id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.1 Rolnummer: P.17.0227.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-06-28 05:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: HERZIENING - ADVIES EN VERWIJZING TOT HERZIENING Tekst van de beslissing Nr. P.17.0227.N M M, veroordeelde, verzoeker tot herziening, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- D T,
- C F,
- N T,
- S T, burgerlijke partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De verzoeker vraagt de herziening van een arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 5 februari 2003, waarbij hij werd geïnterneerd en veroordeeld tot schadevergoeding en kosten wegens feiten van verkrachting. Bij arrest van 18 april 2017 heeft het Hof bevolen dat de aanvraag zal worden on-derzocht door het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, teneinde na te gaan of de nieuwe, tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten en omstandig-heden beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien. Bij arrest van 13 september 2018 adviseert het hof van beroep te Antwerpen, bur-gerlijke kamer, na onderzoek dat de nieuwe, tot staving van de aanvraag tot her-ziening aangevoerde feiten en omstandigheden niet beslissend genoeg schijnen om het arrest van 5 februari 2003 te herzien. De verzoeker voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering: niet de eerste voorzitter, maar wel achtereenvolgens de kamer-voorzitters J. Jaques en S. De Moor hebben de burgerlijke kamer van het hof van beroep te Antwerpen voorgezeten; er is geen beschikking van de eerste voorzitter die deze voorzitters aanwijst of die vermeldt dat hijzelf wettig verhinderd was te zetelen; de verhindering van de eerste voorzitter moet expliciet zijn en een ernstige en werkelijke grondslag hebben; zij kan niet indirect worden afgeleid uit een al dan niet bestaande beschikking tot samenstelling van de kamer; de herziening is immers een uitzonderlijke procedure waarbij de samenstelling van de zetel wette-lijk is bepaald; bijgevolg is het onderzoek niet geschied overeenkomstig de wet.
- Volgens artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt een her-zieningsaanvraag, gegrond op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvorde-ring, onderzocht door de burgerlijke kamer van het aangewezen hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter. Die bepaling vereist geen bijzondere forma-liteit voor de vervanging van de eerste voorzitter wanneer hij wettig is belet te ze-telen, noch is zij voorgeschreven op straffe van een welbepaalde sanctie.
- Uit het feit dat een kamervoorzitter of een raadsheer in het hof van beroep de burgerlijke kamer voorzit die kennis neemt van de hier bedoelde herzienings-aanvraag, volgt dat de eerste voorzitter wettig belet is om te zetelen. De eerste voorzitter moet dat wettig belet of de samenstelling van de kamer die eruit volgt, niet uitdrukkelijk bij beschikking vaststellen of motiveren en het arrest moet evenmin melding maken van een dergelijke beschikking. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest van 13 september 2018 is uitgesproken door raadsheer N. Verschueren terwijl de eerste voorzitter bij beschikking van 13 september 2018 heeft bepaald dat kamervoorzitter S. De Moor met het oog op de uitspraak wordt vervangen door raadsheer J. De Sloovere.
- In de beschikking van 13 september 2018 heeft de eerste voorzitter wel de-gelijk raadsheer N. Verschueren aangewezen om kamervoorzitter S. De Moor te vervangen op het ogenblik van de uitspraak van het arrest. De vermelding in het arrest dat die kamervoorzitter krachtens de bedoelde beschikking met het oog op de uitspraak wordt vervangen door raadsheer J. De Sloovere berust dan ook ken-nelijk op een materiële verschrijving, die het Hof vermag recht te zetten door "raadsheer J. De Sloovere" te lezen als "raadsheer N. Verschueren". Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering: het arrest van 13 september 2018 betrekt bij de beoordeling van verzoekers aanvraag tot herziening, gesteund op onthullingen in persartikels van 2011 over grensoverschrijdend gedrag in het bezinningscentrum te Viersel, slechts één van de twee criteria van artikel 443, eerste lid, 3°, voormeld, namelijk het beslissend karakter van de aangevoerde nieuwe feiten; het slaat geen acht op het tweede criterium dat erin bestaat dat de persartikels en de erin vermelde feiten een omstandigheid aangeven waarvan de verzoeker het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding omdat er toen nog geen klachten waren tegen de door hem aangewezen persoon.
- Krachtens artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan her-ziening van in kracht van gewijsde gegane veroordelingen in criminele of correc-tionele zaken worden aangevraagd wanneer het bewijs dat de veroordeelde on-schuldig is of dat een strengere strafwet is toegepast dan die welke hij werkelijk heeft overtreden, schijnt te volgen uit een feit dat zich heeft voorgedaan sedert zijn veroordeling of uit een omstandigheid waarvan hij het bestaan niet heeft kun-nen aantonen ten tijde van het geding.
- Het arrest van 13 september 2018 oordeelt dat de feiten vermeld in de door de verzoeker bijgebrachte persartikels, zowel qua tijd en plaats als qua eigenheden van de slachtoffers, geen verband houden met deze die het arrest van 5 februari 2003 lastens hem bewezen heeft verklaard. Het oordeelt ook dat verzoekers ver-weer dat niet hij maar een andere persoon de feiten heeft gepleegd, reeds werd be-oordeeld in dat arrest en dat alle strafklachten tegen de door de verzoeker aange-wezen persoon zonder gevolg zijn geklasseerd. Het besluit uit dit alles dat de persartikels geen nieuwe feiten betreffen die beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien. Dit houdt in dat de onschuld van de verzoeker niet schijnt te vol-gen uit een feit dat zich heeft voorgedaan na zijn veroordeling, noch uit een om-standigheid waarvan hij het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest van 13 september 2018 schendt de in die bepaling voor-geschreven motiveringsplicht; de persartikels bevatten als nieuwe omstandigheid het gegeven dat de plaats waar de feiten plaatsvonden niet de woning van de ver-zoeker was, maar wel Viersel; die omstandigheid scheen de stelling van het arrest van 5 februari 2003 te weerleggen; het kan dan ook, in het kader van de herzie-ning, geen motief zijn dat dit laatste arrest al had geoordeeld dat de feiten hadden plaatsgevonden in de woning van de verzoeker.
- Het arrest van 13 september 2018 steunt niet enkel op de bekritiseerde reden om te beslissen dat de door de verzoeker bijgebrachte persartikels geen nieuwe feiten betreffen die beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien. Het steunt daarvoor ook op een geheel van andere redenen waaronder de reden dat de in de persartikels vermelde feiten zowel qua tijd als qua eigenheid van de slachtoffers geen verband houden met deze die het arrest van 5 februari 2003 lastens de ver-zoeker bewezen heeft verklaard. Die zelfstandige redenen dragen de beslissing. Het onderdeel dat niet opkomt tegen die redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 10 Grondwet en de artikelen 443, eerste lid, 3° en 445, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering, als-mede miskenning van het gelijkheidsbeginsel: het arrest van 13 september 2018 oordeelt dat het gegeven dat de polygraaftest wel wordt aanvaard in het huidige rechtsverkeer niet beslissend genoeg schijnt om de zaak te herzien; het verbindt die beslissing in essentie aan het feit dat de verzoeker een spraakgebrek heeft, wat het afnemen van de polygraaftest bemoeilijkt; dit is geen regelmatig motief in de zin van artikel 443, eerste lid, 3°, voormeld; die reden miskent ook het gelijk-heidsbeginsel omdat het een onderscheid maakt tussen mensen met en zonder een spraakgebrek; het arrest beantwoordt evenmin verzoekers verweer dat hij in Duitsland zonder moeilijkheden een polygraaftest heeft ondergaan.
- Het arrest van 13 september 2018 oordeelt dat het loutere feit dat het ge-bruik van een polygraaftest, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan, thans toegelaten is, niet beslissend genoeg schijnt om de zaak te herzien omdat: - de polygraaftest een modaliteit van het verhoor betreft en enkele lichamelijke functies registreert, die kunnen wijzen op een emotionele reactie van de onder-vraagde persoon op een gestelde vraag, en geen bijzondere bewijswaarde heeft; - een eventueel negatieve polygraaftest op geen enkele wijze andere bewijsele-menten kan neutraliseren die in het arrest van 5 februari 2003 werden opgelijst; - de verzoeker bovendien een spraakgebrek heeft en uit zijn verhoor blijkt dat hij meer begint te stotteren onder invloed van stress, zodat de afname van een po-lygraaftest in die omstandigheden zeer wordt bemoeilijkt. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, steunt het arrest de beslissing aldus niet enkel op verzoekers spraakgebrek, maar ook op andere redenen op grond waarvan het de bewijswaarde en het nut van het afnemen van een polygraaftest van de verzoeker afweegt tegen de reeds lastens hem vastgestelde bewijselemen-ten. Die zelfstandige redenen die het onderdeel niet bekritiseert, dragen de beslis-sing. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering: het arrest van 13 september 2018 oordeelt dat een eventueel negatieve polygraaftest op geen enkele wijze andere bewijselementen kan neutra-liseren die in het arrest van 5 februari 2003 werden opgelijst; die reden kan geen betrekking hebben op de vraag of het gaat om een nieuw feit dat of een nieuwe omstandigheid die beslissend genoeg schijnt te zijn om verzoekers onschuld aan te tonen; aldus miskent het arrest het door de wet bepaalde criterium om tot her-ziening te kunnen overgaan.
- Het onderdeel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijk-heid op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest van 13 september 2018 over de vraag of de door de verzoeker ingeroepen nieuwe feiten en omstandigheden beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- Het onderzoek is geschied overeenkomstig artikel 445 Wetboek van Straf-vordering en de voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de aanvraag tot herziening. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 december 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div