id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 september 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.3 Rolnummer: F.15.0150.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2018-10-05 Raadplegingen: 330 - laatst gezien 2026-06-18 10:08 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.3 Fiche Uit de samenhang van de artikelen 34, § 1, 2°, b), 38, § 1, 18° en 39, § 2, 2°, d), WIB92 volgt dat de stortingen van de werkgeversbijdragen betaald vanaf 1 januari 2004, datum van inwerkingtreding van de wet van 28 april 2003, vrijgesteld zijn indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 38, § 1, 18°, WIB92, ongeacht de datum van afsluiting van de collectieve pensioentoekenning in uitvoering waarvan de bijdragen worden betaald; de stortingen van de werkgeversbijdragen betaald tot en met 31 december 2003, die in het individueel en definitief verworven voordeel van de belastingplichtige zijn gebeurd, kunnen niet genieten van de vrijstelling van artikel 38, § 1, 18°, WIB92 zodat de latere pensioenuitkering niet nogmaals kan worden belast
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Vrije woorden: Pensioenfonds - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Individueel en definitief verworven voordeel van de pensioengerechtigde - Belastbaarheid van het pensioen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 34, § 1, 2°, b), 38, § 1, 18°, en 39, § 2, 2°, d) - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.15.0150.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen:
- Situering Verweerder was destijds tewerkgesteld in Nederland bij de Nederlandse BV Optiek Van Der Valk als directeur-grootaandeelhouder en op grond van deze dienstbetrekking werden hem pensioenrechten toegekend waarvan de uitvoering werd ondergebracht in de Nederlandse BV Bout Pensioen. Huidige betwisting heeft betrekking op de vraag of de pensioenuitkeringen, die door de Nederlandse BV Bout Pensioen aan verweerder werden toegekend, in België belastbaar zijn als beroepsinkomen. De eerste rechter oordeelde dat het ontegensprekelijk vaststond dat België overeenkomstig art. 18.1 DBV België-Nederland heffingsbevoegd was zodat aan de hand van de interne Belgische wetgeving diende te worden nagegaan of deze pensioenuitkeringen effectief belast konden worden als beroepsinkomen. Tevens besliste de eerste rechter dat de stortingen van de Nederlandse BV Optiek Van Der Valk, die betaald waren tot en met 31.12.2003 in België te aanzien waren als belastbare voordelen van alle aard in hoofde van verweerder en daardoor gelijkgesteld werden met bijdragen tot een individuele levensverzekering zodat deze bedragen op het moment van de betaling van de bijdragen in het vermogen van verweerder waren terechtgekomen en de latere betalingen dan ook niet nogmaals konden belast worden als een pensioen, nu verweerder voor deze bijdragen in België nooit enige belastingvrijstelling, belastingaftrek of belastingvermindering had genoten. Verder oordeelde de eerste rechter dat de stortingen van de Nederlandse BV Optiek Van Der Valk, die betaald waren vanaf 01.01.2004, daarentegen ingevolge het bij de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid ingevoegde artikel 38, §1, 18° en 19° WIB92, vrijgestelde voordelen waren zodat de latere betalingen wel konden belast worden als een pensioen. De eerste rechter maakte aldus een opdeling inzake de belastbaarheid van de pensioenuitkeringen in die zin dat deze slechts belastbaar waren in de mate dat deze betrekking hebben op bijdragen vanaf 01.01.
- Het hof van beroep te Antwerpen bevestigde het eerste vonnis bij arrest van 10 november
- Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
- Bespreking van het enig middel 2.
- Eiser laat in het enig middel gelden dat het bestreden arrest ten onrechte een opdeling maakt in de zin dat, aangezien de pensioenopbouw werd verricht vanaf 1993 tot en met 2006, en aangezien slechts de stortingen van de werkgeversbijdragen vanaf 1 januari 2004 vrijgestelde voordelen zijn in hoofde van verweerder, deze pensioenuitkeringen slechts belastbaar zijn in de mate dat ze betrekking hebben op de bijdragen vanaf 01.01.
- Hierdoor miskent het bestreden arrest volgens eiser het artikel 39, §2, 2°, d, WIB92 zoals van toepassing voor de betrokken aanslagjaren, gezien daarin wordt bepaald dat om aanspraak te kunnen maken op vrijstelling, het individueel levensverzekeringscontract "niet geheel of gedeeltelijk gevormd mag zijn door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de ondernemingen, noch van bijdragen of premies als bedoeld in artikel 38, §1, eerste lid, 16°, noch van bijdragen die, overeenkomstig artikel 52, 7° bis, in aanmerking konden komen als beroepskosten, noch van bijdragen die in aanmerking konden komen voor de toepassing van artikel 145, 1, 1°". Door aldus te stellen dat de latere pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden toch pro rata vrijgesteld zijn ten belope van de gestorte premies die afkomstig zijn van bijdragen van vóór de WAP, schendt het bestreden arrest volgens eiser bovendien het artikel 172 van de Grondwet dat stelt dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden verleend dan door een wet. 2.
- Op grond van artikel 34, §1, 2°, b, WIB92 omvatten pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend, bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, §1, eerste lid, 18° en 19°. Overeenkomstig artikel 38, §1, 18°, WIB92 zoals ingevoerd door de wet van 28 april 2003, zijn de voordelen die voor de werknemers die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de betaling van werkgeversbijdragen en -premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b vrijgesteld op voorwaarde, wanneer het een individuele toezegging betreft, dat bij de werkgever ook een collectieve toezegging bestaat die voor de werknemers of een bijzondere categorie ervan op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is. Artikel 39, §2, 2°, d, WIB92 bepaalt dat pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld zijn, indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is en ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming. 2.
- Uw Hof oordeelde meermaals dat een pensioen niet belastbaar is op grond van artikel 34 WIB92 wanneer het is opgebouwd aan de hand van werkgeversbijdragen die in het definitief en uitsluitend voordeel van de pensioengerechtigde werden gestort
(1). De reden hiervoor moet worden gezocht in het beginsel non bis in idem: de pensioengerechtigde zou immers tweemaal worden belast. Indien het pensioen voortkomt uit bijdragen die betaald werden in het definitief en individueel voordeel van de pensioengerechtigde, dan vormen deze bijdragen op het ogenblik van hun storting immers al belastbare bezoldigingen, zodat de latere periodieke uitkeringen niet meer kunnen worden belast als uitgesteld bedrijfsinkomen. De Wet Aanvullende Pensioenen (WAP, in werking getreden op 1 januari 2004) heeft het fiscaal stelsel inzake pensioenen verduidelijkt, en voegde artikel 38, §1, 18°, WIB92 in, waardoor de voordelen die voor werknemers voortvloeien uit de betaling van werkgeversbijdragen en -premies in het kader van een extra-wettelijke pensioenopbouw van belasting zijn vrijgesteld. In samenhang hiermee werd door de WAP artikel 39, §2, 2°, d, WIB92 ingevoerd, op grond waarvan pensioenen geheel of gedeeltelijk opgebouwd met werkgeversbijdragen niet van een vrijstelling kunnen genieten. Verweerder verdedigt de stelling dat alle pensioenuitkeringen vanaf de inwerkingtreding van de WAP niet langer vrijgesteld zijn. Daarbij zou het onbelangrijk zijn dat de pensioenbijdragen zelf vóór de invoering van de WAP werden betaald. In de rechtspraak is men m.i. terecht kritisch over het standpunt van de fiscus
(2). De kritiek die E. STROOBANT formuleert in haar bespreking van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 februari 2015, kan naar mijn mening worden bijgetreden: "Het belastbaar stellen van pensioenuitkeringen in de situaties die hierboven zijn geschetst, is niet alleen strijdig met het non bis in idem-beginsel en met de WAP-wetgeving. Een dergelijke taxatie zou ook strijdig zijn met de coherentie van het Belgisch fiscaal regime van pensioenen. Dit regime gaat uit van een rechtstreeks verband tussen het fiscale regime dat gold tijdens de pensioenopbouw en de fiscale behandeling bij de pensioenuitkering. Als de pensioenopbouw gefiscaliseerd is (de financiering van het pensioen geniet van een vrijstelling of aftrek), dan is de pensioenuitkering dat ook (de uitkeringen worden belast), Geniet de pensioenopbouw daarentegen van geen vrijstelling of aftrek, dan zijn de pensioenuitkeringen niet belastbaar (...). Het Hof van Justitie oordeelde dat dit verband tussen de fiscale behandeling tijdens de pensioenopbouw en de fiscale behandeling bij de pensioenuitkering dermate belangrijk is dat het een afwijking op Europese vrijheden (...) kan verantwoorden (HvJ 28 januari 1992, C-204/90, FJF, No. 92/46; HvJ 28 januari 1992, C-300/90, FJF, No. 92/45), In dit verband kan ook worden verwezen naar het Bachmann-arrest van het Hof van Justitie van 28 januari
- In dit arrest dat betrekking had op individuele levensverzekeringen wees het Hof op de band die in België bestaat tussen de (niet-)aftrekbaarheid van de premies en de (niet-) belastbaarheid van de uitkeringen. Zijn de premies in België niet afgetrokken - a fortiori niet aftrekbaar -, dan zijn de uitkeringen niet belastbaar". 2.
- In het licht van hetgeen voorafgaat meen ik dat uit de samenhang van de onder 2.2 vermelde bepalingen volgt dat de stortingen van de werkgeversbijdragen betaald vanaf 1 januari 2004, datum van inwerkingtreding van de wet van 28 april 2003, vrijgesteld zijn indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 38, §1, 18°, WIB92, ongeacht de datum van afsluiting van de collectieve pensioentoekenning in uitvoering waarvan de bijdragen worden betaald. De stortingen van de werkgeversbijdragen betaald tot en met 31 december 2003, die in het individueel en definitief verworven voordeel van de belastingplichtige zijn gebeurd, vallen m.i. daarentegen niet onder de vrijstelling van artikel 38, §1, 18°, WIB92 maar vormen een belastbare bezoldiging op het ogenblik van hun storting. De belastingvrijstelling van de daarmee verband houdende pensioenuitkeringen is naar mijn mening definitief verworven en kan door de inwerkingtreding van de WAP niet met terugwerkende kracht worden opgeheven. De appelrechters die oordelen dat "de stortingen van de werkgeversbijdragen, die zijn betaald tot en met 31 december 2003, in België conform artikel 34, §1, 2° WIB 1992 en artikel 39, §2, 2°, a) WIB 1992 te aanzien [zijn] als belastbare voordelen van alle aard in hoofde van [de verweerden en daardoor [worden] gelijkgesteld met bijdragen tot een individuele levensverzekering zodat deze bedragen op het moment van de betaling van de bijdragen in het vermogen van [de verweerden] zijn terechtgekomen en de latere betalingen dan ook niet nogmaals kunnen belast worden als een pensioen, nu [de verweerden] voor deze bedragen in België nooit enige belastingvrijstelling, belastingaftrek of belastingvermindering heeft genoten", verantwoorden m.i. hun beslissing naar recht. Het middel lijkt mij niet te kunnen worden aangenomen.
- Besluit: VERWERPING. ______________
(1)Cass. 11 april 2002, TFR 2002, 801; Cass. 12 november 2009, AR F.08.0019.N, AC 2009, nr. 656, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16; Cass. 14 januari 2011, AR F.09.0105.N, AC 2011, nr. 38, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.2.
(2)Zie o.a. Antwerpen, 4 juni 2013, Fiscoloog Internationaal, 2013, afl. 360, 7; Rb. Antwerpen, 2 februari 2015, Fisc.Koer. 2015/556, met noot E. STROOBANT. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div