id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.8 Rolnummer: P.18.0818.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2018-12-13 Raadplegingen: 670 - laatst gezien 2026-06-29 10:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het openbaar ministerie dat hoger beroep instelt tegen de vrijspraak van een beklaagde of tegen de beslissing om een beklaagde een bepaalde straf op te leggen, verliest zijn belang bij dat hoger beroep niet door het enkele feit dat het ter rechtszitting van de appelrechter de bevestiging van het beroepen vonnis vordert want het hoger beroep van het openbaar ministerie verleent immers rechtsmacht aan de appelrechter om de door het beroepen vonnis uitgesproken vrijspraak of straf te hervormen tot een veroordeling of een hogere straf, terwijl de bedoelde vordering ter rechtszitting noch de appelrechter noch het openbaar ministerie zelf bindt; afstand van een rechtsmiddel vereist een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wilsuiting van degene die het heeft ingesteld wat niet het geval is wanneer het openbaar ministerie ter rechtszitting van de appelrechter louter de bevestiging vraagt van de vrijspraak of de straf waartegen het hoger beroep heeft ingesteld. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Hoger beroep door openbaar ministerie tegen de vrijspraak of tegen een bepaalde straf - Vordering tot bevestiging van het beroepen vonnis - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep door openbaar ministerie tegen de vrijspraak of tegen een bepaalde straf - Vordering tot bevestiging van het beroepen vonnis - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0818.N I
- D D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen,
- T N, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Manu Bande, advocaat bij de balie Antwerpen. II
- S F, beklaagde,
- M A S, beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. III I C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. IV D G, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kan-toor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest. V S B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Xavier Potvin, advocaat bij de balie Antwerpen. VI C H C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frank Decruyenaere, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 28 juni
- De eiser I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II en V voeren geen middel aan. De eiser IV doet afstand met berusting van zijn cassatieberoep. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I
- Het arrest spreekt de eisers I vrij van de telastleggingen B.II.a en B.IV. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wet-boek: het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk dat het openbaar ministerie heeft ingesteld tegen de beschikkingen van het beroepen vonnis die de eiser I.1 vrijspreken van alle telastleggingen, de eiser I.2 vrijspreken van bepaalde telast-leggingen en de eiser I.2 voor andere telastleggingen een bepaalde straf opleggen; het openbaar ministerie heeft ter rechtszitting in hoger beroep echter de bevesti-ging van het beroepen vonnis gevorderd, ook wat betreft de verleende vrijspraken; hiervan is akte genomen op het proces-verbaal van de rechtszitting; aldus diende het arrest het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verkla-ren bij gebrek aan belang omdat het openbaar ministerie vanaf de bedoelde vorde-ring ter rechtszitting geen belang meer had bij zijn hoger beroep en dat belang bij-gevolg niet gedurende het gehele geding voorhanden was; minstens heeft het openbaar ministerie door die vordering afstand gedaan van zijn hoger beroep; bij-gevolg kan het arrest de eisers niet veroordelen voor de telastleggingen waarvoor het beroepen vonnis hen heeft vrijgesproken en de eiser I.2 geen hogere straf op-leggen dan deze die dat vonnis hem heeft opgelegd.
- Het openbaar ministerie dat hoger beroep instelt tegen de vrijspraak van een beklaagde of tegen de beslissing om een beklaagde een bepaalde straf op te leg-gen, verliest zijn belang bij dat hoger beroep niet door het enkele feit dat het ter rechtszitting van de appelrechter de bevestiging van het beroepen vonnis vordert. Het hoger beroep van het openbaar ministerie verleent immers rechtsmacht aan de appelrechter om de door het beroepen vonnis uitgesproken vrijspraak of straf te hervormen tot een veroordeling of een hogere straf, terwijl de bedoelde vordering ter rechtszitting noch de appelrechter noch het openbaar ministerie zelf bindt.
- Afstand van een rechtsmiddel vereist een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wilsuiting van degene die het heeft ingesteld. Dit is niet het geval wanneer het openbaar ministerie ter rechtszitting van de appelrechter louter de bevestiging vraagt van de vrijspraak of de straf waartegen het hoger beroep heeft ingesteld.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel van de eisers I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest ver-klaart de eisers schuldig aan de telastleggingen A.I en C.I, A.II.b en C.II.a, C.II.b en C.II.c; het oordeelt dat geen enkel middel of argument uiteengezet in de be-roepsconclusies van de eisers van aard is afbreuk te doen aan het voorgaande be-sluit van de appelrechters of pertinent is en derhalve geen verdere beantwoording behoeft; met die telkens hernomen standaardmotivering beantwoordt het arrest, dat voor het overige enkel een algemene motivering bevat, niet het specifieke verweer van de eisers.
- In zoverre het middel niet preciseert welk specifiek verweer van de eisers het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Voor het overige belet niets de rechter die motiveert waarom hij een be-klaagde schuldig verklaart aan een bepaalde telastlegging, vervolgens te oordelen dat het verweer of het overige verweer van die beklaagde in het licht van de reeds vermelde motivering geen verder antwoord behoeft. Daarmee geeft de rechter immers enkel te kennen dat dit verweer reeds is beantwoord. In zoverre faalt het middel naar recht. Derde middel van de eiser I.1
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de verklaring van medebeklaag-de D. B. van 25 januari 2016; in die verklaring is er sprake van "zeer sterke gelij-kenissen", waarvan het arrest een "fotoherkenning" maakt; aldus lezen de appel-rechters in die verklaring meer dan erin staat.
- Het arrest geeft aan de bedoelde verklaring een uitlegging die met de be-woordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiser I.1
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de regels inzake bewijs en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de fotoherkenningen betrouwbaar zijn omdat er geen wettelijke rege-ling voor fotoconfrontaties is en uit niets blijkt dat er bij het houden van de foto-confrontaties in dit strafdossier door de politiediensten op misleidende, suggestie-ve of onwetenschappelijke wijze zou zijn gehandeld; de fotoconfrontaties zijn echter volledig in strijd met de in de rechtspraak en rechtsleer gehanteerde princi-pes; aldus zijn zij wel degelijk onbetrouwbaar en door erop te steunen voor het beoordelen van de schuld van de eiser wordt diens recht van verdediging miskend; het arrest dat dit verweer niet beantwoordt en correct weerlegt, geeft aan het bedoelde bewijs een waarde die het onmogelijk kan toegedicht krijgen.
- Met de redenen die het middel vermeldt, beantwoordt het arrest het verweer van de eiser over de betrouwbaarheid van de fotoconfrontaties. Het dient niet te antwoorden op elk argument dat de eiser tot staving van dat verweer heeft aange-voerd, maar geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 2bis, § 6, Drugswet: het arrest verwerpt ten onrechte het verweer van de eiser dat voorbereidende handelingen inzake uitvoer van verdovende middelen niet strafbaar zijn omdat uitvoer afzon-derlijk als strafbare handeling wordt vermeld in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen, maar niet in artikel 2bis, § 6, Drugswet; dat laatste artikel stelt voorbereidende handelingen enkel strafbaar met het oog op de aanmaak, de verkoop, de levering of de illegale verschaffing van verdovende middelen, wat niet hetzelfde is als de uitvoer ervan; bovendien is niet aangetoond dat de eiser het door artikel 2bis, § 6, Drugswet vereiste bijzondere opzet heeft gehad.
- Het arrest veroordeelt de eiser tot een straf wegens de vermengde telastleg-gingen A.II.b, B.II.b en E.VI. Die straf is naar recht verantwoord wegens de ver-oordeling van de eiser voor de telastleggingen A.II.b en E.VI.
- Het middel dat enkel betrekking heeft op de telastlegging B.II.b, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser VI
- Het middel voert schending aan van artikel 2bis, § 6, Drugswet: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen B.I, B.II.a), B.III en B.IV; uitvoer wordt afzonderlijk als strafbare handeling vermeld in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdo-vende middelen en psychotropische stoffen, maar wordt niet vermeld in artikel 2bis, § 6, Drugswet dat bepaalt dat voorbereidende handelingen enkel strafbaar zijn met het oog op de aanmaak, de verkoop, de levering of de illegale verschaf-fing van verdovende middelen.
- Het arrest veroordeelt de eiser tot een straf wegens de vermengde telastleg-gingen A.I, A.II.a, A.II.b, A.II.c, A.III, B.I, B.II.a, B.III, B.IV, C.I, C.II.a, D en E.III. Die straf is naar recht verantwoord wegens de veroordeling van de eiser voor de telastleggingen A.I, A.II.a, A.II.b, A.II.c, A.III, C.I, C.II.a, D en E.III.
- Het middel dat enkel betrekking heeft op de telastleggingen B.I, B.II.a, B.III en B.IV, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser VI
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid en 211 Wetboek van Strafvordering: bij het bepalen van de straf en de strafmaat lastens de eiser houdt het arrest niet op individuele wijze en in het bijzonder rekening met de medewerking van de eiser tijdens het strafonderzoek als gerechtvaardigde grond tot strafvermindering; de afwijzing van eisers verzoek tot strafvermindering wegens zijn medewerking aan het strafonderzoek is daarentegen gesteund op re-denen die identiek zijn aan elk van de andere beklaagden die om strafverminde-ring hebben gevraagd zonder die medewerking te hebben verleend.
- Niets belet de rechter het verweer van meerdere beklaagden met betrekking tot de strafmaat op een gelijkaardige wijze te beantwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verwerpt eisers verzoek de hem op te leggen straf te milderen we-gens zijn medewerking aan het strafonderzoek als volgt: "Het milderen van de door de eerste rechter lastens [de eiser] uitgesproken straffen zou, mede gelet op de aard en ernst van de feiten zoals hierboven uiteengezet en de rol die [de eiser] heeft gespeeld, zijn strafrechtelijke voorgaanden en zijn persoonlijkheid, een on-voldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden en zou [de eiser] onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen." Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel in werkelijkheid op tegen de onaantastba-re beoordeling door het arrest van de maat van de aan de eiser op te leggen straf en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen I, II en III, heeft het arrest kracht van gewijsde. In zoverre ingesteld tegen de beslissingen over de onmiddel-lijke aanhouding van de eisers I, II en III, hebben die cassatieberoepen bijgevolg geen bestaansreden meer. Vijfde middel van de eiser I.1 en derde middel van de eiser I.2
- Het middel voert schending aan van artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: de beslissing over de onmiddellijke aanhouding van de eisers is mee uitgesproken door raadsheer Decoker, die geen deel uitmaakte van de zetel die over de zaak heeft beraadslaagd; de onmiddellijke aanhouding vormt één geheel met de veroordeling zelf; bijgevolg was de zetel onregelmatig samengesteld bij de beslissing over de onmiddellijke aanhouding.
- Gelet op de verwerping van de beslissing op de strafvordering, behoeft het middel dat betrekking heeft op een beslissing waartegen het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft, geen antwoord. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep IV. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 596,79 euro, waarvan de eisers I 102.21 euro-verschuldigd zijn, de eisers II en III elk 98,91 euro, de eisers IV, V en VI elk 98,92 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 20 november 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div