← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.4 Rolnummer: P.18.0625.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 454 - laatst gezien 2026-06-29 06:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van de artikelen 162, 176 en 187, laatste lid, zoals toen toepasselijk, en §10, zoals thans toepasselijk, Wetboek van Strafvordering volgt dat de strafrechter die uitspraak doet over de gegrondheid van het verzet van de beklaagde, deze moet veroordelen tot de door het verzet veroorzaakte kosten, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van betekening van het vonnis, ook wanneer hij de strafvordering vervallen verklaart door verjaring, indien hij vaststelt dat het verstek aan hem te wijten is

(1).
(1)Art. 187 Wetboek van Strafvordering zoals vervangen bij art. 83 Wet 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016 (ed. 4)); Zie Cassatie 26 april 2006, AR P.06.214.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060426.15, AC 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Hoger beroep - Uitspraak over gegrondheid van verzet van beklaagde - Gevolg Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Allerlei Vrije woorden: Hoger beroep - Uitspraak over gegrondheid van verzet van beklaagde - Gerechtskosten - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0625.N D M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Siegfried De Mulder, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het op de rechtszitting neergelegd stuk
  3. Het stuk dat is neergelegd buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het bestreden vonnis stelt vast dat de strafvordering voor de enige telastleg-ging is vervallen door verjaring. In zoverre ook tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 162, 176, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 50 Strafwetboek: het bestreden vonnis ver-oordeelt de eiser ten onrechte tot de kosten van de verzetsprocedure; het spreekt geen veroordeling uit, maar verklaart de strafvordering vervallen door verjaring; aldus kan het de eiser niet verwijzen in de kosten.
  6. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 50 Strafwetboek schendt. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  7. Krachtens artikel 162 Wetboek van Strafvordering verwijst ieder veroorde-lend vonnis uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, deze in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. Deze bepaling is krachtens artikel 176 Wetboek van Strafvorde-ring van toepassing op de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger be-roep. Artikel 187, laatste lid, zoals toen toepasselijk, en § 10, zoals thans toepasselijk, Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer: "(...) de door het verzet veroor-zaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de bete-kening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is.".
  8. Uit deze bepalingen volgt dat de strafrechter die uitspraak doet over de ge-grondheid van het verzet van de beklaagde, deze moet veroordelen tot de door het verzet veroorzaakte kosten, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van betekening van het vonnis, ook wanneer hij de strafvordering vervallen verklaart door verjaring, indien hij vaststelt dat het verstek aan hem te wijten is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het veroordeelt, enerzijds, de eiser tot de kosten van de verzetsprocedure en laat, anderzijds, de kosten in hun geheel ten laste van de Belgische Staat; deze motivering is tevens onwettig vermits een persoon niet tegelijkertijd beklaagde en niet-beklaagde kan zijn.
  10. Het bestreden vonnis laat de kosten niet in hun geheel ten laste van de Bel-gische Staat. Het bepaalt de kosten in hun geheel op de som van 175,12 euro en legt deze ten laste van de Belgische Staat met uitzondering van de kosten van de verzetsprocedure bepaald op 108,06 euro, die het ten laste laat van de eiser. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  11. In zoverre het onderdeel een tegenstrijdigheid en onwettigheid van de moti-vering aanvoert, is het afgeleid uit deze onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser ten onrechte tot de kosten van de verzetsprocedure met de motivering dat het verstek in beide aanleggen aan hem is te wijten daar hij verkoos niet te verschijnen; noch uit het strafdossier noch uit eisers conclusie blijkt dat de eiser de "keuze" heeft gemaakt om niet te ver-schijnen; de redenen van het bestreden vonnis laten het Hof aldus niet toe na te gaan op welke wijze de appelrechters tot dit besluit zijn gekomen.
  13. Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie, moet de rechter die vaststelt dat het verstek aan de versteklatende partij is te wijten, deze beslissing niet verder motiveren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Voor het overige is het onderdeel, dat formeel een motiveringsgebrek aan-voert, in werkelijkheid gericht tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de strafrechter en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser heeft verkozen niet te verschij-nen, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de stukken van het strafdos-sier; uit deze stukken blijkt dat hij niet heeft gekozen om niet te verschijnen, maar dat het overmacht of een niet-toerekenbaar gebrek aan kennis van de dagvaarding betrof; tevens miskennen zij de bewijskracht van eisers nota waarin hij uiteenzet waarom hij tweemaal verstek liet gaan.
  16. Het onderdeel verduidelijkt niet van welke stukken uit het strafdossier de appelrechters de bewijskracht miskennen. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  17. Met het in het onderdeel weergegeven oordeel, geven de appelrechters geen uitlegging van de door de eiser neergelegde nota. Zij kunnen aldus de bewijs-kracht van dit stuk niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Vordering tot veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding
  19. De eiser vordert dat het Hof de Belgische Staat zou veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 180,00 euro. Geen enkele wettelijke bepaling laat het Hof van Cassatie toe te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding. Het verzoek is niet gegrond. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 december 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060426.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.