id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.3 Rolnummer: P.18.0849.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2018-12-17 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-06-28 04:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereist dat de rechter bij het bepalen van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, de erin vermelde criteria toepast op de feiten die hij zelf beoordeelt; de rechter op verwijzing moet dat bedrag niet afwegen tegen bedragen die andere rechters hebben bepaald in een voorheen vernietigd vonnis of arrest, noch, behoudens daartoe strekkende conclusie, motiveren waarom hij een ander bedrag bepaalt in vergelijking met het voorheen bepaalde bedrag. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Bepaling van het bedrag - Beoordeling door de rechter op verwijzing - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Bepaling van het bedrag - Beoordeling door de rechter op verwijzing - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid Tekst van de beslissing Nr. P.18.0849.N J-M B, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie Brussel, tegen N C, inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 juni 2018, gewezen op verwijzing in-gevolge het arrest van het Hof van 23 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerder van tweemaal een rechtsplegingsvergoeding van 720 euro voor de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep; het arrest is op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 23 mei 2017 dat het arrest van 31 mei 2016 tot buitenvervolgingstelling van de verweerder beperkt vernietigde; het arrest van 31 mei 2016 is op zijn beurt op verwijzing gewezen in-gevolge het arrest van het Hof van 10 februari 2015 dat het arrest van 11 septem-ber 2014 tot buitenvervolgingstelling van de verweerder vernietigde; in de ver-melde arresten veroordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling de eiser telkens tot het betalen van rechtsplegingsvergoedingen van 82,50 euro per aanleg; het ar-rest dat, ondanks de perken van de verwijzing, die rechtsplegingsvergoedingen plots verhoogt tot 720 euro per aanleg, houdt geen rekening met de criteria be-paald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en motiveert die verhoging tegenover de voorgaande arresten niet, ondanks het feit dat eisers financiële draagkracht niet is gewijzigd, de verweerder de voorheen toegekende rechtsplegingsvergoedingen niet heeft betwist, de eiser dezelfde stukken heeft neergelegd als voorheen, de ei-ser slechts korte besluiten heeft neergelegd, de zaak niet complexer is geworden en de situatie voor de eiser kennelijk onredelijk is.
- Krachtens artikel 128 Wetboek van Strafvordering veroordeelt de raadka-mer in geval van buitenvervolgingstelling de burgerlijke partij die het onderzoek heeft ingeleid door zijn burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter, tot het betalen aan de inverdenkinggestelde van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Krachtens artikel 240 Wetboek van Strafvordering is die bepaling ook van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling.
- Bij het arrest van 23 mei 2017 vernietigde het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 31 mei 2016 in zoverre het de verweerder buiten vervolging stelde voor de feiten omschreven als lasterlijke aantijging als bedoeld door artikel 445, derde lid, Strafwetboek en verwierp het eisers cassatieberoep voor het overige. Bijgevolg stond ook het bepalen van de rechtsplegingsvergoe-ding, verschuldigd door de eiser aan de verweerder in geval van buitenvervolging-stelling van deze laatste voor de als lasterlijke aantijging omschreven feiten, op-nieuw ter beoordeling van de appelrechters.
- Artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op verzoek van een van de partijen en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de rech-ter de rechtsplegingsvergoeding ofwel kan verminderen, ofwel kan verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te over-schrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de ver-goeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Die bepaling vereist dat de rechter bij het bepalen van het bedrag van de rechts-plegingsvergoeding, de erin vermelde criteria toepast op de feiten die hij zelf be-oordeelt. De rechter op verwijzing moet dat bedrag niet afwegen tegen bedragen die andere rechters hebben bepaald in een voorheen vernietigd vonnis of arrest, noch, behoudens daartoe strekkende conclusie, motiveren waarom hij een ander bedrag bepaalt in vergelijking met het voorheen bepaalde bedrag.
- Na te hebben vastgesteld dat de verweerder vraagt de eiser te veroordelen om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te betalen voor een niet in geld waardeerbare vordering, oordeelt het arrest: "[De eiser] geniet niet van de tweedelijnsbijstand. Hij brengt elementen aan die er op wijzen dat zijn financiële draagkracht laag is, al is de verschafte informatie niet volledig. Het [hof van be-roep] is van oordeel dat er kan worden rekening gehouden met het gegeven dat hij OCMW-steuntrekkende is. Dit betekent niet dat het bedrag van de rechtsple-gingsvergoeding noodzakelijkerwijs tot een minimum moet worden herleid. [De verweerder] kan worden gevolgd daar waar hij stelt dat zulks volkomen onredelijk zou zijn mede gezien het complex karakter van het dossier, de gevoerde argu-mentatie en er tot tweemaal toe een cassatieprocedure diende te worden benaar-stigd. De rechtsplegingsvergoeding wordt herleid tot 2 x 720,00 EUR." Aldus houdt het arrest rekening met de in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek vermelde criteria om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen te bepalen. Die beslissing is regelmatig met redenen omkleed en naar recht ver-antwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ont-vankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky I. Couwenberg E. Francis A. Lievens G. Jocqué P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div