id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 maart 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180312.5 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180312.6 Rolnummer: S.17.0077.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2018-04-10 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-06-18 23:35 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180312.5 Fiche De in artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet bepaalde voorwaarden kunnen worden beschouwd als voorwaarden die het mogelijk maken de arbeidsbetrekkingen tussen personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of dagelijkse leiding van in die bepaling bedoelde verenigingen en organisaties, gelijk te stellen met die van een arbeidsovereenkomst; door de toepassing van de RSZ-wet uit te breiden tot de personen die onder dergelijke voorwaarden het dagelijks beheer of dagelijkse leiding uitoefenen over die verenigingen en organisaties, is de Koning de bevoegdheden die Hem zijn toegekend bij artikel 2, § 1, 1°, RSZ-wet, niet te buiten gegaan. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Uitbreiding - Hoedanigheid van lasthebber - Bevoegdheid Koning - Gevolg Tekst van de conclusie S.17.0077.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, gewezen op 10 juni
- Door eiser wordt er een middel aangevoerd.
- Wat betreft het middel. Eiser voert de schending aan van: - de artikelen 25, eerste en tweede lid, 25quater, beide in de versie van toepassing vóór de wijziging daarvan bij wet van 7 februari 2014, en 167, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; - de artikelen 580, 2°, en 581, 2° van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de scheiding van de machten, zoals onder meer vervat in de artikelen 33, tweede lid, 37, 40, 84 en 144 van de Grondwet en, voor zover als nodig, die artikelen. a. Probleemstelling. De problematiek in onderhavige zaak betreft deze van de omvang van de rechtsmacht van de rechter wanneer hij gevat wordt met een beroep tegen een beslissing van eiser met betrekking tot het Bijzonder Solidariteitsfonds. Het betreft de vraag of de rechter de toetsing doet met een volheid van rechtsmacht dan wel dat de rechterlijke controle beperkter is daar eiser over een discretionaire bevoegdheid beschikt. b. Bespreking. De in het geding zijnde bepaling is artikel 25 van de ZIV-wet, die in de in deze toepasselijke versie luidt als volgt: "Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Bijzonder Solidariteitsfonds opgericht, dat wordt gefinancierd door een voorafname op de in artikel 191 bedoelde inkomsten, waarvan het bedrag voor ieder kalenderjaar wordt vastgesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Het College van geneesheren-directeurs beslist binnen de perken van de financiële middelen van dit Fonds over de tegemoetkomingen vanuit dit Fonds aan de in artikel 32 bedoelde rechthebbenden. Het Bijzonder Solidariteitsfonds verleent slechts een tegemoetkoming indien is voldaan aan de in deze afdeling gestelde voorwaarden en indien de rechthebbenden hun rechten hebben doen gelden krachtens de Belgische, buitenlandse of supranationale wetgeving of krachtens een individueel of collectief gesloten overeenkomst. Het Fonds verleent slechts tegemoetkomingen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen waarvoor, in het concrete geval, in geen tegemoetkoming voorzien is krachtens de reglementaire bepalingen van de Belgische verzekering voor geneeskundige verzorging of krachtens de wettelijke bepalingen van een buitenlandse regeling voor verplichte verzekering. Worden niet ten laste genomen door het Bijzonder Solidariteitsfonds: 1° De persoonlijke aandelen bedoeld in de artikelen 37 en 37bis en de supplementen op in toepassing van de reglementering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging vastgelegde prijzen en honoraria; 2° De supplementen bedoeld in artikel 97 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en de comfortkosten." Het vertrekpunt voor de beantwoording van de hoger gestelde vraag is het arrest van Uw Hof van 13 september 2004
(1). In dit arrest legt Uw Hof de principes vast en geeft het reeds (deels) een antwoord. Uw Hof oordeelde dat, wanneer het college van geneesheren-directeurs op grond van die bepaling de tegemoetkoming van de verzekering weigert en de rechthebbende die weigering betwist, er tussen die rechthebbende en eiser een betwisting ontstaat over het recht op die tegemoetkoming. Dit geschil valt onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, dat ingevolge de artikelen 167, eerste lid, van de ZIV-wet, 580, 2°, en 581, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de geschillen over de rechten van de werknemers, die zijn vastgelegd in de wetgeving inzake de verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering. Inzake de rechtsmacht van de rechter oordeelde Uw Hof: "Overwegende dat de arbeidsrechtbank waarbij een dergelijke betwisting aanhangig is, een toezicht van volle rechtsmacht uitoefent op de beslissing van het college van geneesheren-directeurs; dat alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het college van geneesheren-directeurs valt, onderworpen is aan het toezicht van de arbeidsrechtbank, die gehouden is het recht van verdediging te eerbiedigen en uitspraak te doen binnen de grenzen van de zaak zoals deze door de partijen zijn vastgelegd; dat het bijgevolg aan de arbeidsrechtbank staat de feiten te beoordelen en uitspraak te doen over de rechten van de rechthebbende dat alleen wanneer een wettelijke bepaling het college van geneesheren-directeurs een discretionaire beoordelingsbevoegdheid verleent, de rechter zich niet in de plaats kan stellen van dat college teneinde het zijn beoordelingsbevoegdheid niet te ontnemen; Overwegende dat artikel 25, §2, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, het college van geneesheren-directeurs geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid verleent;" Uit het oordeel dat er in hoofde van de geneesheren-directeurs geen sprake was van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid volgt dat de rechter een toetsing doet met volheid van rechtsmacht. Echter het hier ter debat zijnde artikel 25, tweede lid heeft maar deels dezelfde strekking als het in het voormelde arrest beoordeelde artikel 25, §2, eerste lid. Immers in het artikel 25, §2, eerste lid stonden ook toekenningsvoorwaarden die thans, voor een deel, terug te vinden zijn in, het hier relevante, artikel 25quater van de ZIV-wet. Om een juist zicht te hebben over de draagwijdte van Uw oordeel is het dan ook relevant om een blik te werpen op de grieven van de voorziening die aanleiding gaven tot Uw arrest. Er moet immers worden opgemerkt dat de beslissingen van eiser tweeledig kunnen zijn. Vooreerst is er de vraag naar de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de aanvraag op basis van de wettelijk vastgelegde toekenningsvoorwaarden. Indien aan deze voorwaarden voldaan is, dan is er een tweede luik aan de beslissing en dit betreft het bedrag van de tussenkomst
(2). Het nazicht van deze grieven, die aanleiding gaven tot Uw arrest van 2004, leert dat het voorwerp van het dispuut dat aan Uw Hof werd voorgelegd betrekking had op de omvang van de rechtsmacht van de rechter bij de beoordeling van de vraag naar de principiële gerechtigdheid op een tegemoetkoming, dus een nazicht door de rechter van de toekenningsvoorwaarden. Wat niet het voorwerp uitmaakte was de vraag naar de gebeurlijke bevoegdheid van de rechter bij het bepalen van de omvang van de tussenkomst. Uw Hof oordeelde dus, in het arrest van 13 september 2004, dat de rechter met volheid van rechtsmacht nazicht doet van de beslissing van eiser met betrekking tot de toekenningsvoorwaarden. De vraag die zich thans stelt is of de rechter dezelfde rechtsmacht heeft voor de bepaling van de omvang van de tegemoetkoming dus voor de bepaling van het effectieve bedrag waarop de betrokkene gerechtigd zou zijn uit het Bijzonder Solidariteitsfonds. Ik meen dat dit niet het geval is daar er inderdaad sprake is van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid in hoofde van eiser
(3). Dit blijkt uit de formulering van de relevante passage in het kwestieuze artikel 25, tweede lid van de ZIV-wet. Immers hierin staat te lezen dat eiser "binnen de perken van de financiële middelen van dit Fonds [beslist]over de tegemoetkomingen vanuit dit Fonds". Deze middelen worden, luidens dezelfde bepaling, jaarlijks bij, een in ministerraad overlegd, koninklijk besluit vastgesteld. Eiser heeft geen impact op de omvang van de financiële middelen die ter beschikking zijn van het fonds maar is ingevolge het wettelijk voorschrift wel gehouden om binnen de marges van deze middelen te werken. Eiser moet dus bij het bepalen van de omvang van de tussenkomst beleidsafwegingen maken in functie van de financiële middelen die beschikbaar zijn
(4). Voor het deel van de beslissing van eiser dat betrekking heeft op de omvang van de toegekende tussenkomst zal de rechter derhalve slechts een marginale toetsing kunnen uitvoeren. Hij kan dus enkel nagaan of de beslissing niet kennelijk onredelijk is. De appelrechter die oordeelt dat de rechter tevens over een substitutiebevoegdheid beschikt met betrekking tot de hoogte van de tegemoetkoming schendt de in de voorziening aangehaalde bepalingen. Het middel is gegrond. 3. Conclusie: Cassatie. _________________
(1)Cass. 13 september 2004, AR S.03.0129.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.6, AC 2004, nr. 405.
(2)W. BOURRY, Het bijzonder solidariteitsfonds: een deur die nooit opengaat, noot onder Cass. 6 september 2004, T. Gez., 2005-2006, p. 310.
(3)J. PUT en S. DERIEUW, Het Bijzonder solidariteitsfonds: interpretatie en beleid, noot onder Arbh. Gent, 3 maart 2000, AJT, 1999-00, p. 872; J.P. DIEPENDAELE, Het Bijzonder solidariteitsfonds, blijvende bron van controverses, BTSZ, 2007, p. 843 en W. BOURRY, o.c., p. 311.
(4)Zie J. PUT en S. DERIEUW, o.c., p. 871. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180312.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180312.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div