoek. De rechters die aldus ervan uitgaan dat het verplicht is om een verval van het recht tot sturen uit te spreken ook indien zij naast een veroordeling voor een inbreuk op artikel 419 Strafwetboek geen veroordeling uitspreken voor een inbreuk op de Wegverkeerswet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot straf en tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseres tot drie vierden van de kosten en laat de beslissing over de overige kosten over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, zetelend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 170,17 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 20 november 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div