← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.4 Rolnummer: P.18.0507.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-12-10 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-06-29 10:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verplichting om bij richtingverandering voorrang te verlenen aan het tegenliggend verkeer is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de voorranggerechtigde bestuurder normaal rijdt, voor zover hij geen niet te voorziene hindernis oplevert en de rechter oordeelt onaantastbaar aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak of een hindernis al dan niet kon worden voorzien, waarbij het Hof alleen nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Cass. 20 december 2016, AR P.15.0794.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161220.1, AC 2016, nr. 737; Cass. 26 oktober 1993, AR 6555, AC 1993, nr. 428. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 19 - Artikel 19.3 Vrije woorden: Artikel 19.3.3° - Richtingverandering - Verlenen van voorrang - Draagwijdte - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeer - Wegverkeersreglement - Reglementsbepalingen - Artikel 19 - Artikel 19.3 - Artikel 19.3.3° - Richtingverandering - Verlenen van voorrang - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.18.0507.N 1. A V, 2. M T, 3. S V, 4. F T, 5. J T, 6. M T, 7. V T, 8. M T, 9. K T, 10. G T, in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van E H, overleden, 11. M V, burgerlijke partijen, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kie-zen, tegen 1. M C V, beklaagde, verweerster, 2. AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, E. Jacqmainlaan 53, vrijwillig tussengekomen partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 16 maart 2018, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 20 december 2016. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 19.3.2°
  1. a)en 19.3.3°, Wegverkeersreglement: de appelrechters steunen hun oordeel dat het slachtoffer onvoorzienbaar is opgedaagd en een onvoorzienbare hindernis heeft gevormd op de omstandigheid dat de snelheid van de voorranggerechtigde motorrijder over-dreven was; dit impliceert evenwel geenszins dat zijn komst onvoorzienbaar was en hij een onvoorzienbare hindernis vormde; het loutere feit dat een tegenliggende bestuurder die in beginsel voorranggerechtigd is en die zichtbaar is voor de voor-rangplichtige bestuurder een hogere snelheid voert dan de ter plaatse toegelaten snelheid, volstaat als dusdanig niet om te besluiten dat deze bestuurder een on-voorzienbare hindernis uitmaakte voor de voorrangplichtige bestuurder; de appel-rechters die op deze gronden de burgerlijke rechtsvordering van de eisers afwijzen verantwoorden hun beslissing niet naar recht. 2. Krachtens artikel 19.1 Wegverkeersreglement moet de bestuurder die naar links wil afslaan om de rijbaan te verlaten, zich vooraf ervan vergewissen dat hij dit kan doen zonder gevaar voor de andere weggebruikers. Krachtens artikel 19.3.3°, Wegverkeersreglement moet deze bestuurder voorrang verlenen aan de tegenliggers op de rijbaan die hij gaat verlaten. De verplichting om voorrang te verlenen aan het tegenliggend verkeer is niet on-derworpen aan de voorwaarde dat de voorranggerechtigde bestuurder normaal rijdt, voor zover hij geen niet te voorziene hindernis oplevert. De rechter oordeelt onaantastbaar aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak of een hindernis al dan niet kon worden voorzien. Het Hof gaat alleen na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 3. De appelrechters stellen vast, eensdeels, dat uit de verklaring van getuige F A blijkt dat ze vreesde dat de motorrijders uit de bocht zouden vliegen met hun snelheid en, anderdeels, dat de door de procureur des Konings aangestelde des-kundige Nieman heeft besloten dat op basis van de sporen de initiële naderings-snelheid van motorrijder M V kon worden berekend op iets meer dan 100 km per uur. Zij oordelen tevens dat het feit dat de motorrijder zichtbaar was, als dusdanig niet verhindert dat hij en zijn komst onvoorzienbaar waren. Uit die feitelijke vaststellingen hebben de appelrechters kunnen afleiden dat de komst van de voorranggerechtigde bestuurder onvoorzienbaar was en hij een on-voorzienbare hindernis heeft gevormd voor de eerste verweerster. Aldus is de be-slissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 19.3.2°
  2. a)en 19.3.3°, Wegverkeersreglement: de appelrechters leiden uit hun feitelijke vaststellingen ten onrechte af dat de snelheid van de motorfiets bestuurd door M V tot gevolg heeft dat het feit dat de eerste verweerster met de linkerzijde van haar voertuig op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer stond geen fout uitmaakt. 5. Anders dan het onderdeel aanvoert leiden de appelrechters de afwezigheid van fout bij de eerste verweerster af uit de vaststelling dat het slachtoffer onvoor-zienbaar is opgedaagd en een onvoorzienbare hindernis heeft gevormd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 6. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs in het eerste on-derdeel aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel onontvankelijk. Derde onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 418 en 419 Strafwetboek, alsmede miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de omstandigheid dat de eerste verweerster met de linkerzijde van haar voer-tuig op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer stond, geen fout uitmaakt in oorzakelijk verband met het ongeval; dit komt erop neer te oordelen dat de afwe-zigheid van het oorzakelijk verband tussen de fout van de eerste verweerster en de schadelijke gevolgen van het ongeval het gevolg is van de fout van het slachtoffer, met name door de plaats van het ongeval te naderen aan een overdreven snelheid; de omstandigheid dat het slachtoffer eventueel een fout zou hebben begaan die mede in oorzakelijk verband staat met het ongeval, neemt echter niet weg dat ook het rijgedrag van de eerste verweerster in oorzakelijk verband zou kunnen staan met de door het slachtoffer opgelopen schade. 8. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door de rechter of een onderzoek van feiten door het Hof vereist waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 9. Het bestreden vonnis oordeelt dat: - het feit dat de eerste verweerster met de linkerzijde van haar voertuig op de rij-strook voor tegemoetkomend verkeer stond, volgens het deskundigenverslag en de verklaring van de andere motorrijder het gevolg is van de correctie die de eerste verweerster heeft willen uitvoeren om het afdraaien te herstellen bij het onvoorzienbaar opdagen van het slachtoffer, zodat de poging tot herstel en het zich deels bevinden op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer als dusdanig geen fout uitmaakt; - het ongeval volgens de deskundige in hoofde van de motorrijder onvermijdbaar was, zowel in ruimte als in tijd; - het ongeval zich ook aan 70 km per uur zou hebben voorgedaan; - de motorrijder voorafgaand de botsing met zekerheid zichtbaar was voor de eerste verweerster, dit ongeacht de snelheid van de motorrijder; - het hiermee geenszins vaststaat dat de eerste verweerster aansprakelijk is voor het ongeval; - het op grond van de omstandigheden van het ongeval vaststaat dat het slachtoffer onvoorzienbaar is opgedaagd en een onvoorzienbare hindernis heeft gevormd, zodat de eerste verweerster, ook al zou het ongeval zich bij een maxi-mum toegelaten snelheid hebben kunnen voorgedaan, geen fout heeft begaan. Met deze redenen sluiten de appelrechters ieder oorzakelijk verband uit tussen een mogelijke fout van de eerste verweerster en de schadelijke gevolgen van het on-geval en verantwoorden zij aldus naar recht hun beslissing dat de eerste verweer-ster geen fout beging in oorzakelijk verband met het overlijden van M V. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben zich niet gevoegd naar het arrest van het Hof van 20 december 2016 door het onvoorzienbaar karakter van de komst van de motorrijder enkel te laten steunen op de door hem gevoerde overdreven snelheid, wat enkel betrekking heeft op het eventueel voorzienbaar karakter van de snelheid van de voorranggerechtigde, maar niet op het al dan niet voorzienbaar karakter van zijn komst. 11. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, oordeelt het bestreden vonnis dat de komst van de voorranggerechtigde bestuurder onvoorzienbaar is. Het onderdeel dat aanvoert dat het bestreden vonnis dit niet vaststelt, berust op een onjuiste lezing ervan en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman A. Lievens F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.4 Gerelateerde publicatie(
  3. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161220.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.