← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5 Rolnummer: P.18.1184.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2018-12-17 Raadplegingen: 698 - laatst gezien 2026-06-29 15:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit het feit dat een onderzoeksrechter door een der partijen wordt gewraakt en het verzoek tot wraking wordt ingewilligd, kan niet worden afgeleid dat deze magistraat partijdig heeft gehandeld bij het nemen van onderzoekshandelingen en rechterlijke beslissingen vóór de vordering tot wraking of dat deze handelingen onregelmatig zouden zijn

(1).
(1)Cass. 13 september 2016, AR P.16.0940.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.10, AC 2016, nr. 488; Cass. 16 augustus 2011, AR P.11.0485.F, AC 2011, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Inwilliging van het verzoek tot wraking - Onderzoekshandelingen gesteld vóór de vordering tot wraking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Verzoek tot wraking - Inwilliging - Onderzoekshandelingen gesteld vóór de vordering tot wraking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verzoek tot wraking van de onderzoeksrechter - Inwilliging - Onderzoekshandelingen gesteld vóór de vordering tot wraking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° Fiches 4 - 6 Een beslissing tot wraking van een onderzoeksrechter op grond van objectieve schijn van partijdigheid belet niet dat een rechter vervolgens de subjectieve onpartijdigheid en onafhankelijkheid van die onderzoeksrechter en de regelmatigheid van door hem vóór het indienen van de wrakingsvordering genomen onderzoeksmaatregelen of aanhoudingsmandaat, beoordeelt. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Inwilliging van het verzoek tot wraking op grond van objectieve schijn van partijdigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Verzoek tot wraking - Inwilliging op grond van objectieve schijn van partijdigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verzoek tot wraking van de onderzoeksrechter - Inwilliging op grond van objectieve schijn van partijdigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° Tekst van de beslissing Nr. P.18.1184.N B V, inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest en met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 12 Grondwet, de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 23, 24 en 25 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde van rechterlijke be-slissingen. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat het aanhoudingsmandaat dat op 11 oktober 2018 werd uitgevaardigd onregelmatig is omdat het verleend is door een nader-hand gewraakte onderzoeksrechter, van wie door het wrakingsarrest van 12 no-vember 2018 werd aangetoond dat hij reeds van bij de aanvang van het gerechte-lijk onderzoek en dus ten tijde van en na het verlenen van het aanhoudingsbevel banden had met de Koninklijke Belgische Voetbalbond (hierna K.B.V.B) en der-halve niet voldeed aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR; het bestaan van een objectieve schijn van partijdigheid van de onderzoeksrechter werd ondubbelzinnig vastgesteld in het wrakingsarrest van 12 november 2018; het bestreden arrest be-perkt de door het wrakingsarrest aangenomen objectieve wrakingsgrond ten on-rechte tot de periode dat de onderzoeksrechter deel uitmaakte van de Licentie-commissie van de K.B.V.B.; het criterium om de partijdigheid en afhankelijkheid van de rechter te beoordelen is niet de perceptie door de publieke opinie maar de perceptie door de persoon die door de maatregelen van de rechter zelf wordt ge-troffen; aldus voldeed de onderzoeksrechter ook buiten de periode dat hij lid was van de voormelde Licentiecommissie niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid; door het aanhoudingsmandaat niet te vernietigen, schendt het arrest de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 12 Grondwet.
  5. Uit de enkele inwilliging van een verzoek tot wraking van een onderzoeks-rechter, volgt niet dat die rechter vóór het indienen van het verzoek tot wraking partijdig heeft gehandeld bij het nemen van eerdere onderzoekshandelingen en rechterlijke beslissingen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Met de redenen die het bevat, beperkt het bestreden arrest de aangevoerde partijdigheid en afhankelijkheid van de onderzoeksrechter niet tot de periode dat hij deel uitmaakte van de Licentiecommissie van de K.B.V.B. noch oordeelt het dat de partijdigheid en afhankelijkheid van de rechter enkel afhangt van de per-ceptie van de publieke opinie, maar oordeelt het dat het aanhoudingsbevel op ob-jectieve gronden is afgeleverd door een onpartijdige en onafhankelijke onder-zoeksrechter en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert aan dat, alhoewel het wrakingsarrest van 12 november 2018 de rechtsmacht heeft uitgeput over de vraag of er getwijfeld kan worden aan de objectieve, dan wel subjectieve onpartijdigheid van de betrokken onderzoeks-rechter doorheen het strafrechtelijk onderzoek, het bestreden arrest toch de subjec-tieve partijdigheid van de onderzoeksrechter onderzoekt op het ogenblik van de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel; door vast te stellen dat de bevolen on-derzoeksmaatregelen een objectief karakter vertonen en dat het bevel tot aanhou-ding geen blijk geeft van vooringenomenheid, partijdigheid of afhankelijkheid, miskent het bestreden arrest aldus het gezag van gewijsde van het wrakingsarrest van 12 november 2018; door te oordelen dat de wraking van de onderzoeksrechter steunt op de schijn die is ontstaan bij de publieke opinie en dat die schijn nog niet op het ogenblik van het uitvaardigen van het bevel tot aanhouding bestond, leest het bestreden arrest iets niet in het wrakingsarrest van 12 november 2018 dat erin is vermeld, namelijk dat de objectieve partijdigheid van de onderzoeksrechter vanaf de start van het strafonderzoek en daarna bestond en miskent aldus de be-wijskracht ervan; door in het wrakingsarrest van 12 november 2018 te lezen wat er niet is in vermeld, namelijk dat de wraking van de onderzoeksrechter steunt op de schijn die is ontstaan bij de publieke opinie en dat die schijn nog niet op het ogenblik van het uitvaardigen van het bevel tot aanhouding bestond, miskent het bestreden arrest eveneens de bewijskracht van het wrakingsarrest van 12 novem-ber 2018; het arrest oordeelt immers dat de onderzoeksrechter lid was van de be-doelde Licentiecommissie op het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek werd gestart, hij door zijn jaren lidmaatschap onvermijdelijk banden heeft met de K.B.V.B. en leden van het Uitvoerend Comité, waarvan sommigen het voorwerp uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek en dat het feit dat aan dit lidmaatschap een eind is gekomen hieraan geen afbreuk doet; het wrakingsarrest steunt de wra-king bovendien niet op de schijn die bij de publieke opinie is ontstaan, maar wel op de vrees van de eiser die objectief verantwoord wordt door de schijn die bij de publieke opinie is ontstaan.
  8. Uit het feit dat een onderzoeksrechter door een der partijen wordt gewraakt en het verzoek tot wraking wordt ingewilligd, kan niet worden afgeleid dat de handelingen die deze magistraat vóór de vordering tot wraking heeft verricht on-regelmatig zouden zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Een beslissing tot wraking van een onderzoeksrechter op grond van objec-tieve schijn van partijdigheid belet niet dat een rechter vervolgens de subjectieve onpartijdigheid en onafhankelijkheid van die onderzoeksrechter en de regelmatig-heid van door hem vóór het indienen van de wrakingsvordering genomen onder-zoeksmaatregelen of aanhoudingsmandaat, beoordeelt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
  10. Met het oordeel dat de onderzoeksrechter lid was van de Licentiecommissie op het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek werd gestart, oordeelt het wra-kingsarrest van 12 november 2018 niet dat er reeds vanaf dat ogenblik een objec-tieve partijdigheid moet worden aangenomen die de wraking verantwoordt. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het wrakingsarrest van 12 november 2018 en mist het feitelijke grondslag.
  11. Met het oordeel dat de schijn nog niet bestond op het ogenblik van het uit-vaardigen van het bevel tot aanhouding, geeft het bestreden arrest geen uitlegging van het wrakingsarrest van 12 november 2018 en kan het bijgevolg de bewijs-kracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  12. In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht aanvoert, op grond dat de wraking is gesteund niet op de schijn die bij de publieke opinie is ontstaan maar op de vrees van de eiser over de partijdigheid van de onderzoeksrechter, be-rust het op een onjuiste lezing van het wrakingsarrest van 12 november 2018 en mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest enkel nagaat of de beslis-sing op partijdige of afhankelijke wijze werd genomen, zonder te onderzoeken of er sprake is van gerechtvaardigde vrees dat met betrekking tot de onderzoeksrech-ter de schijn is ontstaan dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van zijn op-treden niet langer gewaarborgd is, terwijl de artikelen 5.3 en 6 EVRM de rechter ertoe nopen zowel de subjectieve als de objectieve toets te hanteren en aldus te onderzoeken, of er sprake is van gerechtvaardigde vrees dat met betrekking tot de onderzoeksrechter de schijn is ontstaan dat de onafhankelijkheid en onpartijdig-heid van zijn optreden niet langer gewaarborgd is.
  14. Uit het geheel van de redenen die het bevat, blijkt dat het bestreden arrest het in het onderdeel vermelde onderzoek doet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, ar-tikel 235bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 16 tot en met 20, 30, 36 en 37 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbegin-sel van het recht van verdediging: alhoewel het voorwerp van het geding uitslui-tend onregelmatigheden betrof aangevoerd in verband met de handhaving van de voorlopige hechtenis en de modaliteiten ervan en niet het onderzoek naar de re-gelmatigheid van de rechtspleging met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, stelt het arrest toch dat de vóór het bevel tot aanhouding bevolen onderzoeksmaatregelen een objectief karakter vertonen en dat op heden niet is aangetoond dat deze onderzoeksmaatregelen met enig gebrek zijn behept; door dit vast te stellen terwijl de onregelmatigheid van deze onderzoeksmaatregelen niet het voorwerp van het debat vormde, noch op grond van de artikelen 16 tot en met 20, 30, 36 en 37 Voorlopige Hechteniswet noch op grond van artikel 235bis Wet-boek van Strafvordering en niet alle partijen in de zaak werden betrokken, alhoe-wel deze beslissing onherroepelijk gevolgen heeft voor het recht van verdediging van de eiser, schendt het bestreden arrest de vermelde wetsbepalingen.
  16. Met het oordeel dat de vóór het bevel tot aanhouding bevolen onderzoeks-maatregelen een objectief karakter vertonen en het op heden niet is aangetoond dat deze onderzoeksmaatregelen met enig gebrek zijn behept, doet het bestreden arrest geen onderzoek met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvorde-ring, maar doet het enkel een prima facie-onderzoek van de regelmatigheid van die onderzoeksmaatregelen in het kader van het onderzoek naar de aanwijzingen van schuld. Aldus beantwoordt het ook eisers verweer dat uit die onderzoeksmaat-regelen de partijdigheid van de onderzoeksrechter zou blijken. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky I. Couwenberg E. Francis A. Lievens G. Jocqué P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230822.VAK.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.