← België

ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 420

, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd - Beslissing houdende uithandengeving en verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet - Onmogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep - Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 420

, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd - Beslissing houdende uithandengeving en verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet - Onmogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep - Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 420

, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd - Beslissing houdende uithandengeving en verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet - Onmogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep - Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 420, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.18.0972.N R T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Valkenborg, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, jeugdkamer, van 4 september

  1. De eiser voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
  2. De memorie is op de griffie van het Hof neergelegd op 23 november 2018, dit is meer dan twee maanden na de verklaring van het cassatieberoep. De memo-rie die is ingediend buiten de termijn bepaald in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. De appelrechter oordeelt dat, rekening houdend met eisers persoonlijkheid, maatregelen van opvoeding niet langer geschikt zijn. Bij toepassing van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet beslist hij tot uithandengeving van de, op dat ogen-blik nog minderjarige, eiser en verwijst de zaak naar het openbaar ministerie met het oog op vervolging voor het bevoegde gerecht.
  4. Volgens artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan tegen voor-bereidende beslissingen van onderzoek, zelfs al zijn die zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, slechts cassatieberoep worden ingesteld na het eindarrest of het eindvonnis.
  5. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, bepaalde artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat onmiddellijk cassatieberoep kon wor-den aangetekend tegen een beslissing tot uithandengeving en verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet. Deze mogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep is opgeheven door artikel 20 van de voormelde wet van 14 februari 2014 waardoor het cassatieberoep tegen dergelijke beslissingen thans, conform artikel 420, eerste lid, Wetboek van Straf-vordering, enkel samen met de eindbeslissing kan worden ingesteld.
  6. Aldus wordt een beslissing van de jeugdrechter tot verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet in wezen gelijkgesteld met een beslissing tot verwijzing van het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht, waartegen evenmin onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld. De gevolgen van het ontbreken van een onmiddellijk cassatieberoep zijn evenwel verschillend naargelang het een verwijzingsbeslissing van het jeugdgerecht van een uithandengegeven minderjarige dan wel een verwijzingsbeslissing van een onderzoeksgerecht van een meerderjarige inverdenkinggestelde betreft: - de hoedanigheid van een minderjarige kan tijdens het verloop van de strafpro-cedure wijzigen. Wanneer meerderjarig na de eindbeslissing over de straf-vordering kan, in geval van cassatie van de beslissing tot uithandengeving en verwijzing, de jeugdrechtbank deze persoon voor de bewezen verklaarde fei-ten, ongeacht hun ernst, nog enkel een beperkt aantal beschermingsmaatregelen opleggen; - het ogenblik waarop de beslissing tot uithandengeving en verwijzing definitief wordt, beïnvloedt de kwalificatie van nieuwe feiten die de minderjarige pleegt. Zodra deze beslissing definitief is, wordt de minderjarige voor alle feiten gepleegd na de dagvaarding tot deze uithandengeving als een volwassene berecht, zonder dat hiervoor een nieuwe procedure tot uithandengeving moet worden gevoerd.
  7. De vraag rijst dan ook of het afschaffen van een onmiddellijk cassatieberoep tegen een beslissing tot verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbescher-mingswet en het aldus gelijkschakelen van deze beslissing met een beslissing tot verwijzing van het onderzoeksgerecht, hoewel de gevolgen van het ontbreken van een onmiddellijk cassatieberoep voor beide situaties verschillend zijn, wel be-staanbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Bijgevolg is er grond tot het stellen van de hierna omschreven prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  8. Gelet op de eigenheid van deze zaak, verdient het aanbeveling om de ter-mijnen vastgesteld in de artikelen 85, 87 en 89 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof te verkorten. Dictum Het Hof, Houdt de beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof geantwoord heeft op de vol-gende prejudiciële vraag: "Schendt artikel 20 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre dit de minderjarige de mogelijkheid ontneemt om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing tot uithandengeving en verwijzing in de zin van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet en deze aldus gelijk stelt met een inverdenkinggestelde die evenmin onmiddellijk cassatieberoep kan instellen tegen een beslissing tot verwijzing van het onderzoeksgerecht, terwijl de gevolgen van het ontbreken van een onmiddellijk cassatieberoep in beide situaties wezenlijk verschillend is?" Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet A. Bloch P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.161 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181031.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.