id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.1 Rolnummer: C.14.0175.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 545 - laatst gezien 2026-06-28 12:14 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.1 Fiche 1 Opdat de termijn van drie jaar voor het inleiden van een procedure tot navordering van niet-geheven rechten een aanvang kan nemen op de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt, is vereist dat oorspronkelijk bij de invoer een bedrag werd opgeëist en dat dit bedrag werd geboekt; bij gebrek aan zulke boeking, gaat de termijn in op de dag waarop de douaneschuld is ontstaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Procedure navordering van rechten - Verjaringstermijn van drie jaar - Aanvang op de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: EEG-verordening - 24-07-1979 - Art. 2.1 - 35 Link Justel databank 19790724-35 Fiche 2 Uit de artikelen 1999 en 2000 B.W. en artikel 13 van de Wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het wetboek van koophandel betreffende het pand en de commissie volgt dat de douane-expediteur, ongeacht of de overeenkomst met zijn opdrachtgever als een lastgeving dan wel als een commissieovereenkomst dient te worden gekwalificeerd, de invoerrechten en anti-dumpingrechten tot betaling waarvan hij jegens de administratie gehouden is, kan verhalen op zijn opdrachtgever
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douane-expediteur - Invoerrechten - Betaling aan de administratie - Verhaal op de opdrachtgever - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1999 en 2000 Wet - 05-05-1872 - Art. 13 - 01 ELI link Pub nr 1872050560 Fiche 3 Wanneer de rechter vaststelt dat de in artikel 1153, eerste lid B.W. bedoelde vertraging in de betaling mede te wijten is aan de schuld van de schuldeiser, kan de moratoire interest, die de vertraging in de betaling forfaitair vergoedt, niet integraal ten laste van de schuldenaar worden gelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Vrije woorden: Vertraging in de betaling - Foutief stilzitten - Medeschuld van de schuldeiser - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1153, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.14.0175.N DAMCO BELGIUM nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Schouwkensstraat 7, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat aan het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen J.M.E. nv, met zetel te 1180 Ukkel, Dodonéestraat 77, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woonplaats kiest. II. Nr. F.14.0057.N DAMCO BELGIUM NV, met zetel te 2030 Antwerpen, Schouwkensstraat 7, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat aan het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoor-digd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest,
- J.M.E. nv, met zetel te 1180 Brussel, Dodonéestraat 77, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woonplaats kiest. III. Nr. F.14.0062.N J.M.E. nv, met zetel te 1180 Brussel, Dodonéestraat 77, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest, mede inzake
- DAMCO BELGIUM nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Schouwkensstraat 7,
- CAT BENELUX nv, met zetel te 1830 Machelen, Woluwelaan 1, partijen opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen ar-rest, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de partij tot bindendver-klaring van het tussen te komen arrest woonplaats kiest. IV. Nr. F.14.0063.N CAT BENELUX nv, met zetel te 1830 Machelen, Woluwelaan 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoor-digd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest,
- J.M.E. nv, met zetel te 1180 Brussel, Dodonéestraat 77, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen van 19 november
- Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft op 7 december 2018 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak C.14.0175.N doet de eiseres bij akte neergelegd ter griffie op 14 april 2014 afstand van haar cassatieberoep en behoudt zich het recht voor om later op-nieuw een voorziening in cassatie in te stellen. In de zaak F.14.0057.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. In de zaak F.14.0062.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. In de zaak F.14.0063.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging
- De cassatieberoepen in de zaken C.14.0175.N, F.14.0057.N, F.14.0062.N en F.14.0063.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest en dienen te worden gevoegd. Zaak C.14.0175.N
- Akte van de afstand en het voorbehoud dient te worden verleend. Zaak F.14.0057.N Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2.1, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aange-geven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (hierna: Verordening nr. 1697/79), zoals te dezen van toe-passing, leiden de bevoegde autoriteiten een procedure tot navordering van niet-geheven rechten in wanneer zij constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingplichtige is opgeëist. Krachtens artikel 2.1, tweede lid, Verordening 1697/79 kan de procedure niet worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronke-lijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het be-trokken goed is ontstaan. Opdat de termijn van drie jaar een aanvang kan nemen op de dag waarop het oor-spronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt, is vereist dat oorspronkelijk bij de invoer een bedrag werd opgeëist en dat dit bedrag werd ge-boekt. Bij gebrek aan zulke boeking, gaat de termijn in op de dag waarop de dou-aneschuld is ontstaan.
- De appelrechters die oordelen dat de vordering van de eerste verweerder met betrekking tot de vóór 1 januari 1994 ontstane douaneschulden niet is ver-jaard gelet op het tijdstip van de boeking van de bedragen van de navordering op 7 maart 1995 en de kennisgeving ervan op 29 september 1995, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (...) Vierde middel
- Krachtens artikel 1153, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, bestaat inzake ver-bintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Krachtens artikel 1153, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, is die schadevergoeding verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies moet bewijzen.
- De in die bepalingen bedoelde vertraging is die welke te wijten is aan de schuld van de schuldenaar. Wanneer de rechter vaststelt dat de vertraging in de betaling mede te wijten is aan de schuld van de schuldeiser, kan de moratoire interest, die de vertraging in de be-taling forfaitair vergoedt, niet integraal ten laste van de schuldenaar worden ge-legd.
- De appelrechters overwegen dat geen enkele partij na de inleiding van de zaak nog enig initiatief heeft genomen om de procedure verder te zetten, hoewel elke partij dit kan en de zaak in juli 2010 op verzoek van de eerste verweerder op-nieuw werd geactiveerd en sedertdien een normaal verloop heeft gekend, zodat niet kan worden gesteld dat de procedure heeft stilgelegen uitsluitend ingevolge een foutief stilzitten van de Belgische Staat. Zij oordelen dat er in die omstandig-heden geen redenen zijn om geen nalatigheidsinterest toe te kennen.
- Door aldus de moratoire interest integraal en voor de volledige periode ten laste te leggen van de eiseres hoewel zij impliciet maar zeker vaststellen dat de vertraging minstens mede aan het foutief stilzitten van de eerste verweerder te wijten is, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Vijfde middel
- Krachtens artikel 1999 Burgerlijk Wetboek moet de lastgever de lasthebber de voorschotten en kosten vergoeden, die deze tot uitvoering van de lastgeving gedaan heeft, en hem zijn loon betalen wanneer er loon beloofd is. Indien de lasthebber geen schuld te wijten is, kan de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet onttrekken, al mocht de zaak ook mislukt zijn, noch het bedrag van de kosten en voorschotten doen verminderen, onder voorgeven dat zij geringer konden zijn. Krachtens artikel 2000 Burgerlijk Wetboek moet de lastgever de lasthebber ook schadeloos stellen voor de verliezen die deze ter gelegenheid van de uitvoering van zijn opdracht geleden heeft, indien hem geen onvoorzichtigheid te wijten is. Krachtens artikel 13 van de Wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het wetboek van koophandel betreffende het pand en de commissie, zijn deze bepa-lingen ook van toepassing op de commissieovereenkomst. Uit deze bepalingen volgt dat de douane-expediteur, ongeacht of de overeenkomst met zijn opdrachtgever als een lastgeving dan wel als een commissieovereenkomst dient te worden gekwalificeerd, de invoerrechten en anti-dumpingrechten tot betaling waarvan hij jegens de administratie gehouden is, kan verhalen op zijn opdrachtgever.
- Door de vrijwaringsvordering van de eiseres jegens de tweede verweerster af te wijzen op grond dat "ongeacht hun goede trouw de douane-expediteurs ge-houden (zijn) tot betaling van de verschuldigde invoerrechten en anti-dumpingrechten", verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (...) Dictum Het Hof, Voegt de zaken gekend onder de rolnummers C.14.0175.N, F.14.0057.N, F.14.0062.N en F.14.0063.N. Verleent akte van de afstand en het voorbehoud in de zaak C.14.0175.N. Vernietigt het arrest in zoverre dit: - oordeelt dat de voor 1 januari 1994 ontstane douanerechten niet verjaard zijn; - de eiseressen veroordeelt tot moratoire interest op de verschuldigde invoerrech-ten en anti-dumpingrechten; - de vrijwaringsvorderingen van Damco Belgium nv en Cat Benelux nv jegens J.M.E. nv als ongegrond afwijst; - oordeelt over de kosten van het geding. Zegt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte-lijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 14 december 2018 uitgesproken door sectievoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. V. Van de Sijpe B. Wylleman F. Van Volsem G. Jocqué B. Deconinck E. Dirix PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181214.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div