← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Rechtspersoon - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Vrije woorden: Rechtspersoon -

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet - Rechtspersoon -

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg - Schending Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Genot van de rechten en vrijheden zonder discriminatie - Rechtspersoon -

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg - Schending Fiches 7 - 10 Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen blijkt dat de wetgever met artikel 20 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering heeft willen beletten dat de strafvordering door vereffening of ontbinding wordt verhinderd, wanneer zij met name wordt ingesteld nadat de rechtspersoon ten gevolge van een inverdenkingstelling met zekerheid kennis heeft gekregen van het feit dat hij zal worden vervolgd en hetzelfde geldt a fortiori voor een dagvaarding of verwijzing naar de correctionele rechtbank; hieruit volgt dat ook ten aanzien van de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard, het bewijs niet moet geleverd worden dat de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel had te ontsnappen aan de vervolging en aldus bestaat de aangeklaagde ongelijke behandeling niet met de rechtspersoon die vóór de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening in verdenking werd gesteld

(1).
(1)A. DE NAUW en F. DERUYCK, "De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen", RW 1999-2000, nr. 27, 897-914. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden:

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Rechtspersoon - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Vrije woorden: Rechtspersoon -

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet - Rechtspersoon -

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg - Bestaanbaarheid met de Grondwet Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Genot van de rechten en vrijheden zonder discriminatie - Rechtspersoon -

Artikel 20

Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon - Verdere uitoefening van de strafvordering - Voorwaarden - Draagwijdte - Inverdenkingstelling van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter van een rechtspersoon vóór de invereffeningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening - Gevolg - Bestaanbaarheid met de Grondwet Fiches 11 - 14 Er is sprake van een strafvervolging als bedoeld in artikel 6.1 EVRM en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wanneer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft; maatregelen van burgerlijke aard vervat in een consensuele dadingsovereenkomst laten zich niet vereenzelvigen met een straf zodat het non bis in idem beginsel niet kan miskend zijn

(1).
(1)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr. 67 met concl. van advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht om niet tweemaal te worden berecht of gestraft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende Aanvullend Protocol - Artikel 4 - Recht om niet tweemaal te worden berecht of gestraft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Non bis in idem principe - Draagwijdte - Dadingsovereenkomst - Aard van de maatregel - Gevolg Thesaurus CAS: DADING Vrije woorden: Dadingsovereenkomst - Aard van de maatregel - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0007.N I
  1. J V J J M, beklaagde,
  2. P J J M, beklaagde,
  3. MEULEMAN nv, voorheen DECORTEAM MEULEMAN nv, met zetel te 8500 Kortrijk, Stasegemsesteenweg 17, beklaagde,
  4. MULTIDECOR bvba, met zetel te 8500 Kortrijk, Universiteitslaan 2, ge-splitst in PATRAS bvba en MEULEMAN nv, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, II KREAPAINT nv, met zetel te 3583 Beringen (Paal), Tervantstraat 7, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg, III
  5. P G J B, overleden, beklaagde, eiser,
  6. M V, rechtsopvolgster van wijlen P G J B voormeld, eiseres, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, cassatieberoepen I.1, I.3 en III tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest, en tevens met als raadsman mr. Filip van Dievoet, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 december
  7. De eiser I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres I.3 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiseres I.4 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III.1voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres III.2 hervat het geding aanhangig tussen de eiser III.1 en de verweer-der. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser I.1
  8. Het arrest oordeelt de appelrechters niet bevoegd om zich uit te spreken over de feiten van de telastleggingen IV.A.6 en IV.A.7, spreekt de eiser geheel of gedeeltelijk vrij van bepaalde telastleggingen en verklaart de burgerlijke rechts-vordering van de verweerder deels ongegrond. In zoverre gericht tegen deze beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser I.2
  9. Het arrest spreekt de eiser deels vrij van de telastleggingen. In zoverre gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres I.3
  10. Het arrest oordeelt dat de appelrechters niet bevoegd zijn om zich uit te spreken over de feiten van de telastleggingen IV.A.6 en IV.A.7, spreekt de eiseres geheel of gedeeltelijk vrij van bepaalde telastleggingen en verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder deels ongegrond. In zoverre gericht tegen deze beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres I.4
  11. Het arrest spreekt de eiseres deels vrij van de telastleggingen en verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiseres niet ontvankelijk. In zoverre gericht tegen deze beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser III op 18 april 2018 is overleden. Het overlijden van deze eiser vooraleer de bestreden beslissing over de strafvorde-ring in kracht van gewijsde is gegaan, heeft het verval van de tegen hem ingestel-de strafvordering tot gevolg waardoor die beslissing zonder uitwerking blijft. In zoverre gericht tegen de beslissing over de strafvordering, heeft het cassatiebe-roep geen bestaansreden meer.
  13. Het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder deels ongegrond. In zoverre gericht tegen deze beslissing is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memories van antwoord van de verweerder
  14. Er was voor de appelrechters geen geding aanhangig tussen de verweerder en de eisers I.2 en I.
  15. De verweerder heeft bijgevolg geen hoedanigheid om een memorie van antwoord in te dienen tegen die eisers. De memories van antwoord van de verweerder tegen de eisers I.2 en I.4 zijn niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres I.3, eerste middel van de eiser I.1, eerste middel van de eiser I.2 en derde middel van de eiseres I.4
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces. Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert aan dat het arrest onwettig oordeelt dat het gemis aan de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat bij de verhoren van alle verdachten hier niet heeft geleid tot een schending van artikel 6 EVRM, en er wel rekening mag worden gehouden met incriminerende elementen uit de verklaringen van ver-dachten die werden afgelegd tijdens verhoren zonder de mogelijkheid tot bijstand van een raadsman en zonder dat deze verdachten op hun recht daarover werden gewezen; het arrest steunt aldus onwettig voor het bewezen verklaren van de te-lastleggingen tegen de eisers op incriminerende elementen uit deze verklaringen; de redenen van het arrest als antwoord op eisers' verweer verantwoorden de be-slissing niet naar recht; er bestaat geen wettelijke reden om een verdachte die zich niet in een kwetsbare positie bevindt uit te sluiten van het recht op bijstand van een advocaat tijdens de verhoren en om verwittigd te worden van dit recht; hij is trouwens bijzonder kwetsbaar als hij wordt verhoord door de politie, zeker als dat gebeurt naar aanleiding van een onverwachte huiszoeking; het arrest beantwoordt dit laatste verweer niet; het arrest neemt onwettig de omstandigheid dat er steeds toegang was tot een advocaat aan om het verweer te verwerpen dat de verdachte de mogelijkheid moet krijgen om zich tijdens een verhoor te laten bijstaan door een advocaat en hij op dat recht moet worden gewezen; met het oordeel dat de beklaagden in het kader van al hun verhoren op de hoogte werden gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleggen van een ver-klaring, miskent het arrest de bewijskracht van de processen-verbaal van verhoor; bij alle ondervragingen van alle verdachten werden zij immers nooit op de hoogte gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleg-gen van een verklaring.
  18. Met het in het onderdeel vermelde oordeel geeft het arrest geen uitlegging van de in het onderdeel vermelde processen-verbaal en kan het bijgevolg de be-wijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  19. Het arrest (p. 77, littera 1 in fine) oordeelt dat de beklaagden op de hoogte werden gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleggen van een verklaring. Aldus stelt het arrest ook vast dat de eisers en de andere beklaagden werden gewezen op hun zwijgrecht. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  20. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd bij artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist slechts dat aan een verdachte bijstand van een advocaat bij zijn verhoor wordt verleend, wan-neer hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt of aan die bijzonder kwetsbare positie niet wordt geremedieerd door maatregelen die ten volle zijn recht van verdediging waarborgen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat een verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman bij elk verhoor door de politie, faalt het naar recht.
  21. Het staat aan de rechter om in feite te oordelen of een beklaagde bij zijn verhoor door de politie zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond.
  22. Het arrest oordeelt: - in deze zaak werden de beklaagden nooit van hun vrijheid beroofd. Ze konden steeds vrij komen en gaan; het gevoerde verweer is alleen daarom reeds niet re-levant; - daar waar het feitelijk verloop van het specifieke verhoor van 4 december 2008 daaromtrent volgens de eiser III.1 wel twijfel laat bestaan, is deze twijfel niet gerechtvaardigd; - het kwestieuze verhoor nam immers slechts 4 uur en 25 minuten in beslag, na-melijk van 16u15 tot 20u40, en gebeurde op basis van instemming en vrijwil-ligheid; - in de tussenperiode werd hij daarenboven omstreeks 19u10 in de gelegenheid gesteld om met zijn echtgenote te spreken; - uit de gegevens van het strafdossier blijkt evenmin dat de eiser III bijna 6 uur in de kantoren van de RSZ "diende te wachten" alvorens verhoord te worden; - hij verklaarde weliswaar op kantoor te zijn gebleven tijdens de voorafgaande huiszoeking maar maakt op geen enkel moment gewag van enige dwang, pres-sie of gerechtelijk bevel in die zin en evenmin dat dergelijke indruk zou zijn gewekt; - het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uit-gelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een persoon die wordt verhoord aangaande misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, tijdens dit verhoor wordt bijgestaan door een advocaat, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt; - het is in deze zaak nergens aannemelijk geworden dat de beklaagden zich tij-dens enig verhoor aangaande misdrijven hen ten laste gelegd in een bijzonder kwetsbare positie zouden hebben bevonden; - het is te verregaand te pretenderen - zoals onder andere de eiser III voorhoudt - dat het loutere feit dat men verdacht is per definitie impliceert dat men zich in een bijzonder kwetsbare positie zou bevinden; - in zoverre het verweer van de eiser III.1 vanuit die specifieke invalshoek te-ruggaat tot het verhoor van 4 december 2008 faalt het evenzeer naar recht; - de ganse kwestie van de kalmeerpilletjes wordt duidelijk opgeklopt in de we-tenschap dat hij in fine van zijn verhoor verklaarde: "ik heb geen opmerkingen omtrent het verloop van het verhoor. In de loop van de dag hebben uw collega's mij bij herhaling gevraagd of ik iets wenste te eten. U hebt mij dit ook gevraagd. Ik ben daar niet op ingegaan. U hebt mij te drinken aangeboden waarvan ik wel gebruik heb gemaakt. U vraagt mij of ik in staat ben om met de wagen naar huis te rijden. Dat is geen probleem. Het zal gaan. In de loop van de dag hebben uw collega's mijn kalmeerpilletjes afgenomen. Ik heb die pille¬tjes altijd bij maar ik heb er in de loop van de dag geen behoefte aan gehad. Ik gebruik ze trouwens zelden, en niet dagelijks. Ik neem ze opnieuw in ontvangst"; - het tijdelijk gemis aan pilletjes die hij, en naar eigen zeggen slechts zelden neemt, vormt geen grond van medische gerelateerde kwetsbaarheid en de eiser III had in dat perspectief overigens op het eigenste moment zelf totaal geen opmerkingen; - in deze zaak hebben de beklaagden - die steeds over de vrijheid van komen en gaan beschikten - altijd toegang gehad tot een advocaat. Een onrechtmatige beperking van dit recht is niet aannemelijk geworden. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eisers dat een verdachte bijzonder kwetsbaar zou zijn als hij wordt verhoord door de politie, als dat gebeurt naar aanleiding van een onverwachte huiszoeking, dat enkel als argument is aangevoerd ter ondersteuning van het verweer dat de eisers zich in een bijzonder kwetsbare positie zouden hebben bevonden en is de beslissing dat geen van de beklaagden zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond tijdens hun verhoor, naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert aan dat het arrest onwettig oordeelt dat het gebrek aan verwittiging van de verdachten over hun recht op stilzwijgen niet heeft geleid tot een schending van artikel 6 EVRM, en er wel rekening mag worden gehouden met incriminerende elementen uit de verklaringen van verdachten die werden afgelegd tijdens verhoren zonder dat zij werden verwittigd van hun recht op stilzwijgen en steunt aldus onwettig voor het bewezen verklaren van de telastleggingen tegen de eisers op incriminerende elementen uit deze verklaringen; de redenen van het arrest tot antwoord op eisers verweer verantwoorden de beslissing niet naar recht, schenden artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet en miskennen het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces; de eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat een waarschuwing dat een verklaring als bewijs kan worden gebruikt, niet gelijkstaat met een waarschuwing over het zwijgrecht; door enkel te zeggen dat dit wel zo is, zonder te motiveren waarom, beantwoordt het arrest dit verweer niet van de eiser; het arrest oordeelt onwettig dat aan de vooraf-gaandelijke verwittigingsplicht over het zwijgrecht zou zijn voldaan als enkel wordt meegedeeld dat de verklaring als bewijs kan worden gebruikt; het oordeel van het arrest dat het de eisers vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleg-gen van een verklaring, is geen wettige remedie voor het niet voorafgaandelijk verwittigen van het recht op stilzwijgen.
  24. Het arrest (p. 77, littera l in fine) oordeelt dat de eisers op de hoogte werden gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleg-gen van een verklaring. Aldus stelt het arrest ook vast dat de eisers werden gewezen op hun zwijgrecht en beantwoordt het eisers' desbetreffend verweer. Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  25. Het onderdeel voert aan dat het arrest onwettig oordeelt dat de derdenwer-king van een miskenning van de Salduz- en Panovitsbeginselen niet bestaat, tenzij de derde bij zijn verhoor van dezelfde rechten diende te genieten en hij op grond van de miskenning ervan zijn belastende verklaring intrekt; minstens had het arrest incriminerende elementen uit de verklaring van de eiser III.1 en de dertiende beklaagde niet tegen de eisers als bewijs ten laste mogen gebruiken, aangezien uit hun conclusies blijkt dat zij zelf de miskenning van de bedoelde Salduz- en Pano-vitsbeginselen hebben ingeroepen; aldus steunt het arrest eisers' schuldigverklaring onwettig op de bedoelde verklaringen; de redenen van het arrest tot antwoord op eisers' verweer verantwoorden de beslissing niet naar recht, schenden artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet en miskennen het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces; de redenen vermeld onder a en b op de pagina's 80 en 81 van het arrest zijn tegenstrijdig in die zin dat ze elk een uitzondering, maar niet dezelfde uitzondering, op de bedoelde niet-derdenwerking erkennen, terwijl in de reden onder b uitdrukkelijk wordt gesteld dat de daar genomen uitzonderin-gen de enige zijn; het arrest beantwoordt niet eisers' verweer dat aan de Salduz-beginselen wel derdenwerking moet worden toegekend, omdat anders de Salduz-bescherming volledig wordt uitgehold en dat, aangezien het gaat om een inbreuk op het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, wat de openbare orde raakt, bijgevolg een miskenning ervan ambtshalve door de rechter moet wor-den ingeroepen en bijgevolg niet kan afhangen van het al dan niet inroepen van de miskenning door de betrokkene zelf of door een derde; het arrest oordeelt onwet-tig dat een verdachte zich niet kan beroepen op de miskenning van de Salduz- en Panovitsrechten bij verklaringen die zijn afgelegd door andere verdachten, tenzij die persoon bij zijn verhoor van dezelfde rechten moest genieten en op grond van de miskenning ervan zijn verklaring intrekt; de bedoelde beginselen betreffen immers het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, wat de open-bare orde raakt; het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft trouwens duidelijk voor de volle derdenwerking van die beginselen geopteerd in het arrest Desde van 1 februari 2011; de volledige derdenwerking is het enige middel om misbruiken te voorkomen.
  26. Uit het antwoord op het eerste en tweede onderdeel blijkt dat het arrest vaststelt dat de in het onderdeel aangevoerde miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces van de eiser III.1 en van de dertiende beklaagde niet kan worden aangenomen en dat aldus hun veroordeling kan gegrond worden op de verklaringen die zij zelf aan de politie hebben afgelegd. Bijgevolg kan ook de veroordeling van de andere eisers op die verklaringen gegrond worden. In zoverre het onderdeel geheel ervan uitgaat dat het recht op een eerlijk proces is miskend, kan het niet worden aangenomen.
  27. Voor het overige komt het onderdeel op tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiseres I.3
  28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67, 193, 194, 196, 197, 213, 214, 246, § 2, 247, § 2, 252, 314, 496, 504bis, § 2 en 504ter Strafwetboek: het arrest stelt niet ondubbelzinnig vast dat de eiseres min-stens met opzet heeft gehandeld; het oordeelt dat "in die zin er door [de eiseres I.3] binnen haar rechtspersoon zeer bewust en wetens en willens een sfeer (werd) gecreëerd waarin het malafide reilen en zeilen van twee van haar bestuurders niet werd ingeperkt, minstens er een sfeer in die zin mogelijk (werd) gemaakt ingevolge grovelijke nalatigheid"; daarbij wordt eerst gesteld dat er door de eisers "zeer bewust en wetens en willens" zou zijn gehandeld, terwijl dan verder ook de moge-lijkheid wordt opengelaten dat het bij de eisers enkel ging om "grovelijke nalatig-heid"; aldus stelt het arrest ook niet vast dat de eiseres heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet, nu het niet uitsluit dat er bij de eiseres enkel sprake is van ‘grove nalatigheid', wat niet met opzet gelijk te stellen is; er kan geen strafba-re deelneming door onthouding bestaan, zonder dat deze onthouding opzettelijk is; zelfs grove nalatigheid kan hier dus zeker niet volstaan.
  29. Met het oordeel vermeld in het middel geeft het arrest te kennen dat de eise-res zeer bewust, wetens en willens en opzettelijk grovelijk nalatig is geweest om de misdrijven mogelijk te maken en oordeelt het zonder enige dubbelzinnigheid dat ze met opzet heeft gehandeld. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag. Derde middel van de eiseres I.3, tweede middel van de eiser I.1, tweede middel van de eiser I.2 en vijfde middel van de eiseres I.4
  30. Het middel voert schending aan van de artikelen 1 en 7 EVRM, de artikelen 2 en 15 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 246, § 2, 247, § 2, 252, 504bis, § 2 en 504ter Strafwetboek. Eerste onderdeel
  31. Het onderdeel voert aan dat het arrest de eisers onwettig met miskenning van het legaliteitsbeginsel veroordeelt voor actieve omkoping van personen die een openbaar ambt uitoefenen bij gebrek aan op het ogenblik van de incriminatie-periode toepasselijke strafbepaling; de hier toepasselijke wetsbepalingen stelden strafbaar de actieve omkoper die een voorstel doet aan de omgekochte, maar niet die een voordeel verstrekt zonder daarvoor een voorstel te hebben gedaan; die la-cune is pas later aangevuld in de wet; de interpretatieve wet van 11 mei 2007 doet daaraan geen afbreuk; het arrest oordeelt onwettig dat het hof van beroep niet ver-plicht zou zijn om, zoals gevraagd, de artikelen 246, § 2 en 504bis, § 2, Strafwet-boek, zoals deze bestonden vóór 8 juni 2007, te toetsen aan artikel 7 EVRM en ar-tikel 15 IVBPR; het antwoord geformuleerd in het arrest nr. 54/2007 van het Grondwettelijk Hof van 11 mei 2017 belet die toetsing niet.
  32. Het arrest oordeelt dat: - het Grondwettelijk Hof met arrest nr. 54/2017 van 11 mei 2017 heeft beslist dat het toekennen van een voordeel steeds het voorstellen van een voordeel impliceert. Zodra vaststaat dat een voordeel werd toegekend, al dan niet op vraag van de omgekochte, staat bijgevolg ook vast dat er minstens impliciet een voorstel daartoe werd gemaakt, zodat de in het geding zijnde strafbepalingen van toepassing zijn; - het verlenen van een voordeel per definitie, minstens impliciet een voorafgaan-delijk voorstel daartoe impliceert; - uit het toekennen van het voordeel op een afdoende rechtszekere en strafwaar-dige wijze kan worden afgeleid dat zulks minstens impliciet is voorafgegaan door een voorstel daartoe. Aldus oordeelt het arrest niet dat het louter verlenen van een voordeel zonder dat daaraan een voorstel is voorafgegaan, als dusdanig strafbaar is, maar wel dat het met de toepasselijke wetsbepalingen bedoelde voorstel tot het toekennen van een voordeel aan de omgekochte persoon hier is bewezen. Het onderdeel dat in zijn geheel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  33. Het onderdeel voert aan dat het arrest de eisers onwettig veroordeelt voor actieve private omkoping; dezelfde grieven als ontwikkeld in het eerste onderdeel gelden ook voor deze veroordeling; de actieve private omkoper moet ook weten dat zijn omkoping gebeurt zonder het medeweten of de machtiging van de in het artikel 504bis, § 2, Strafwetboek aangeduide organen of personen, nu dit laatste hier ook een constitutief element is van het misdrijf van actieve private omkoping; het arrest beantwoordt niet het desbetreffend verweer van de eisers en veroordeelt hen onwettig voor de telastleggingen VI.A, VII.C.1 tot VII.C.7 ,VIII.A, IX.A en X.D, zonder vast te stellen dat ze ook kennis hadden van het feit dat het beoogde handelen of nalaten van de omgekochte zou gebeuren "zonder medeweten en zon-der machtiging van naar gelang het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever."
  34. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen.
  35. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis van 18 november 2014 met betrekking tot de schuld van de eiser I.1 (arrest p. 87, ro 48), de eiser I.2 (arrest p. 96, ro 53), de eiseres I.3 (arrest p. 101, ro 58) en de eiseres I.4 (arrest p. 114, ro 63) als volgt: - wat betreft de telastleggingen VI.A en VI.B, tot beoordeling van de schuld van de eisers I.1, I.3 en I.4, dat de voorzitter van de raad van bestuur van de vzw Woon en Zorg H. Hart verklaarde dat hij niet op de hoogte was dat een firma van Meuleman gratis werken had uitgevoerd in de woning van de dertiende beklaagde; de feiten gebeurden dus zonder medeweten en zonder machtiging van de raad van bestuur van de vzw (vonnis p. 102); - wat betreft de telastleggingen VII.C en VII.D, tot beoordeling van de schuld van de eisers I.1, I.2 en I.3, dat de feiten van private omkoping plaats vonden ten aanzien van de veertiende beklaagde zonder medeweten en zonder mach-tiging van de raad van bestuur van de bewuste vzw's (vonnis p. 106); - wat betreft de telastleggingen VIII.A en VIII.B, tot beoordeling van de schuld van de eisers I.1 en I.3, dat uit de vermelde elementen kan afgeleid worden dat die eisers enerzijds achter de rug van de vzw's onrechtmatige voordelen toekennen aan hun voorzitter, in ruil om in de toekomst werken te mogen uitvoeren, maar anderzijds de vzw's laten opdraaien voor bepaalde kosten van die toegekende voordelen en een dergelijke handeling zowel economisch als ethisch totaal onaanvaardbaar is (vonnis p. 113); - wat betreft de telastleggingen IX.A en IX.B, voor de beoordeling van de schuld van de eisers I.1, I.2 en I.3, dat de zestiende beklaagde verklaarde dat zijn hiërarchische oversten bij het ABVV niet op de hoogte waren dat de werkbladen door de eisers I.3 bij hem werden geplaatst (vonnis p. 116); - wat betreft de telastleggingen X.D en X.E, voor de beoordeling van de schuld van de eisers I.1, I.2 en I.3, dat de voorzitter van de raad van bestuur van de vzw De Barkentein verklaart dat zij niet op de hoogte was dat de zeventiende beklaagde een geldsom van 7.500 euro had ontvangen. De feiten gebeurden zonder medeweten en zonder machtiging van de raad van bestuur van de vzw; de eisers I.1, I.2 en I.3 hebben zich dus schuldig gemaakt aan het misdrijf van actieve private omkoping met de omstandigheid dat het voorstel aangenomen werd (vonnis p. 120). Aldus stelt het arrest vast dat de bedoelde voorstellen zijn gedaan zonder het me-deweten of de machtiging van de in het artikel 504bis, § 2, Strafwetboek aange-duide organen of personen, geeft het te kennen dat de eisers dit wisten en beant-woordt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiseres I.3
  36. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet het verweer van de eiseres met betrekking tot de strafmaat, aanvoe-rende dat de bedrijfscultuur van de eiseres ondertussen totaal is gewijzigd.
  37. De in het middel vermelde argumenten werden enkel aangevoerd ter onder-steuning van eiseres' middel om een lichte straf op te leggen. Met de redenen die het arrest (p. 131 en 132) bevat, beantwoordt het eiseres' verweer met betrekking tot de strafmaat, zonder dat het moet antwoorden op elk argument ter ondersteu-ning van dat verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiseres I.3 Eerste onderdeel
  38. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Straf-wetboek: het arrest sluit niet uit dat de eiseres ook onder normale omstandigheden zonder misdrijf, op het bedoelde werk een hogere projectwinst dan haar gemid-delde jaarwinst zou hebben kunnen realiseren en bepaalt aldus niet wettig dat het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel hier bestaat uit het verschil tussen de projectwinst die de eiseres nu bekwam en haar gemiddelde jaarwinst op alle projecten van de eiseres samen; met de redenen die het bevat, kan het arrest niet wettig oordelen dat het verbeurd te verklaren vermogensvoordeel 241.919,69 euro bedraagt.
  39. Krachtens artikel 42, 3°, Strafwetboek, wordt de bijzondere verbeurdverkla-ring toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. Krachtens artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek raamt de rechter, indien de za-ken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, de geld-waarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeen-stemmend bedrag.
  40. De rechter oordeelt onaantastbaar of een vermogensvoordeel uit een misdrijf is verkregen en het staat aan de rechter om dit voordeel te ramen. Het Hof gaat enkel na of de rechter het wettelijk begrip vermogensvoordeel niet heeft miskend.
  41. Een vermogensoordeel als bedoeld bij artikel 42, 3°, Strafwetboek betreft elk economisch voordeel dat uit een misdrijf voortkomt. De omstandigheid dat dergelijk voordeel ook kon verkregen zijn zonder het plegen van het misdrijf, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre faalt het middel naar recht.
  42. Het arrest (p. 108) oordeelt: - de eerste rechter herleidde het bedrag waarvoor de verweerder werd opgelicht onder de telastlegging IV.C op goede gronden tot 242.293,84 euro krachtens een redenering die bij te treden valt; - het volledige projectbedrag van 654.856,00 euro staat niet synoniem met winst, maar de eiseres I.3 ging zelf wel uit van een projectwinst van 295.873,00 euro gelijkstaand met een winstpercentage van 51 procent, daar waar haar gemid-delde winstpercentage over het bewuste jaar 9,3 procent bedroeg; - van de projectwinst van 295.873,00 euro of nog 51 procent dient aldus de nor-male winstmarge van 9,3 procent (of nog 53.953,31 euro) in mindering ge-bracht; - dat maakt 241.919,69 euro en in die zin dringt er zich een cijfermatige correctie op van de perken waarbinnen de telastlegging IV.C bewezen is gebleven; - de eerste rechter bracht immers in navolging op het syntheseproces-verbaal de facto en ten onrechte slechts een afgeronde winstmarge van 9 procent (of nog 52.212,88 euro) in mindering; - de redenering van de eerste rechter, zoals gebaseerd op de parameters project-winst van 295.873,00 euro of nog 51 procent en de normale winstmarge van 9,3 procent berusten op objectieve bewijsgegevens die deel uitmaken van het strafdossier en die uitgaan van de eiseres I.3 zelf; - zonder de verboden prijsafspraak had de eiseres I.3 geen dergelijke winst kun-nen realiseren en zou de verweerder niet in die mate zijn opgelicht geweest; - dat de eiseres I.3 in normale omstandigheden misschien toch wel meer winst dan 9,3 procent had kunnen realiseren zoals zij voorhoudt is een redenering die voor het overige niet ter zake dienend is. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest heeft niet vastgesteld en kon niet vaststellen dat de eiseres zonder de onrechtmatige afspraken op het project toch niet meer winst zou hebben kunnen realiseren dan zijn gemiddelde jaarwinst van 9,3 procent; bijgevolg kent het arrest onwettig een schadevergoeding toe aan de verweerder die gelijk is aan het volle verschil tussen de projectwinst en de gemiddelde jaarwinst; bovendien staat niet vast dat de projectwinst boven de 9,3 procent met zekerheid schade is waarvan de verweerder vergoeding kan vragen; het arrest oordeelt ook niet dat het de schade ex aequo et bono bepaalt, wat ook niet kan tenzij wordt vastgesteld dat de schade onmogelijk anders zou kunnen worden bepaald.
  44. De rechter beoordeelt onaantastbaar de omvang van de schade die het ge-volg is van een misdrijf. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  45. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel bepaalt het arrest naar recht de omvang van de door de verweerder opgelopen schade. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde middel van de eiseres I.3 Eerste onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Straf-wetboek: het arrest verklaart onwettig het bedrag van 3.000 euro verbeurd; het kon immers niet met zekerheid vaststellen dat de eiseres uit de telastlegging I.E.7 een vermogensvoordeel van 3.000 euro heeft verkregen, het arrest stelt vast dat het hier slechts een vermoeden en een cijfermatige prognose betreft, wat niet de vereiste zekerheid geeft over de omvang van het vermogensvoordeel.
  47. De rechter beoordeelt onaantastbaar de omvang van het vermogensvoordeel dat in causaal verband staat met een misdrijf. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ont-vankelijk.
  48. Het arrest oordeelt niet dat het vermogensvoordeel vermoedelijk is vast te stellen op 3.000 euro. Het arrest (p. 105 en 137) oordeelt dat: - de eiser III stelde te "vermoeden" dat de verhoging 3.000 euro had bedragen; - hij een doelgerichte cijfermatige prognose van 3.000 euro gaf; - naar het oordeel van het hof van beroep dit volstaat om de telastlegging bewe-zen te verklaren binnen de geconcretiseerde perken zoals omschreven zonder dat er gewag moet worden gemaakt van een niet nader te bepalen bedrag in ab-stracto; - binnen de perken van de telastlegging I.E.7 het daaraan corresponderend ver-mogensvoordeel 3.000 euro bedraagt. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  49. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest kent een schadevergoeding toe aan de verweerder van 3.000 euro alhoewel de schade niet vaststaand en zeker is, aangezien dat bedrag als voorwerp van de oplichting slechts een vermoeden en een cijfermatige prognose is; het arrest oordeelt niet dat het die schade niet ex aequo et bono begroot, wat ook niet kan tenzij wordt vastgesteld dat de schade onmogelijk anders zou kunnen worden bepaald.
  50. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel oordeelt het arrest onaantastbaar dat de door de verweerder opgelopen schade 3.000 euro bedraagt en geeft het te kennen dat die schade vaststaand en zeker is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I.1
  51. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest heeft niet vastgesteld en kon niet vaststellen dat de eiseres I.3 zonder de onrechtmatige afspraken op het project toch niet meer winst zou hebben kunnen realiseren dan zijn gemiddelde jaarwinst van 9,3 procent; bijgevolg kent het arrest onwettig een schadevergoeding toe aan de verweerder die gelijk is aan het volle verschil tussen de projectwinst en de gemiddelde jaarwinst; bovendien staat niet vast dat de projectwinst boven de 9,3 procent met zekerheid schade is waarvan de verweerder vergoeding kan vragen; het arrest oordeelt ook niet dat het de schade ex aequo et bono bepaalt, wat ook niet kan tenzij wordt vastgesteld dat de schade onmogelijk anders zou kunnen worden bepaald.
  52. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het vijfde middel van de eiseres I.3 en is bijgevolg om dezelfde redenen te verwerpen. Vierde middel van de eiser I.1
  53. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest kent een schadevergoeding toe aan de verweerder van 3.000 euro als schadevergoeding voor de telastlegging I.E.7, alhoewel de schade niet vaststaand en zeker is, aangezien dat bedrag als voorwerp van de oplichting slechts een vermoeden en cijfermatige prognose is; het arrest beoordeelt die scha-de niet ex aequo et bono, wat ook niet kan tenzij wordt vastgesteld dat de schade onmogelijk anders zou kunnen worden bepaald.
  54. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het zesde middel van de eiseres I.3 en is bijgevolg om dezelfde redenen te verwerpen. Eerste middel van de eiseres I.4
  55. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is te-genstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds bij het onderzoek van de verjaring van de strafvordering op pagina 62 dat de incriminatieperiode zich hier voor de eiseres I.4 uitstrekt tot 1 januari 2009 en verklaart anderzijds geen telastlegging bewezen die zich met zekerheid voordoet na 2 februari
  56. Het is niet tegenstrijdig te oordelen eensdeels dat de incriminatieperiode voor de eiseres voor alle telastleggingen zich uitstrekt tot 1 januari 2009 en ander-deels de eiseres slechts schuldig te verklaren aan telastleggingen die in de tijd zijn gesitueerd tot 2 februari
  57. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiseres I.4
  58. Het middel voert schending aan van artikel 28 Bijzondere Wet Grondwette-lijk Hof: het arrest weigert onwettig artikel 20, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, buiten toepassing te laten alhoewel de schending van de Grondwet door deze wetsbepaling is vastgesteld door het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 54/2017 van 11 mei 2017; het arrest interpreteert dat arrest verkeerd door te oordelen dat er enkel een ongrondwettigheid schuilt in het ont-breken van een gelijkaardige regeling voor een vergelijkbare categorie van perso-nen.
  59. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de eiseres I.4 bij notariële akte van 29 juni 2016 werd opgesplitst in twee afzonderlijke vennootschappen, hetgeen overeenstemt met een ontbinding zonder vereffening van de eiseres, terwijl ze op 28 september 2010 door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld. Steunend op het arrest nr. 54/2017 van 11 mei 2017 van het Grondwettelijk Hof, voerde deze eiseres voor de appelrechters aan dat artikel 20, tweede lid, Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering niet kan worden toegepast en de straf-vordering bijgevolg vervallen is daar deze bepaling een niet te verantwoorden on-gelijke behandeling invoert tussen rechtspersonen die zich in dezelfde rechtstoe-stand bevinden.
  60. Het komt de verwijzende rechter toe de bepalingen die hij toepast uit te leg-gen en het Grondwettelijk Hof beantwoordt de gestelde prejudiciële vraag uit-gaande van deze uitlegging. Krachtens artikel 28, eerste lid, van de Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, moe-ten het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het ge-schil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof. Deze verplichting bestaat evenwel slechts indien de wet moet worden uitgelegd zoals door het Grondwette-lijk Hof gedaan om de grondwettigheid ervan te beoordelen. Niets belet het Hof evenwel krachtens zijn grondwettelijke en wettelijke opdracht, de wet die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag anders uit te leggen.
  61. Artikel 20 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals hier toe-passelijk, bepaalt: "De strafvordering vervalt door de dood van de verdachte of door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening wanneer het om een rechtspersoon gaat. De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend, indien de invereffening-stelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben te ontsnappen aan de vervolging, of indien de rechtspersoon overeenkom-stig artikel 61bis door de onderzoeksrechter in verdenking gesteld is voor het ver-lies van de rechtspersoonlijkheid. De burgerlijke rechtsvordering kan uitgeoefend worden tegen de verdachte en tegen zijn rechtsopvolgers."
  62. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 54/2017 van 11 mei 2017 het artikel 20, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering slechts onderzocht in het licht van de interpretatie dat deze bepaling een verschil in be-handeling doet ontstaan doordat ten aanzien van de rechtspersoon die voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld niet het bewijs moet worden geleverd dat de invereffeningstelling of ont-binding tot doel had aan de vervolging te ontsnappen, terwijl dat in andere geval-len wel steeds moet worden geleverd. Het stelt vervolgens een schending vast van de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen, enerzijds de rechtspersonen die voor hun invereffeningstelling, gerechte-lijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening in verdenking zijn gesteld door een onderzoeksrechter en, anderzijds, de rechtspersonen die voor hun invereffe-ningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard.
  63. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen blijkt evenwel dat de wetgever met artikel 20 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering heeft willen beletten dat de strafvordering door vereffening of ontbinding wordt verhinderd, wanneer zij met name wordt ingesteld nadat de rechtspersoon ten gevolge van een inverdenkingstelling met zekerheid kennis heeft gekregen van het feit dat hij zal worden vervolgd. Hetzelfde geldt a fortiori voor een dagvaarding of verwijzing naar de correctionele rechtbank. Hieruit volgt dat ook ten aanzien van de rechtspersonen die vóór hun invereffe-ningstelling, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard, het bewijs niet moet geleverd worden dat de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder ver-effening tot doel had te ontsnappen aan de vervolging. Aldus bestaat de aange-klaagde ongelijke behandeling niet met de rechtspersoon die vóór de invereffe-ningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening in verdenking werd gesteld. Daarenboven volgt uit het arrest nr. 54/2017 van het Grondwettelijk Hof van 11 mei 2017 dat de ongelijke behandeling tussen deze rechtspersonen en deze die het voorwerp hebben uitgemaakt van een nominatieve vordering tot gerechtelijk onderzoek of een nominatieve klacht met burgerlijke partijstelling, de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt.
  64. Op die rechtsgrond die het Hof in de plaats stelt van de door het middel aangevochten redenen, is de beslissing dat geenszins kan worden besloten tot het verval van de strafvordering tegen de eiseres I.4, naar recht verantwoord. Het middel, al was het gegrond, kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is bijge-volg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiseres I.4
  65. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67, 193, 194, 196, 197, 213, 214, 496, 504bis, § 2 en 504ter Strafwetboek: het ar-rest stelt niet ondubbelzinnig vast dat de eiseres minstens met opzet heeft gehan-deld; het oordeelt dat "in die zin er door [de eiseres I.4] binnen haar rechtsper-soon zeer bewust en wetens en willens een sfeer (werd) gecreëerd waarin het ma-lafide reilen en zeilen van haar zaakvoerders niet werd ingeperkt, minstens er een sfeer in die zin (werd) mogelijk gemaakt ingevolge grovelijke nalatigheid"; daarbij wordt eerst gesteld dat er door de eiseres "zeer bewust en wetens en willens" zou zijn gehandeld, terwijl dan verder ook de mogelijkheid wordt opengelaten dat het bij de eiseres enkel ging om "grovelijke nalatigheid"; het arrest stelt evenmin vast dat de eiseres heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet, nu het niet uitsluit dat er bij de eiseres enkel sprake is van ‘grove nalatigheid', wat niet met opzet gelijk te stellen is.
  66. Met het oordeel vermeld in het middel geeft het arrest te kennen dat de eise-res zeer bewust, wetens en willens en opzettelijk grovelijk nalatig is geweest om de misdrijven mogelijk te maken en oordeelt het zonder enige dubbelzinnigheid dat ze met opzet heeft gehandeld. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag. Eerste middel van de eiseres II
  67. Het middel voert schending aan van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbe-ginsel non bis in idem: het arrest verwerpt onwettig het non bis in idem beginsel door aan te nemen dat de betaling van de eiseres, met inbegrip van de van ambts-wege door het Vast Bureau van het Vlaams Parlement opgelegde geldboete, niet kan worden gekwalificeerd als een straf.
  68. Er is sprake van een strafvervolging als bedoeld in artikel 6.1 EVRM en ar-tikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wanneer deze vervolging beant-woordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft.
  69. Het arrest (p. 68-69) oordeelt dat: - de straf die de eiseres werd opgelegd door het Vast Bureau van het Vlaams Parlement niet meer dan de resultante was van de schending van een aantal puur contractuele bepalingen; - het een maatregel betrof van ambtswege opgelegd wegens strijdig gedrag met de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten, sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de daaruit voortvloeiende Algemene Aannemingsvoorwaarden (AAV); - in dat geval de aanbestedende overheid van rechtswege het bedrag van de borgtocht (in casu 15.000 euro) verwierf bij wijze van forfaitaire schadevergoeding en als bijkomende maatregel van ambtswege een geldboete van 1,5 x het bedrag dat bij de oorspronkelijke aannemingssom werd gevoegd (in casu 72.093,40 euro); - de overige 33.364,17 euro waarvan de eiseres gewag maakt, louter voorwerp van interne afrekening was; - het Vlaams Parlement voorts zelf erkende nog een bedrag van 69.480,16 euro verschuldigd te zijn aan de eiseres; - vervolgens in het licht van al deze over en weer verschuldigde bedragen werd overgegaan tot schuldvergelijking en het afsluiten van een overeenkomst die zich de facto laat vereenzelvigen met een dadingsovereenkomst; - in artikel 6 van diezelfde overeenkomst er tot slot wel voorbehoud werd ge-maakt voor de eventuele uitsluiting van de eiseres van toekomstige opdrachten en voor "de gebeurlijke schade die niet zou zijn gedekt door de inhouding van de borgtocht en die zijn oorzaak zou vinden in gegevens waarvan het Vlaams Parlement thans geen kennis heeft en waarvan hij in het kader van de straf-rechtelijke procedure kennis zou nemen op basis van het onderzoek van het strafdossier"; - een dadingsovereenkomst tussen twee contractspartijen waarbij op grond van wilsovereenstemming wordt besloten tot een interne afrekening - zelfs in de wetenschap dat hierin boeteclausules liggen vervat op grond van forfaitair ge-leden schade - zich niet laat vereenzelvigen met een strafsanctie; - in het voorliggende geval er immers geen sprake van een eenzijdig opgelegde sanctie was maar van een onderhandeld akkoord en dus van instemming door de "gesanctioneerde" partij; - bovendien de financiële compensatie er in wezen toe strekte om schade geleden door de andere contractpartij te vergoeden zonder dat het forfaitair karakter daarvan hier afbreuk aan doet; - de ganse financiële operatie daarenboven haar oorzaak vond in een burgerlijk en contractueel contentieux; - de omstandigheid dat de tegenpartij in casu een overheidsinstantie was en dat de aannemingsvoorwaarden gelieerd zijn aan de wet overheidsopdrachten het voorgaande onverlet laat; - finaal door het Vast Bureau van het Vlaams Parlement de geschonden contrac-tuele inbreuken geremedieerd werden en geen misdrijf - noch a fortiori het daaraan inherente moreel misdrijfbestanddeel - werd beteugeld; - dit alles nog des te meer wordt geïllustreerd door het feit dat de dadingsover-eenkomst reeds werd gesloten op 13 januari 2010 terwijl de eiseres pas door de raadkamer naar het vonnisgerecht zou verwezen worden op 16 december 2011; - in die zin het ook logisch en consequent is dat er in de overeenkomst abstractie werd gemaakt van de strafrechtelijke procedure middels de volgende passage: "de gebeurlijke schade die niet zou zijn gedekt door de inhouding van de borg-tocht en die zijn oorzaak zou vinden in gegevens waarvan het Vlaams Parlement thans geen kennis heeft en waarvan hij in het kader van de strafrechtelijke procedure kennis zou nemen op basis van het onderzoek van het strafdossier"; - de uiteindelijke impact van de strafprocedure op dat moment immers nog niet gekend was; - het hof van beroep aldus besluit dat maatregelen van burgerlijke aard - in casu dan nog vervat in een consensuele dadingsovereenkomst - zich niet met een straf laten vereenzelvigen zodat het non bis in idem beginsel evenmin kan mis-kend zijn. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres II
  70. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66, 193, 197, 314 en 496 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiseres schuldig zonder een opzettelijke daad van deelneming aan de misdrijven vast te stellen en evenmin een bewust en opzettelijk verzuim; het arrest verwijt de eiseres uitsluitend een organisatorische fout en onachtzaamheid; aldus beantwoordt het arrest ook niet het desbetreffend verweer van de eiseres.
  71. Met de redenen die het (p. 122-123) bevat, omschrijft het arrest duidelijk het deelnemingsopzet van de eiseres II, verklaart het haar eraan schuldig en beant-woordt het het desbetreffende verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiseres III.2
  72. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de beslui-ten van de beklaagde of zijn raadsman. Eerste onderdeel
  73. Het onderdeel voert aan dat het arrest onwettig oordeelt dat de ingeroepen miskenning van de cautieplicht, hier niet heeft geleid tot een schending van artikel 6 EVRM en er bij de beoordeling van de schuld wel rekening mag worden gehou-den met incriminerende elementen uit de verklaringen van verdachten; het arrest beantwoordt niet het verweer dat de enige informatie die werd gegeven, gebeurde op grond van artikel 47bis, oud, Wetboek van Strafvordering en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij arrest nr. 25303/08 van 27 oktober 2011 expli-ciet heeft vastgesteld dat de kennisgeving conform artikel 47bis, oud, Wetboek van Strafvordering niet volstaat in het licht van de cautieverplichting; door te oor-delen dat de beklaagden in het kader van al hun verhoren uitdrukkelijk kennis werd gegeven van het feit dat hun verklaring in rechte kon worden gebruikt en zij tevens op de hoogte werden gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleggen van een verklaring, miskent het arrest de bewijs-kracht van de verschillende processen-verbaal van verhoor, waarvan geen enkele vermeldt dat de verhoorde verdachten op de hoogte werden gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleggen van een verklaring; de reden dat de beklaagden in casu in het kader van al hun verhoren uitdrukkelijk kennis werd gegeven van het feit dat hun verklaring in rechte kon worden gebruikt is ook niet dienstig om toe te laten dat incriminerende verklaringen die door verdachten zijn afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat, gebruikt worden voor een veroordeling; het feit dat de eiser III.1 bij toepassing van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering kennis zou hebben gekregen van zijn zwijgrecht of van het feit dat hij na overleg met zijn raadsman de mogelijkheid had om een nieuw verhoor aan te vragen volstaat overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet ter remediëring van de uitsluiting van de bijstand vóór en tijdens het verhoor.
  74. Het arrest (p. 77, littera l in fine) oordeelt dat de eisers op de hoogte werden gesteld van het feit dat het hen vrij stond om al dan niet over te gaan tot het afleg-gen van een verklaring. Aldus stelt het arrest ook vast dat de eisers werden gewe-zen op hun zwijgrecht en beantwoordt het het desbetreffend verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument tot ondersteuning van dat verweer, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  75. Met dat oordeel geeft het arrest geen uitlegging van de in het onderdeel vermelde processen-verbaal en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet misken-nen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  76. Het onderdeel voert aan dat het arrest onwettig oordeelt dat de ingeroepen miskenning van het consultatierecht en bijstandsrecht, hier niet heeft geleid tot een schending van artikel 6 EVRM en er bij de beoordeling van de schuld wel re-kening mag worden gehouden met incriminerende elementen uit de verklaringen van verdachten; het oordeelt onwettig dat alleen dan geen rekening mag worden gehouden met incriminerende elementen uit verklaringen van verdachten die zijn afgelegd zonder de mogelijkheid tot bijstand van een raadsman en zonder dat deze verdachten op hun recht daaromtrent werden gewezen, wanneer deze verdachten op het ogenblik van hun verhoor ook, ofwel van hun vrijheid beroofd waren, ofwel zich in een bijzonder kwetsbare positie bevonden; er is bovendien geen enkele wettige reden om verdachten die niet van hun vrijheid zijn beroofd of die zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevinden, uit te sluiten van het recht op de mogelijke bijstand van een raadsman tijdens hun verhoren door de politie en van hun recht hiervan verwittigd te worden; dit werd uitdrukkelijk bevestigd met artikel 2 van de Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013; aangezien bovendien elke verdachte bijzonder kwetsbaar wordt wanneer hij door de politie in het kader van een tegen hem gevoerd onderzoek wordt verhoord, neemt het arrest onwettig aan dat de in deze zaak verhoorde verdachten zich niet in een bijzonder kwetsbare toestand bevonden; de eiser III.1 heeft onder rechtsoverweging 1.13 van zijn beroepsconclusie concreet de feitelijke vrijheidsberoving en zijn bijzondere kwetsbaarheid aangevoerd; aangezien het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met het arrest van 27 november 2008 (§ 55) heeft aangenomen dat in principe onherstelbare schade wordt toegebracht aan het recht van verdediging indien incriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder de aanwezigheid van een advocaat, gebruikt worden voor een veroordeling, wettigen de redenen van het arrest niet dat dergelijke verklaringen zonder dat de verdachten cautie werd gegeven en zonder voorafgaande consultatie noch de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat tijdens het verhoor het gebruik van die verklaringen voor een veroordeling; het feit dat de Belgische wetgeving op datum van het verhoor niet in dergelijke bijstand voorzag kan geen dwingende reden zijn om niet in het recht op bijstand te voorzien; de systematische uitsluiting van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, op grond van de ‘oude' Belgische wetgeving, volstaat om tot schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM te besluiten; de schade die volgt uit het gebrek aan bijstand van een advocaat kan niet worden hersteld, noch op enigerlei andere wij-ze geremediëerd; het feit dat de verdachte tijdens het vooronderzoek toegang had tot een advocaat, betekent niet dat hij daarom ook niet de mogelijkheid moet krij-gen om voorafgaand aan een verhoor en tijdens het verhoor toegang te hebben tot een advocaat; het arrest sluit onwettig niet de verhoren uit als bewijsmiddel.
  77. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd bij artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist slechts dat aan een verdachte bijstand van een advocaat bij zijn verhoor wordt verleend, wan-neer hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt of aan die bijzonder kwetsbare positie niet wordt geremedieerd door maatregelen die ten volle zijn recht van verdediging waarborgen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  78. De Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbene-ming, gepubliceerd op 6 november 2013 is krachtens artikel 17 ervan, toepasselijk vanaf de twintigste dag na de publicatie en aldus niet toepasselijk op de met het onderdeel bedoelde verhoren. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  79. Met de redenen die het arrest bevat, oordeelt het naar recht dat geen van de eisers zich in een bijzonder kwetsbare positie bevonden bij hun verhoor. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  80. Het onderdeel voert aan dat het arrest de schuldigverklaring van de ei-ser III.1 voor de telastleggingen II.A, II.B en II.C onwettig steunt op de verhoren afgenomen met miskenning van de cautieplicht, het recht op voorafgaande consul-tatie en het recht op bijstand van een advocaat; de tijdens deze verhoren afgelegde verklaringen vormen de rechtstreekse aanleiding en enige grond van het onderzoek naar deze feiten; het arrest beantwoordt niet het verweer dat het onderzoek naar het luik Com-Ad Services volledig voortvloeit uit de onwettige verklaring van de eiser III.1 en er dus geen wettig bewijs van enig misdrijf voorligt.
  81. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste en tweede onderdeel is het om dezelfde redenen te verwerpen.
  82. Aangezien het arrest het verweer verwerpt dat de verklaringen van de ei-ser III.1 onwettig zijn afgelegd, dient het niet meer te antwoorden op het nutteloos verweer dat er wegens het onwettig afleggen van die verklaringen, geen wettig bewijs is van de telastleggingen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  83. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 196, 197 en 496 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op conclusies: door voor de schuldigverklaring aan de telastleggingen II.A.1 tot en met II.A.31, II.B en II.C, te steunen op de inhoud van het syntheseproces-verbaal nr. 1044/2010 van 15 maart 2010 (kaft III, p. 1354-1366) miskent het arrest de bewijskracht van dat syntheseproces-verbaal; in dat syntheseproces-verbaal wordt immers vastgesteld dat het onduidelijk blijft welke reële goederen en diensten er geleverd zijn aan de verweerder en dat niet kon worden vastgesteld welke goederen en diensten effectief werden geleverd aan de verweerder; het arrest beantwoordt niet het verweer gesteund op dat syntheseproces-verbaal; het arrest stelt niet wettig vast dat de van valsheid betichte facturen effectief een vervalsing van de waarheid uitmaken; bij gebrek aan een vals stuk (telastlegging II.A) is ook de schuldigverklaring aan de telastlegging gebruik van valse geschriften (II.B) en oplichting (II.C) niet naar recht verantwoordt.
  84. Het arrest geeft geen uitlegging van het syntheseproces-verbaal nr. 1044/2010 van 15 maart 2010 en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet mis-kennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  85. Met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest het verweer dat de be-doelde telastleggingen niet bewezen zijn zonder dat het moet antwoorden op elk argument ter ondersteuning van dat verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  86. Aldus stelt het arrest ook naar recht de valsheid van de bedoelde stukken vast en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  87. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Zegt voor recht dat de bestreden beslissing over de strafvordering tegen de ei-ser III.1 zonder uitwerking blijft. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres III.2 tot de helft van de kosten van het cassatieberoep III en laat de overige kosten van dat cassatieberoep ten laste van de Staat. Veroordeelt de eisers I en II tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 669,42 euro waarvan de eisers I en II elk 223,14 euro en de eiseres III.2 en de Staat elk 111,57 verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200324.1N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220517.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.