← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.4 Rolnummer: F.16.0115.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-06-29 15:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche Indien de rechter aan de vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 371 WIB92 zonder meer een einde kan stellen door dit wetsartikel aan te vullen aan de hand van artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek, kan en moet hij dit doen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Vrije woorden: Bezwaartermijn - Aanvang - Vastgestelde ongrondwettigheid - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 371 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.16.0115.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen van Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus1, eiser, tegen H.F. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 december

  1. Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft op 7 november 2018 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 371, eerste lid, WIB92, zoals op het geschil van toepassing moeten de bezwaarschriften worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
  3. Artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 de-cember 2005, bepaalt dat ten aanzien van de geadresseerde en tenzij de wet anders bepaalt, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager, worden berekend, wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.
  4. Het Grondwettelijk Hof heeft meermaals geoordeeld dat artikel 371 WIB92 de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat de bezwaarter-mijn begint te lopen op de datum van verzending die voorkomt op het aanslagbil-jet waarop de bezwaartermijn vermeld staat. Dit Hof heeft daarbij overwogen dat de doelstelling om rechtsonzekerheid te ver-mijden evengoed zou kunnen worden bereikt met toepassing van artikel 53bis Ge-rechtelijk Wetboek, indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadres-seerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis van het aanslagbiljet heeft kunnen nemen, dit wel zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel be-wijst.
  5. Wanneer een leemte in de wet het gevolg is van de ongrondwettigverklaring van een wetsbepaling, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een leemte in de wetsbepaling kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden ge-steld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen, binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen.
  6. De leemte inzake het vertrekpunt van de termijn om een bezwaarschrift in te dienen is geen leemte die van aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, zodat de rechter gehouden is aan de on-grondwettigheid een einde te stellen door artikel 371 WIB92 aan te vullen aan de hand van artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek.
  7. De appelrechters oordelen: "Weliswaar moet de rechter, in de mate van het mogelijke, verhelpen aan elke lacune in de wetgeving die het Grondwettelijk Hof als ongrondwettelijk heeft bestempeld, alsook aan elke lacune die ontstaat doordat het Grondwettelijk Hof een wettelijke bepaling als ongrondwettig aanmerkt. De rechter kan dit evenwel enkel doen binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen. Dat kader laat niet toe dat de rechter zelf een ander aanvangspunt van de bezwaartermijn vaststelt om de ontstane lacune op te vullen. Aan deze lacune kan enkel worden verholpen door een wetgevende tussenkomst, waarbij een aanvangsdatum wordt gekozen die verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel."
  8. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvan-kelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 14 december 2018 uitgesproken door sectievoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. V. Van de Sijpe B. Wylleman F. Van Volsem G. Jocqué B. Deconinck E. Dirix PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181214.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260102.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.