← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.2 Rolnummer: P.18.0699.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-01-10 Raadplegingen: 591 - laatst gezien 2026-06-29 16:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De burgerlijke rechtsvordering kan slechts op een ontvankelijke wijze bij de strafrechter aanhangig worden gemaakt indien de strafvordering op dat ogenblik niet reeds is vervallen en die regel geldt ook indien het verval van de strafvordering is ingetreden op grond van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering

(1).
(1)Cass. 1 februari 2000, AR P.97.0991.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000201.11, AC 2000, nr. 83; Cass. 6 mei 1993, AR 6416, AC 1993, nr. 325 met concl. van advocaat-generaal BRESSELEERS. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verval van de strafvordering - Betaling van een minnelijke schikking - Gevolg voor de burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 216bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Aanhangigmaking bij de strafrechter - Voorwaarde - Verval van de strafvordering door betaling van een minnelijke schikking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 216bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.18.0699.N
  1. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, met kabinet te 1000 Brussel, Mar-telaarsplein 7, burgerlijke partij,
  2. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Rege-ring voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Wer-ken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Jeroom Joos, advocaat bij de balie Gent, tegen
  3. AANNEMINGSBEDRIJF N B bvba, beklaagde,
  4. N B N, beklaagde, verweerders, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 4 juni
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest laat na te antwoorden op eisers' in hun appelconclusie aangevoerde verweer dat het niet duidelijk is of het vonnis van 28 juli 2016, dat werd gewezen na het arrest van het Grondwettelijk Hof (nr. 83/2016) waarin de wet op de verruimde minnelijke schikking gedeeltelijk ongrondwettelijk werd verklaard, wel rekening heeft ge-houden met de bijkomende voorwaarde opgelegd door dit arrest en of bijgevolg de strafvordering wel definitief is vervallen.
  7. De appelrechters oordelen dat de strafvordering lastens de eisers is vervallen vermits de verweerders "volledig conform met het niet door het Grondwettelijk Hof onwettig bevonden gedeelte van art. 216bis Sv. hebben voldaan aan de minnelijke schikking die hen door het openbaar ministerie is opgelegd". Met deze redenen beantwoorden zij het in het onderdeel vermelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering en artikel 216bis Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk: het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de eisers ten onrechte niet ontvankelijk; het oordeelt hierbij dat het verval van de strafvordering door betaling van een geldsom analoog is aan het verval van de strafvordering door verjaring of overlijden van de beklaagde; de situatie waarbij een beklaagde een minnelijke regeling treft met het openbaar ministerie is hiermee evenwel niet vergelijkbaar.
  9. Artikel 216bis, § 1, zevende lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de betaling van de door het openbaar ministerie voorge-stelde geldsom, de strafvordering doet vervallen mits zij binnen de gestelde ter-mijn plaatsvindt. De burgerlijke rechtsvordering kan slechts op een ontvankelijke wijze bij de straf-rechter aanhangig worden gemaakt indien de strafvordering op dat ogenblik niet reeds is vervallen. Die regel geldt ook indien het verval van de strafvordering is ingetreden op grond van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 42,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000201.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.