← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 Rolnummer: P.18.0791.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-06-29 12:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een beklaagde kan zich niet beroepen op de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat met betrekking tot belastende verklaringen die te zijnen laste zijn afgelegd door een medebeklaagde die voor hem slechts een getuige is, tenzij die medebeklaagde zijn belastende verklaringen intrekt wegens de miskenning van zijn recht op bijstand van een advocaat want dat recht op bijstand geldt immers enkel in personam omdat een persoon zich daarop slechts kan beroepen wanneer hij wordt verhoord over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd; dit is ook het geval wanneer de rechter de veroordeling van de beklaagde uitsluitend steunt op de zonder bijstand afgelegde maar niet ingetrokken verklaringen van de medebeklaagde. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Miskenning recht op bijstand van een advocaat - Aanvoering door beklaagde met betrekking tot belastende verklaringen te zijnen laste door een medebeklaagde-getuige - Voorwaarde Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Miskenning recht op bijstand van een advocaat - Aanvoering door beklaagde met betrekking tot belastende verklaringen te zijnen laste door een medebeklaagde-getuige - Voorwaarde Tekst van de beslissing Nr. P.18.0791.N I L M D M, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, II W L V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Waeterinckx, advocaat bij de balie Antwerpen, III NETWORK CONSULTING bvba, met zetel te 3120 Tremelo, Louisastraat 58, met als lasthebber ad hoc Chris Wijns, met kantoor te 3000 Leuven, Bondgeno-tenlaan 100, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jacques Vandeuren, advocaat bij de balie Brussel, alle cassatieberoepen tegen

  1. NATIONAL UNION FIRE INSURANCE COMPANY OF PITTSBURG, met zetel te 10038 New York (Verenigde Staten van Amerika), Water Street 175, burgerlijke partij,
  2. HUNTSMAN (EUROPE) bvba, met zetel te 3078 Kortenberg, Everslaan 45, burgerlijke partij, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 juni
  3. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  4. De eiser II heeft zijn cassatieberoep niet doen betekenen aan de verweer-sters, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  5. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de facturen, voorwerp van de telastleggingen C.1, C.3, C.4, C.5, C.6, C.7, C.9, C.11, C.12, C.13, D.1 en D.3, niet de misdrijven van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken opleveren omdat die facturen geen door de wet beschermde geschriften uitmaken, maar dat zij wel fictief zijn en listige kunstgrepen opleveren voor de feiten van oplichting, voorwerp van de telastleggingen F.1 tot F.8 en F.10 tot F.15; het arrest stelt niet vast welke uitwendige handelingen met deze listige kunstgrepen gepaard gingen om hieraan enige geloofwaardigheid te geven en evenmin dat het gebruik van de betrokken facturen, die bestemd waren om gecontroleerd te worden door de bestemmeling, determinerend is geweest voor de niet-verschuldigde betalingen; aldus stelt het arrest niet de aanwezigheid van alle constitutieve bestanddelen van de oplichting vast.
  6. Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich die aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen. Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak. Louter leugenachtige beweringen, zelfs bij herhaling gedaan of op schrift gesteld, leveren geen listige kunstgrepen op indien ze niet gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen. Bovendien moeten lis-tige kunstgrepen determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak, dit wil zeggen dat er een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de listige kunstgre-pen en de afgifte of de levering.
  7. Het arrest oordeelt: - in zoverre de verweerster 2 de geldsommen heeft overgeschreven in uitvoering van fictieve facturen die aan haar waren gericht, voor niet gepresteerde dien-sten, na overfacturatie van gepresteerde diensten of voor de levering van privé-goederen aan de eiser, is de afgifte van het geld het gevolg van listige kunst-grepen, waarmee men aan de verweerster 2 deed geloven dat de betalingen werkelijk verschuldigd waren; - de eiser was een van de zaakvoerders van de verweerster 2 en was verantwoor-delijk voor onder meer de IT-dienst en de telecomdienst van het bedrijf; - eisers aanvoering dat de betalingen de uitvoering waren van een door de ver-weerster 2 zelf opgezette constructie van fiscale optimalisatie voor de verloning van de eiser, is volstrekt ongeloofwaardig; - het feit dat andere personen binnen de verweerster 2 hebben meegewerkt aan de betaling van de facturen door de betalingsopdrachten te voorzien van de vereiste dubbele handtekening, toont niet aan dat de verweerster 2 doelbewust aan de betalingen heeft meegewerkt en geeft de eiser geen aanspraak op een vermindering van de aan de verweerster 2 verschuldigde vergoedingen wegens haar nalatigheid; - de in het middel vermelde telastleggingen C en D leveren niet het misdrijf van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken op, aangezien het welis-waar vaststaat dat de opgemaakte en gebruikte facturen fictief waren, maar zij niet het bewijs inhielden van de vermelde prestaties dan wel geen door de wet beschermde geschriften uitmaakten omdat de facturen nog moesten worden goedgekeurd door de verweerster 2 als geadresseerde; - deze fictieve facturen wel listige kunstgrepen in de zin van artikel 496 Straf-wetboek uitmaken, die de eiser heeft aangewend opdat de verweerster 2 zou overgaan tot de afgifte van het geld door overschrijving van de gefactureerde bedragen. Uit die redenen blijkt dat de betaling van de facturen door de verweerster 2 niet zonder meer voortvloeide uit de ontvangst van de fictieve facturen als dusdanig, maar ook verband hield met de functie die de eiser bij die verweerster bekleedde en het feit dat hij de betalingsopdrachten zelf medeondertekende. Aldus oordeelt het arrest wettig dat de eiser de facturen heeft gebruikt als listige kunstgrepen in de zin van artikel 496 Strafwetboek, zonder dat het bij gebrek aan daartoe strek-kende conclusie die beslissing verder moet toelichten. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van ver-dediging: het arrest steunt de veroordeling van de eiser I tot schadevergoeding aan de verweersters voor de telastleggingen F.1 en F.8 enkel op de verklaringen die de eiser II heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman; die verklaring is onregelmatig en kan bijgevolg niet dienen als uitsluitende grondslag voor die veroordeling van de eiser; de vaststelling van het arrest dat de eiser II die verklaringen niet heeft ingetrokken, doet daaraan geen afbreuk.
  9. Een beklaagde kan zich niet beroepen op de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat met betrekking tot belastende verklaringen die te zijnen laste zijn afgelegd door een medebeklaagde die voor hem slechts een getuige is, tenzij die medebeklaagde zijn belastende verklaringen intrekt wegens de misken-ning van zijn recht op bijstand van een advocaat. Dat recht op bijstand geldt im-mers enkel in personam omdat een persoon zich daarop slechts kan beroepen wanneer hij wordt verhoord over misdrijven die hem ten laste kunnen worden ge-legd. Dit is ook het geval wanneer de rechter de veroordeling van de beklaagde uitsluitend steunt op de zonder bijstand afgelegde maar niet ingetrokken verkla-ringen van de medebeklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt dat het feit dat de eiser II bij zijn verhoor niet werd bij-gestaan door een raadsman, geen reden is om zijn verhoor uit het debat te weren omdat die eiser nooit zelf de wering van zijn verklaring uit het debat heeft ge-vraagd en ze evenmin heeft herroepen eenmaal hij wel de bijstand van een advo-caat had in de procedure. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I
  11. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser tot schadevergoeding aan de verweersters op grond van de te-lastlegging F.2; het stelt vast dat twee van de drie facturen, voorwerp van de te-lastlegging C.3, zich niet in het strafdossier bevinden; het oordeelt dat die facturen listige kunstgrepen uitmaken, hoewel het aldus niet kan vaststellen dat de vermeldingen in die facturen niet met de werkelijkheid overeenstemmen; uit de vaststelling dat die facturen boekhoudkundig verwerkt en betaald zijn, kan het arrest niet afleiden dat het feit van oplichting bewezen is.
  12. Het arrest oordeelt: "De feiten van de heromschreven telastlegging F.2 zijn bewezen door de stukken van het strafdossier. Het feit dat er twee van de in de telastlegging bedoelde fac-turen niet zijn teruggevonden, neemt niet weg dat de betaling en de boekhoudkun-dige verwerking van die facturen wel bewezen is. Het is uitgesloten dat de facturen overeenstemden met werkelijk gepresteerde diensten van de nv Wave Mate Europe. Op geen enkele wijze is aannemelijk ge-maakt dat de nv Wave Mate Europe de gefactureerde diensten - die geen uitstaans hadden met haar maatschappelijk doel - zou hebben gepresteerd en de verklaring van S D M neemt alle twijfel omtrent het fictieve karakter van de facturen en van de schaderegeling weg." Uit die vaststellingen kan het arrest wel degelijk afleiden dat de vermeldingen in de bedoelde facturen niet met de werkelijkheid overeenstemmen en listige kunst-grepen uitmaken gebruikt voor het in de telastlegging F.2 als oplichting omschre-ven feit. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiseres III
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiseres dat de feiten omschreven in de telastleggingen C.1, F.1 en F.8 haar niet kunnen worden toegerekend omdat er geen onderzoek is gevoerd naar haar eventueel eigen corporatief schuldpatroon.
  14. Artikel 6 EVRM verplicht de rechter niet om elk verweer van een partij te beantwoorden, maar enkel om de voornaamste redenen voor de veroordeling op te geven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Het arrest oordeelt dat: - het verweer van de eiseres dat zij als de facto eenpersoonsvennootschap mis-bruikt is door haar enige zaakvoerder de eiser II om de strafbare feiten te ple-gen en dat zij die feiten dus niet zelf uit vrije wil heeft gepleegd, niet kan wor-den aangenomen; - de aan de eiseres ten laste gelegde feiten een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van haar doel en de waarneming van haar belangen en deze feiten voor haar rekening zijn gepleegd; - het opstellen van de valse facturen gebeurde voor rekening van de eiseres; - ook de feiten omschreven als actieve private omkoping voor haar rekening ge-beurden en erop gericht waren opdrachten voor de vennootschap binnen te ha-len; - de feiten zich hebben voorgedaan gedurende een periode van bijna zeven jaar, wat wijst op een politiek binnen de eiseres die erop gericht was mee te werken aan de misdrijven en zo het systeem van fictieve facturatie mee in stand te houden en eigen illegale verrijking ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel na te streven; - op grond van deze gegevens het hof van beroep besluit dat het vaststaat dat de eiseres zich bewust schuldig heeft gemaakt aan de feiten van de telastleggingen en dat zij niet enkel misbruikt werd door haar zaakvoerder de eiser II. Die redenen houden in dat voldoende onderzoek naar de eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiseres is gevoerd om de appelrechters toe te laten die verantwoordelijkheid te beoordelen. Aldus beantwoordt het arrest het bedoel-de verweer en geeft het de voornaamste redenen op waarom het dat verweer ver-werpt. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 249,22 euro waarvan de eiser I 108,74 euro verschuldigd is en de eisers II en III elk 70,24 euro verschuldigd zijn. K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 december 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.