id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 september 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.2 Rolnummer: F.15.0005.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2018-10-05 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-06-18 18:01 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.2 Fiche 1 Het overschrijden van de redelijke termijn bij de beslissing over de rechtsvordering tegen een belastingplichtige, impliceert geenszins dat de belasting of de aanvullende belasting in de zin van artikel 263 WIB64 niet meer zou kunnen gevestigd worden ten aanzien van een andere belastingplichtige binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over voormelde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld, wegens belastbare inkomsten die niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin die rechtsvordering is ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering - Overschrijding redelijke termijn - Termijn van 12 maanden - Vertrekpunt Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 263, § 2, 3° - 31 Link Justel databank 19640226-31 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Thans art. 358, § 2, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 2 - 3 De loutere reden dat de strafrechtelijke procedure werd beëindigd na het verstrijken van de redelijke termijn is voor de belastingadministratie geen beletsel om een belastingverhoging op te leggen bij het vestigen van de belastingaanslag op grond van de gegevens die aan licht kwamen in die procedure
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Vrije woorden: Inzage gerechtelijk dossier - Overschrijding redelijke termijn - Vestiging van de belasting - Belastingverhoging - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Belastingzaken - Inzage gerechtelijk dossier - Overschrijding redelijke termijn - Vestiging van de belasting - Belastingverhoging - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Fiches 4 - 5 Bij de beoordeling van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van belastingverhoging wordt in de regel rekening gehouden met het gedrag van de administratie en ook met het gedrag van de belastingplichtige die zelf op onredelijke wijze de behandeling van het geschil heeft vertraagd; door bij de beoordeling van de redelijke termijn voor het opleggen van de belastingverhoging rekening te houden met het feit dat de belastingplichtige, bij gebrek aan beslissing van de bevoegde administratieve overheid, de zaak niet zelf dadelijk aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg, wordt artikel 6 EVRM niet geschonden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Vrije woorden: Belastingverhoging - Strafsanctie - Redelijke termijn - Overschrijding - Beoordeling door de rechter - Criterium - Gedrag van de belastingplichtige en de administratie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Belastingzaken - Belastingverhoging - Strafsanctie - Redelijke termijn - Overschrijding - Beoordeling door de rechter - Criterium - Gedrag van de belastingplichtige en de administratie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Tekst van de conclusie F.15.0005.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen:
- Situering Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres als vennootschap binnen de Beaulieu-groep actief was als maakloonwerker in opdracht van Caprofil AG, vennootschap naar Zwitsers recht, en verwerkte zij voor Caprofil AG de grondstof caprolactam tot granulaten en garens, die dan door Caprofil AG werden verkocht aan tapijtfabrikanten binnen de Beaulieugroep en aan derden. De fiscale administratie, zich hiervoor steunend op het strafdossier lastens R.D. met notitienummer 21.11.712/90 en het strafdossier lastens R.V. met notitienummer 70.97.610/97, is van oordeel dat binnen de Beaulieu-groep en meer in het bijzonder bij eiseres een constructie werd opgezet om winsten te versluizen naar Caprofil AG en dat eiseres daarbij een abnormaal en goedgunstig voordeel heeft toegekend aan Caprofil AG dat bij toepassing van artikel 24 WIB64 aan de belastbare basis van eiseres moet worden gevoegd. Op 20 augustus 2001 heeft de BBI aan eiseres berichten van wijziging gestuurd met betrekking tot de aanslagjaren 1985 tot en met
- Ondanks het niet-akkoord van eiseres werden de aanslagen op 6 december 2001 gevestigd. De aanslagen werd gevestigd in toepassing van de buitengewone aanslagtermijn voorzien in artikel 263, §2, 3° WIB64 (nadien artikel 358, §2, 3° WIB92, voor de wijziging daarvan door artikel 4 van de Programmawet van 20 juli 2006) voor het geval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld. De buitengewone termijn loopt gedurende twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over bedoelde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld. In dit geval was de BBI van oordeel dat de rechtsvordering ten laste van R.D, ingesteld op 8 november 1990 had uitgewezen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven voor de aanslagjaren 1985 tot en met 1989 (boekjaren 1984 tot en met 1988). Op 11 februari 2002 heeft eiseres bezwaar ingediend tegen de voornoemde aanslagen. Op 25 september 2007 oordeelde het EHRM dat in het voormelde strafdossier 21.11.712/90 de redelijke termijn van artikel 6.
- EVRM was overschreden in hoofde van de heer R.D.. Het EHRM specifieerde niet op welk tijdstip de redelijke termijn precies was verstreken. Eiseres heeft, bij gebreke aan beslissing over haar bezwaarschrift, op 15 januari 2008 een fiscaal verzoekschrift ingediend tegen de betwiste aanslagen bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Bij vonnis van 5 oktober 2012 heeft de fiscale rechtbank de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Het hoger beroep van eiseres werd bij arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 16 september 2014 ongegrond verklaard. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiseres voert in haar verzoekschrift vier middelen tot cassatie aan.
- Bespreking van het eerste middel EERSTE ONDERDEEL 2.
- In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat het hof van beroep niet heeft geantwoord op het in haar conclusie aangevoerde middel volgens hetwelk
(1)verweerder een fout heeft begaan door in 2001 aanslagen te vestigen, gesteund op een gerechtsdossier waarvoor de redelijke termijn ook in 2001 reeds lang was overschreden 2) ook de redelijke termijn voor het vestigen van de aanslagen in die omstandigheden "automatisch" was verstreken (schending artikel 149 G.W.). 2.
- Eiseres voerde voor de appelrechters in essentie aan dat de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak tevens de vaststelling inhoudt van de overschrijding van de redelijke termijn bij het vestigen van "de aanslagen met een strafrechtelijke karakter" in het jaar
- Daarbij ging eiseres er van uit dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn voor het vestigen van de aanslagen met strafrechtelijk karakter dezelfde is als deze die in de strafzaak werd weerhouden. Het onderdeel lijkt mij feitelijke grondslag te missen. De appelrechters oordelen immers dat de redelijke termijn in dit geval een aanvang neemt op het ogenblik dat de voorgenomen aanslagen aan eiseres ter kennis zijn gebracht met de berichten van wijziging van 20 augustus 2001 (en niet op enig tijdstip voordien). Op die manier beantwoorden en verwerpen zij m.i. het in dit onderdeel bedoelde verweer. Door aan te voeren dat verweerder een fout beging door in 2001 aanslagen te vestigen op grond van het gerechtsdossier waarvoor de redelijke termijn reeds was verstreken, voerde de eiseres m.i. geen afzonderlijk middel aan, onderscheiden van het middel van de schending van de redelijke termijn, maar slechts een argument tot staving van dat middel, waarop het hof van beroep niet verder diende te antwoorden. TWEEDE ONDERDEEL 2.
- In het tweede onderdeel voert eiseres de schending aan van
(1)de regel dat een rechtssubject van internationaal publiekrecht zich geen enkel voordeel mag verschaffen dat zijn oorsprong vindt in een schending, door dit rechtssubject, van een norm van internationaal publiekrecht (schending van de algemene rechtsbeginselen van internationaal publiekrecht dat afspraken moeten worden nagekomen, dat niemand voordeel mag halen uit zijn eigen fout, dat een onrechtmatige situatie geen rechten vermag te creëren, van de artikelen 1134, derde lid, 1382 en 1383 B.W. en, voor zoveel als nodig, van artikel 26 van het Verdrag van Wenen en artikel 38 c, van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof),
(2)de regel dat wanneer een rechterlijke instantie van een Lidstaat het EVRM heeft geschonden door een strafrechtelijke procedure voort te zetten na het verstrijken van de redelijke termijn, die Lidstaat geen beroep mag doen op de voortzetting van die procedure na het verstrijken van de redelijke termijn om daaraan een voor zichzelf gunstig gevolg te verlenen (schending van artikel 6.1 en 13 EVRM, in combinatie met de voornoemde algemene rechtsbeginselen van internationaal publiekrecht en artikelen),
(3)het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de internationale rechtsnorm met rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde op alle nationale rechtsnormen en het algemeen rechtsbeginsel dat bij toepassing van het nationale recht, de nationale rechter de nationale rechtsnorm derwijze moet uitleggen dat deze overeenstemt met de relevante internationale normen met rechtstreekse werking,
(4)het algemeen rechtsbeginsel dat toepassing vindt in de artikelen 774 en 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de rechter verplicht is de rechtsregel te bepalen die geldt voor de aan hem voorgelegde vordering en die daarop toe te passen, en
(5)artikel 263, §1, 3° en §2, 3° WIB64 en artikel 358, §1, 3° en §2, 3° WIB92, zoals die artikelen moeten worden uitgelegd overeenkomstig de hierboven aangegeven bepalingen en beginselen (schending van alle in het middel aangehaalde bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet). Volgens eiseres was het hof van beroep er met name toe gehouden op te werpen dat artikel 263, §2, 3° WIB64 en artikel 358, §2, 3° WIB92 in die zin moeten worden uitgelegd dat de buitengewone aanslagtermijn van twaalf maanden loopt vanaf de datum van het verstrijken van de door artikel 6.1 van het EVRM opgelegde redelijke termijn, wanneer de rechtsvordering die uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven, niet werd beëindigd door een definitieve beslissing vóór het verstrijken van die redelijke termijn en diende het de datum te bepalen van het verstrijken van de redelijke termijn in het strafdossier lastens de heer R.D. dat, volgens de BBI, uitwees dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. 2.4. Krachtens artikel 263 WIB64, zoals hier toepasselijk, mag de belasting of de aanvullende belasting gevestigd worden, zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn verstreken is, onder meer in geval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijfjaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld, en moet, in dat geval, de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over voormelde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld. Het onderdeel lijkt er van uit te gaan dat het overschrijden van de redelijke termijn om tot een beslissing te komen over de rechtsvordering die niet-aangegeven belastbare inkomsten uitwijst tot gevolg heeft dat de door de wet voorziene aanslagtermijn wordt ingekort en slechts zou lopen gedurende 12 maanden vanaf de datum waarop de redelijke termijn in die rechtsvordering werd overschreden. Het onderdeel gaat m.i. uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt naar recht. Anders dan het onderdeel aanvoert, moet bij de uitleg van de duidelijke tekst van artikel 263, §2, 3° WIB64 geen rekening gehouden worden met algemene rechtsbeginselen van internationaal publiekrecht. Artikel 263 WIB64 voorziet in een eindtermijn voor de vestiging van de aanslag en voorziet daarop geen uitzonderingen in functie van het gevolg dat aan de rechtsvordering wordt gegeven. De administratie kan zich op de gegevens van het strafdossier steunen zelfs wanneer de strafrechter niet ten gronde heeft geoordeeld, bijvoorbeeld omdat de feiten verjaard zijn, of omdat de strafvordering ontoelaatbaar werd bevonden, of omdat er een minnelijke schikking werd afgesloten e.d. meer. Het feit dat de strafrechter niet geoordeeld heeft over de grond van de zaak doet geen afbreuk aan het recht van de administratie om gebruik te maken van de tijdens het strafonderzoek ontdekte gegevens
(1)en heeft evenmin impact op de termijn om de aanslag te vestigen. Uit artikel 6.1 EVRM volgt niet dat de overschrijding van de redelijke termijn in een strafrechtelijke procedure de belastingadministratie limiteert tot (12 maanden na het overschrijden van) deze termijn om de belasting te vestigen tegen de verdachte of tegen een ander persoon op grond van de gegevens die aan het licht kwamen in deze strafrechtelijke procedure. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de rechter gehouden was om de datum te bepalen van het verstrijken van de redelijke termijn van de strafzaak, hoewel deze geen relevantie had voor de toepassing van het te dezen toepasselijke artikel 263, §2, 3° WIB64, kan het onderdeel m.i. niet worden aangenomen. DERDE ONDERDEEL 2.
- In het derde onderdeel voert eiseres aan dat de artikelen 263, §2, 3° WIB64 en 358, §2, 3° WIB92 strijdig zijn met artikel 6.1 van het EVRM en de voornoemde algemene rechtsbeginselen van het internationaal publiekrecht indien zij in die zin moeten worden uitgelegd dat de termijn van twaalf maanden voor het vestigen van de belasting of de aanvullende belasting loopt vanaf de datum waarop de beslissing over de rechtsvordering die uitwijst dat de belastbare inkomsten niet werden aangegeven, definitief wordt, zelfs indien die datum valt ná het verstrijken van de door artikel 6.1 van het EVRM opgelegde redelijke termijn. 2.
- De redelijke termijn voorzien bij artikel 6 EVRM is niet van toepassing op fiscale geschillen tenzij de rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf in de zin van die bepaling
(2). In zoverre het onderdeel berust op de veronderstelling dat het in voorliggend geval toepasselijke artikel 263, §2, 3° WIB64 dat het vestigen van een belastingaanslag betreft, strijdig is met artikel 6.
- EVRM, hoewel die bepaling niet van toepassing is in een belastingzaak, faalt het m.i. naar recht. In de mate het onderdeel er van uitgaat dat de in het middel geciteerde algemene rechtsbeginselen van publiekrecht van toepassing zijn in een betwisting over de geldigheid van een belastingaanslag, het lijkt het mij eveneens te falen naar recht. De appelrechters waren er bijgevolg niet toe gehouden om de datum te bepalen van het verstrijken van de redelijke termijn in het strafdossier lastens R.D. of om ambtshalve het middel op te werpen dat artikel 263, §2, 3° WIB64 strijdig is met artikel 6.1 EVRM of met de in het middel aangehaalde algemene rechtsbeginselen van internationaal publiekrecht. In zoverre kan het onderdeel m.i. niet worden aangenomen. VIERDE ONDERDEEL 2.
- In het vierde onderdeel voert eiseres aan dat artikel 263, §2, 3° WIB64 en artikel 358, §2, 3° WIB92 in die zin moeten worden gelezen dat wanneer de rechtsvordering die uitwees dat de belastbare inkomsten niet werden aangegeven, niet definitief wordt beëindigd vóór het verstrijken van een door een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne orde opgelegde termijn, de termijn van twaalf maanden voor het vestigen van de belasting of aanvullende belasting, indien daarbij belastingverhogingen worden opgelegd die een straf zijn in de autonome betekenis van dat begrip in het EVRM, loopt vanaf de datum van het verstrijken van de termijn die door het internationale verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde opgelegd is voor de beëindiging van de betreffende rechtsvordering. Door de litigieuze aanslagen niet te vernietigen in zoverre daarbij belastingverhogingen van 50% worden opgelegd die een straf zijn in de autonome betekenis van dat begrip in het EVRM, zonder bovenvermeld rechtsmiddel op te werpen en zonder de datum van het verstrijken van de redelijke termijn in de strafzaak lastens de heer R.D.. te bepalen, schendt het bestreden arrest volgens eiseres alle in de hoofding van het middel aangehaalde bepalingen en rechtsbeginselen, met uitzonderdering van artikel 149 G.W. 2.
- Dit onderdeel lijkt mij te berusten op de onjuiste veronderstelling dat bij de uitlegging van het in voorliggend geval toepasselijk artikel 263, §2, 3° WIB64 rekening moet worden gehouden met algemene rechtsbeginselen van internationaal publiekrecht. Het komt mij voor dat het onderdeel faalt naar recht. VIJFDE ONDERDEEL 2.
- Eiseres voert in het vijfde onderdeel aan dat de artikelen 263, §2, 3° WIB64 en 358, §2, 3° WIB92 strijdig zijn met artikel 6.1 van het EVRM en de voornoemde algemene rechtsbeginselen van het internationaal publiekrecht indien zij in die zin moeten worden uitgelegd dat de termijn van twaalf maanden voor het vestigen van de belasting of de aanvullende belasting, indien daarbij belastingverhogingen worden opgelegd die een straf zijn in de autonome betekenis van dat begrip in het EVRM, loopt vanaf de datum waarop de beslissing over de rechtsvordering die uitwijst dat de belastbare inkomsten niet werden aangegeven, definitief wordt, zelfs indien die datum valt ná het verstrijken van de door artikel 6.1 van het EVRM opgelegde redelijke termijn. 2.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, kan uit de in het onderdeel aangewezen verdragsbepalingen, wetsbepalingen of algemene rechtsbeginselen m.i. niet worden afgeleid dat de overschrijding van de redelijke termijn in een strafrechtelijke procedure een impact heeft op de aanslagtermijn waarover de belastingadministratie beschikt om een belasting met bijhorende belastingverhoging te vestigen tegen de verdachte of tegen een ander persoon op grond van de gegevens die aan het licht kwamen in een strafrechtelijke procedure. Zoals reeds aangehaald bij de bespreking van het tweede onderdeel kan men de aanslagtermijn niet laten fluctueren in functie van het gevolg dat aan de rechtsvordering wordt gegeven. De termijn waarbinnen de rechtsvordering, die uitwees dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven, redelijkerwijze moet worden behandeld, staat overigens los van de termijn waarbinnen de belastingverhoging, die een autonome straf is in de zin van artikel 6.1 EVRM, redelijkerwijze moet worden opgelegd. Het onderdeel faalt m.i. naar recht.
- Bespreking van het tweede middel EERSTE ONDERDEEL 3.
- In het eerste onderdeel van het tweede middel voert eiseres aan dat de rechtsvordering het bestaan van niet aangegeven inkomsten alleen kan "uitwijzen", in de zin van artikel 263, §1, 3° WIB64 en artikel 358 WIB92 (in de versie aangehaald in de hoofding van het middel) wanneer het bestaan van die inkomsten op een expliciete of impliciete, doch vaststaande wijze wordt bevestigd door een beslissing waartegen geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend. 3.
- Het onderdeel faalt m.i. naar recht. Door voor te schrijven dat de nieuwe aanslag dient te worden vastgesteld binnen twaalf maanden, met ingang van de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld, legt artikel 263, §2, 3° WIB64 op straffe van verval, de uiterste datum voor de vestiging van de aanslag vast. Die bepaling verbiedt de administratie evenwel niet de aanslag te vestigen vanaf het tijdstip waarop de rechtsvordering het bestaan van niet-aangegeven inkomsten uitwijst, zelfs vóór de voormelde termijn is beginnen lopen
(3). Uit de vaste rechtspraak van Uw Hof blijkt dat, wanneer een rechtsvordering uitwijst dat in een der vijf jaren vóór dat van het instellen van de vordering belastbare inkomsten niet zijn aangegeven, de administratie, overeenkomstig artikel 358, §1, 3° WIB92 (voorheen artikel 263, §1, 3° WIB64), een belasting of aanvullende belasting mag vestigen zonder dat vereist is dat uit de rechtsvordering zelf het bewijs van het niet-aangeven van belastbare inkomsten blijkt. Het volstaat dat de rechtsvordering feiten aan het licht brengt die het bestuur toelaten om met de wettelijke bewijsmiddelen waarover het beschikt, te bewijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven
(4). Anders dan het onderdeel aanvoert, rustte op de appelrechters niet de verplichting om vast te stellen of de strafprocedure ten laste van R.D. definitief was op de dag van de litigieuze aanslagen en laat de beslissing van de appelrechters in verband artikel 263, §2, 3° WIB64 toe de wettigheid ervan te controleren. TWEEDE ONDERDEEL 3.
- In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat de artikelen 263, §2, 3° WIB64 en 358, §2, 3° WIB92 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schenden, alsook artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en, voor zoveel als nodig, het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de internationale rechtsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde op alle nationale rechtsnormen. Volgens eiseres geven die artikelen, indien zij in die zin worden uitgelegd dat zij toelaten om niet aangegeven belastbare inkomsten te belasten na het zesde jaar dat volgt op het jaar in de loop waarvan de inkomsten niet werden aangegeven omwille van het enkele feit dat het gebrek aan aangifte wordt uitgewezen door een gerechtsdossier, nog voordat dit gerechtsdossier het voorwerp is van een beslissing waartegen geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend, in die mate aanleiding tot een verschil in behandeling dat gesteund is op een criterium van onderscheid dat niet pertinent is en in elk geval onredelijk is. Wanneer de niet-aangifte van belastbare inkomsten niet wordt uitgewezen door een rechtsvordering, kan de belastingplichtige immers niet langer worden belast, zodra het zesde jaar dat volgt op het jaar in de loop waarvan de inkomsten niet werden aangegeven, is verstreken. 3.
- Het onderdeel lijkt mij ervan uit te gaan dat de betwiste aanslagen zijn gevestigd voordat de rechtsvordering in de strafzaak ten laste van R.D. het voorwerp uitmaakte van een definitieve beslissing. De appelrechters stellen evenwel niet vast dat de betwiste aanslagen zijn gevestigd vooraleer de rechtsvordering in de strafzaak met notitienummer 21.11.712/90, die heeft uitgewezen dat eiseres belangrijke inkomsten niet had aangegeven, het voorwerp uitmaakte van een definitieve beslissing. Het onderdeel lijkt mij derhalve een onderzoek van feiten te vergen, waarvoor Uw Hof niet bevoegd is. Het onderdeel komt mij niet ontvankelijk voor, zodat er ook geen aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
- Bespreking van het derde middel 4.
- In de het derde middel voert eiseres aan dat de appelrechters door bij de beoordeling van de redelijke termijn voor het opleggen van de belastingverhogingen van 50%, die worden beschouwd als zijnde een straf in de autonome betekenis van het EVRM, rekening te houden met het feit dat eiseres, bij gebrek aan een beslissing van de bevoegde administratieve overheid op basis van artikel 375, §1, WIB92, de zaak zelf niet dadelijk aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg na het verstrijken van een termijn van zes maanden overeenkomstig artikel 1385undecies, lid 2 Ger.W., artikel 6.1 EVRM schenden, evenals het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de internationale rechtsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde op alle nationale rechtsnormen, het artikel 375 WIB92 (zoals vervangen door artikel 32 van de wet van 15 maart 1999) en het artikel 1385undecies Ger.W.(zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 23 maart 1999). 4.
- Art. 6.1 EVRM is niet van toepassing op de geschillen over rechten en verplichtingen in belastingzaken, tenzij de rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf in de zin van die bepaling
(5). De voorliggende procedure dient derhalve enkel te worden getoetst in de mate dat deze betrekking heeft op een strafvervolging, d.i. hier de belastingverhoging. De vonnisgerechten dienen, in het licht van de gegevens van elke zaak, na te gaan of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld. De gegevens waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van belastingverhoging zijn niet alleen de aard en de complexiteit van de zaak, en de wijze waarop het gerecht de zaak heeft behandeld, maar ook het gedrag van de administratie en het gedrag van de belastingplichtige die zelf op onredelijke wijze de behandeling van het geschil heeft vertraagd
(6). Al deze elementen van de zaak moeten m.i. globaal in de beoordeling van de redelijke termijn worden betrokken. Bij overschrijding van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van een belastingverhoging welke een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM moet de rechter die daarvoor met volle rechtsmacht oordeelt, deze sanctie op een meetbare wijze kunnen verminderen of eventueel de belastingplichtige ervan ontslaan. Overeenkomstig de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek is het alleen de belastingplichtige zelf die een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet bij de rechter aanhangig kan maken. De omstandigheid dat mogelijk de nalatigheidsinterest tegen hem overeenkomstig artikel 414, §2, WIB92 opnieuw begint te lopen, doet daaraan niet af
(7). 4.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: * de opgelegde belastingverhoging te beschouwen is als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM; * de belastingverhogingen werden aangekondigd in de berichten van wijziging van aangifte van 20 augustus 2001; * de aankondiging van de belastingverhogingen in de berichten van wijziging van aangifte van 20 augustus 2001 beschouwd moet worden als het vertrekpunt van de redelijke termijn gewaarborgd door artikel 6 EVRM; * op 13 februari 2002 bezwaar werd ingediend tegen de bestreden aanslagen; * op heden dan ook derhalve dertien jaren zijn verlopen, sedert dit beginpunt van de termijn; * in ernst niet valt te ontkennen dat de zaak zeer complex is en dat het aantal betwistingen in verband met de bestreden aanslagen zeer talrijk is; * de partijen trouwens uitvoerig hebben geconcludeerd; * de partijen gepoogd hebben hun geschil minnelijk op te lossen, ook al is dit blijkbaar niet gelukt; * men dan ook verweerder niet zonder meer verantwoordelijk kan stellen voor de volledige lange duur van de administratieve en gerechtelijke procedure; * dat bij gebrek aan beslissing op bezwaar eiseres de gerechtelijke procedure pas heeft ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 15 januari 2008; * het tijdverlies dat voortvloeit uit de omstandigheid dat de gerechtelijke procedure pas werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 15 januari 2008 niet te wijten is aan de verweerder nu de eiseres de mogelijkheid had na verloop van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaar de gerechtelijke procedure in te stellen; * op grond van het overzicht van het procedureverloop het niet mogelijk is verweerder verantwoordelijk te stellen voor het niet eerbiedigen van een redelijke termijn. Door aldus bij de beoordeling van de redelijke termijn voor het opleggen van de belastingverhogingen van 50 pct, met inachtneming van de concrete omstandigheden van de zaak, mede rekening te houden met het feit dat eiseres, bij gebrek aan beslissing van de bevoegde administratieve overheid, de zaak niet zelf dadelijk aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg, schenden de appelrechters artikel 6 EVRM m.i. niet. De appelrechters houden immers geen rekening met een gebrek aan actieve medewerking van eiseres aan haar vervolging, waartoe zij op grond van artikel 6.1 EVRM niet gehouden is, maar stellen vast dat het uitblijven van een beslissing gedeeltelijk te wijten is aan het niet instellen van een rechtsmiddel, waarover eiseres precies beschikte om de gevestigde aanslagen in rechte aan te vechten. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen.
- Bespreking van het vierde middel 5.
- In het vierde middel voert eiseres aan dat de appelrechters, door te beslissen dat verweerder het proces-verbaal d.d. 19.5.1999 (nr.V714/99) vermag te gebruiken om de uit het strafdossier met nr. 21.11.712/90 afkomstige inlichtingen te "bevestigen" en door deze beslissing te gronden op de overweging dat inzage in een strafdossier "niet te beschouwen (is) als een daad van onderzoek", de te dezen toepasselijke artikelen 235, §1 WIB64 en 327, §1 WIB92, 240 WIB64 en 333 WIB92, 263 WIB64 en 358 WIB92, schenden. 5.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat (p. 23 - 25 van het bestreden arrest): * in de berichten van wijziging van aangifte uitvoerig uiteengezet wordt op welke gegevens onder meer uit het strafdossier met nr. 21.11.712/90 ten laste van R.D. (waaraan het dossier 5408/79 werd gevoegd) wordt gesteund, terwijl dit het dossier is waarop de administratie volgens de berichten van wijziging heeft gesteund als zijnde het gerechtsdossier dat heeft uitgewezen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven gedurende de aanslagjaren 1985 tot en met 1989; * het feit dat verweerder ook inzage vroeg en kreeg in het strafdossier 70.97.610/97 ten laste van R.V. niet te beschouwen is als een daad van onderzoek; * uit de berichten van wijziging blijkt dat het wel het strafdossier met nr. 21.11.712/90 is dat uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven; * alle stukken en verklaringen naar dewelke door verweerder wordt verwezen afkomstig zijn uit laatstgenoemd dossier, met uitzondering van het proces-verbaal van 19 mei 1999 (nr. V714/99); * dit laatste proces-verbaal een mededeling is van J.D., waarvan verweerder in de berichten van wijziging van aangifte stelt dat ze perfect overeenkomt met de stelling van de administratie; * dit impliceert - en dit ook afdoende blijkt uit de gegevens uit het strafdossier met nr. 21.11.712/90 naar dewelke de administratie in de berichten van wijziging van aangifte verwijst - dat het PV nr. V714/99 slechts een bevestiging inhoudt van hetgeen de administratie reeds had kunnen afleiden uit het strafdossier met nr. 21.11.712/
- Het komt mij voor dat door aldus te oordelen, de appelrechters, anders dan waar het middel van uitgaat, niet beslist hebben dat verweerder vermag de niet-aangegeven inkomsten te bewijzen aan de hand van gegevens geput uit het strafdossier lastens R.V. met nr. 70.87.610/
- Het hof van beroep geeft integendeel te kennen dat alle stukken en verklaringen waarnaar verweerder verwijst, afkomstig zijn uit het strafdossier met nr. 21.11.712/90, zijnde het dossier dat uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven, met uitzondering van het proces-verbaal van 19 mei 1999 (nr. V714/99), dat echter slechts een bevestiging inhoudt van hetgeen verweerder reeds had kunnen afleiden uit het voornoemd strafdossier. Het vierde middel lijkt mij dan ook uit te gaan van een verkeerde lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
- Besluit: VERWERPING. _____________________
(1)Gent 15 februari 2000, Fisc. Act. 2000, weergave DESTERBECK, F., afl. 8, 5.
(2)Cass. 10 september 2010, AR F.09.0121.N, AC 2010, nr. 511, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.5, met concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.5.
(3)Cass. 1 oktober 2004, AR F.02.0009.N, AC 2004, nr. 446, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4.
(4)Cass. 15 december 2011, AR F.10.0120.N, AC 2011, nr. 691, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111215.12.
(5)Cass. 21 november 1997, AR F.97.0048.F, AC 1997, nr. 498, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971121.8.
(6)Vgl. Cass. 12 april 2000, AR P.00.0136.F, AC 2000, nr. 249, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16.
(7)Cass. 12 november 2009, AR F.07.0076.N, AC 2009, nr. 65, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.17. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971121.8 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.17 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111215.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div