← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.1 Rolnummer: P.18.0632.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 501 - laatst gezien 2026-06-29 05:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het verval van het recht tot sturen bepaald in artikel 42 Wegverkeerswet is een veiligheidsmaatregel die naast de straf moet worden uitgesproken, zonder dat het openbaar ministerie de toepassing van deze bepaling moet vorderen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Vrije woorden: Verval van het recht tot sturen - Aard van de maatregel - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.18.0632.N M A J, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Van Melckebeke, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 42 Wegver-keerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis verklaart de eiser met toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet vervallen van het recht een motorvoertuig te besturen wegens li-chamelijke en geestelijke ongeschiktheid daartoe; er is in de dagvaarding of in de vorderingen van het openbaar ministerie geen melding van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig, noch heeft de rechter de eiser verwittigd hierover zijn verweer te voeren; de eiser moest zich dan ook niet eraan verwachten dat de veiligheidsmaatregel bepaald in artikel 42 Weg-verkeerswet zou worden uitgesproken; hij werd niet in de mogelijkheid gesteld zich tegen de door de appelrechters beoogde veiligheidsmaatregel te verdedigen.
  3. Het verval van het recht tot sturen bepaald in artikel 42 Wegverkeerswet is een veiligheidsmaatregel die naast de straf moet worden uitgesproken, zonder dat het openbaar ministerie de toepassing van deze bepaling moet vorderen. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  4. Het bestreden vonnis stelt wat het standpunt van het openbaar ministerie be-treft vast: "Wat de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet betreft, verwees het openbaar ministerie naar de eenmalige zware creatinine-afwijking die wees op spoelen. Bovendien erkende [de eiser] in het verleden dagelijks cannabis te ge-bruiken, terwijl erop vandaag geen bewijs was van een onthouding gedurende ten minste zes maanden, zodat [de eiser] op heden niet rijgeschikt is." Over het door de eiser gevoerde verweer stelt het bestreden vonnis verder vast: "Namens [de ei-ser] werden 4 testresultaten neergelegd betreffende de periode 9.02.18-15.03.
  5. Vermits deze alle negatief waren, argumenteerde [de eiser] dat de rechtbank geen medische onderzoeken meer diende op te leggen. Hij gebruikte gedurende onge-veer 2 jaar cannabis, maar was intussen volledig gestopt en rijgeschikt." Aldus was de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet in het debat, kon de eiser zich eraan verwachten dat de rechtbank de erin bepaalde veiligheidsmaatregel zou op-leggen en heeft de eiser hierover verweer gevoerd of kunnen voeren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 42 Weg-verkeerswet en de artikelen N.I.2, N.IV.1.2, N.IV.1.3 en N.IV.1.5 van de bijlage 6 betreffende de minimumnormen en attesten inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs: het bestreden vonnis verklaart de eiser met toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet vervallen van het recht een mo-torvoertuig te besturen wegens lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid daartoe, zonder dat de appelrechters voorafgaand vaststellen dat de eiser lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig.
  7. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het bestreden vonnis de artikelen N.I.2, N.IV.1.2, N.IV.1.3 en N.IV.1.5 van de bijlage 6 betreffende de minimumnormen en attesten inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs schendt, is het niet ontvankelijk.
  8. Het bestreden vonnis oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven, maar ook dat toepassing moet worden gemaakt van artikel 42 Wegverkeerswet "vermits [de eiser] op heden lichamelijk of geestelijk ongeschikt is om een motor-voertuig te besturen omdat hij niet voldoet aan de in de bijlage 6 bij het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde normen tot het besturen van alle of bepaalde categorieën van motorvoertuigen waarvoor een rij-bewijs is vereist". In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.1 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.