← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.2 Rolnummer: P.18.0435.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-28 05:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de enkele omstandigheid dat een appellant op de rechtszitting niet verduidelijkt waarom hij bepaalde beslissingen als grief heeft aangeduid of uiteindelijk geen verweer voert over een bepaalde beslissing, volgt niet dat hij de grieven tegen het beroepen vonnis niet nauwkeurig heeft aangeduid. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Bepaalde beslissingen als grief aangeduid door appellant zonder verduidelijking of verweer op rechtszitting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.18.0435.N

  1. U U, burgerlijke partij,
  2. S D, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Alain Cleyman, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen
  3. S U, beklaagde,
  4. S U, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 maart
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 185, § 2, tweede lid, en 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verklaren de hogere be-roepen ten onrechte ontvankelijk; het beroepen vonnis dat vermeldt dat het ten aanzien van de verweerders op 6 september 2017 bij verstek is gewezen, is in werkelijkheid een op tegenspraak gewezen vonnis; de verweerders waren immers op de inleidende rechtszitting door hun raadsman vertegenwoordigd; de eisers hebben op deze rechtszitting hun nota met burgerlijke partijstelling aan deze raadsman overhandigd; de hogere beroepen werden op 25 oktober 2017, dit is meer dan 30 dagen na de dag van de uitspraak, aangetekend, zodat de eisers van hun hogere beroepen vervallen hadden moeten worden verklaard.
  7. Volgens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt, be-houdens het in artikel 205 Wetboek van Strafvordering bedoelde geval, het recht op hoger beroep indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan ter griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van uitspraak bij een vonnis op tegenspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroor-deelde partij of aan haar woonplaats.
  8. Om te bepalen of een beslissing op tegenspraak is gewezen, dient geen re-kening te worden gehouden met de omschrijving die de rechter geeft aan de voor hem gevoerde rechtspleging, maar met de stukken waaruit blijkt dat partijen al dan niet het debat hebben bijgewoond en hun vorderingen, verweermiddelen en excepties hebben kunnen aanvoeren. Een arrest is ten aanzien van een partij op te-genspraak gewezen, wanneer die partij tijdens alle stadia van de rechtspleging waarin bewijsmateriaal of beschuldigingen tegen haar worden aangevoerd, aan-wezig of vertegenwoordigd is en daarover verweer kan voeren.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerders vertegenwoordigd waren door hun raadsman op de inleidings-zitting van de correctionele rechtbank van 1 maart 2017; - de zaak in voortzetting werd gesteld naar de rechtszitting van 7 juni 2017 met het oog op het bepalen van conclusietermijnen en met verzoek aan het openbaar ministerie om onderzoekshandelingen zoals vermeld op het zittingsblad uit te voeren; - de verweerders niet meer verschenen zijn noch iemand om hen te vertegen-woordigen op de rechtszitting van 7 juni 2017, waarop de correctionele recht-bank de middelen en conclusies van de eisers, alsook de vordering van het openbaar ministerie aanhoorde, waarna de zaak in beraad werd genomen. Het arrest dat oordeelt dat het beroepen vonnis wat betreft de verweerders bij ver-stek is gewezen en hun hogere beroepen ontvankelijk verklaart, is naar recht ver-antwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest heeft ten onrechte het hoger beroep van de verweerders niet verval-len verklaard; zij hadden nochtans in het grievenformulier hun grieven niet nauw-keurig bepaald; niet minder dan zeven grieven werden ingevuld, terwijl op de rechtszitting geen enkele verklaring werd gegeven waarom de verweerders werden gegriefd door de kwalificatie, voorschriften betreffende de rechtspleging, strafmaat, verjaring, schending van het EVRM en de burgerlijke rechtsvordering; het arrest stelt bovendien vast dat over de kwalificatie geen verweer werd ge-voerd; bijgevolg blijkt dat van de zeven opgegeven grieven er minstens vijf on-nauwkeurig werden opgegeven.
  11. Krachtens artikel 204 Wetboek van Strafvordering moet de appellant op straffe van verval van het hoger beroep in zijn verzoekschrift of het modelgrieven-formulier nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven opgeven.
  12. Een grief als bedoeld bij artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de spe-cifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het be-roepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appellant daartoe de redenen vermeldt.
  13. Het staat aan de appelrechter om te bepalen, rekening houdend met de wijze waarop de appellant in het verzoekschrift of grievenformulier de grieven heeft vermeld, of de grieven voldoende nauwkeurig zijn opgegeven. Bij die beoordeling mag de rechter niet overdreven soepel zijn omdat anders de bedoeling van de wetgever om ondoordachte hogere beroepen te vermijden niet kan worden bereikt. Hij mag evenmin overdreven formalistisch zijn omdat anders het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter dreigt in het gedrang te komen. Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem gemaakte vaststellingen geen ge-volgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  14. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant op de rechtszitting niet ver-duidelijkt waarom hij bepaalde beslissingen als grief heeft aangeduid of uiteinde-lijk geen verweer voert over een bepaalde beslissing, volgt niet dat hij de grieven tegen het beroepen vonnis niet nauwkeurig heeft aangeduid.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Het arrest kan, in het licht van de met het beroepen vonnis genomen beslis-singen, oordelen dat de verweerders door op het grievenformulier onder strafge-bied de rubrieken schuldigverklaring, kwalificatie, voorschriften betreffende de rechtspleging, strafmaat, verjaring en schending EVRM aan te kruisen en op bur-gerlijk gebied alle rubrieken aan te kruisen, nauwkeurig de grieven hebben vermeld zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers over de kwalificatie reeds hun opmerkingen konden laten gelden, aangezien de eerste rechter reeds een ver-betering had aangebracht; het arrest stelt verkeerdelijk vast dat er voor de eerste rechter reeds een debat is gevoerd, terwijl dat niet het geval is aangezien het be-roepen vonnis bij verstek is gewezen; er heeft dan ook geen debat over de kwalifi-catie meer kunnen plaatsvinden.
  18. Het arrest oordeelt niet dat er voor de eerste rechter reeds een debat over de kwalificatie werd gevoerd, maar wel dat aangezien de eerste rechter in het be-schikkend gedeelte van het beroepen vonnis de telastlegging B louter redactioneel heeft verbeterd, alle partijen voor de appelrechters in de gelegenheid waren om daarover hun bemerkingen te laten kennen. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag. Vierde middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 196 Strafwetboek: het arrest motiveert niet waarom het bedrieglijk opzet bij de ver-weerders voor wat betreft de telastlegging A niet bewezen is; het stelt nochtans vast dat de stukken onder de telastlegging A.1 en A.2, een door de strafwet be-schermd geschrift betreffen, vermoedelijk zijn nagebootst en dus een valselijk ka-rakter hebben; er kan niet worden betwist dat de verweerder 1 deze stukken, voor-zien van een valse handtekening, heeft aangewend, wat de beide verweerders im-mers toegeven; de gegevens die de appelrechters vermelden om tot twijfel te be-sluiten, hebben enkel betrekking op de telastlegging B.
  20. De feitelijke gegevens die de appelrechters in aanmerking nemen om te be-sluiten dat er lastens de verweerders weliswaar schuldaanwijzingen bestaan voor de hen ten laste gelegde feiten, maar dat die niet de vereiste zekerheid opleveren voor hun schuld, hebben niet enkel betrekking op de telastlegging B, maar ook op de telastlegging A. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,61 euro, waarvan 55,61 euro verschuldigd is. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 december 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.