id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 september 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.4 Rolnummer: F.17.0054.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2018-10-05 Raadplegingen: 451 - laatst gezien 2026-06-18 12:38 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.4 Fiches 1 - 2 De omstandigheid dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten worden aangemerkt; de kosten die een vennootschap maakt zijn enkel aftrekbaar in de zin van artikel 49 WIB92 wanneer zij aan de in die bepaling gestelde voorwaarden voldoen en onder meer wanneer die kosten gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, ongeacht het verband met de statutaire activiteiten van de vennootschap
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Verband met statutair doel of maatschappelijke activiteit van de vennootschap - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 49, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Vrije woorden: Aftrekbaarheidsvoorwaarden - Verrichtingen uitsluitend gesteld met oog op belastingvoordeel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 49, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] - GNEDASJ, Svjatoslav; JANSSENS, Koen; Noot "Ook Cassatie is streng voor aftrek appartement aan kust" - 2018, nr. 35, p. 1-
- Tekst van de conclusie F.17.0054.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen:
- Situering Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres een burgerlijke vennootschap onder de vorm van een BVBA is dewelke op 7 maart 2008 werd opgericht. Sinds 10 december 2008 werd het statutair doel van eiseres uitgebreid in die zin dat de vennootschap teneinde haar vennootschappelijke vermogen te beheren en te rentabiliseren mag overgaan tot beleggen in en beheren van zowel roerende als onroerende goederen welke de vennootschap bezit of in de toekomst zal verwerven. Op 19 december 2008 kocht deze vennootschap voor 70% in volle eigendom een woning aan te Koksijde. 15% volle eigendom werd aangekocht door J.V. en de overige 15 % volle eigendom door zijn partner. De woning werd ter beschikking gesteld door de vennootschap aan haar enige zaakvoerder, te weten de heer J.V. en zijn gezin, die hiervoor jaarlijks een vergoeding betaalde die berekend werd op basis van de forfaitaire waarderingsregels voor voordelen in natura (artikel 18 KB/WIB). De administratie weigerde voor de aanslagjaren 2010 en 2011 de aftrek van de kosten met betrekking tot deze woning op de grond van de artikelen 49 en 53, 9° WIB
- De vordering van eiseres werd bij vonnis van 4 februari 2015 door de eerste rechter op dat punt verworpen. Aangaande de verwerping van de beroepskosten oordeelde de eerste rechter dat eiseres in hoger beroep reeds op grond van artikel 49 WIB92 de bewijslast van de aftrekmogelijkheid van deze kosten droeg, zodat artikel 53, 9° WIB92 louter ten overvloede gold. Volgens de eerste rechter had eiseres in hoger beroep doelbewust haar maatschappelijk doel uitgebreid met het oog op de aftrekmogelijkheid van het onroerend goed te Koksijde dat werd aangewend tot private tussentijdse huisvesting van de bedrijfsleider. Het was volgens de eerste rechter niet duidelijk hoe het vermogen gerentabiliseerd werd door het gratis ter beschikking te stellen aan de bedrijfsleider. Volgens de eerste rechter werd daarenboven geen enkel doelverband tussen het gebruik van het onroerend goed aan zee en het bekomen of behouden van belastbare inkomsten aangetoond. Tot slot stelde de eerste rechter nog dat het geheel der verrichtingen tot gevolg had dat het doelverband van artikel 49 WIB92 werd doorbroken. Bij arrest van 17 januari 2017 bevestigt het hof van beroep te Antwerpen het vonnis gewezen in eerste aanleg in al zijn beschikkingen. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
- Bespreking van het enig middel EERSTE ONDERDEEL 2.
- Eiseres voert in het eerste onderdeel aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de kosten met betrekking tot de woning te Koksijde, die eiseres tegen een vergoeding ter beschikking stelde van haar zaakvoerder en zijn gezin, geen aftrekbare beroepskosten zijn in de zin van artikel 49 WIB92, op grond dat niet werd aangetoond dat: * ooit de bedoeling werd nagestreefd om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten zouden overstijgen, noch dat het onroerend goed op termijn zou kunnen worden verkocht met een grote meerwaarde; * de aankoop en het beheer van het onroerend goed kadert in het hoofddoel of het bijkomend statutair doel van de vennootschap; * deze verrichtingen noodzakelijk verband houden met een door de vennootschap werkelijk gevoerde doch niet in de statuten vermelde activiteit. Volgens het eerste onderdeel zou het bestreden arrest niet wettig hebben beslist dat deze elementen volstaan om te besluiten dat de aankoop van het bedoelde onroerend goed voor de betwiste aanslagjaren 2010 en 2011 geenszins kan worden beschouwd als een investering/belegging van liquiditeiten en dat de kosten geenszins werden gemaakt om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden (schending van de artikelen 49, 52, 3° en 183 WIB92). 2.
- Artikel 49, eerste lid WIB92 bepaalt dat als beroepskosten slechts aftrekbaar zijn de kosten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, uitgezonderd de eed. Deze bepaling is overeenkomstig artikel 183 WIB92 ook van toepassing in de vennootschapsbelasting. Krachtens artikel 49, eerste lid WIB92 zijn als beroepskosten slechts aftrekbaar de uitgaven die inherent zijn aan de uitoefening van het beroep. Voorheen oordeelde Uw Hof dat dit voor een vennootschap wil zeggen dat de beroepskosten een noodzakelijk verband moeten vertonen met de uitgeoefende maatschappelijke activiteit van die vennootschap
(1). In een aantal arresten van 12 juni 2015 werd door Uw Hof beslist dat voor de aftrek als beroepskost niet langer is vereist dat de kosten inherent moeten zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap "zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel". De omstandigheid dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat, kan bijgevolg als dusdanig niet uitsluiten dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt
(2). Uw Hof kwam aldus terug op zijn vroegere rechtspraak waarin het herhaaldelijk voorop stelde dat beroepskosten om aftrekbaar te zijn noodzakelijkerwijze binnen het maatschappelijk of statutair doel van de vennootschap moeten vallen. De arresten van 12 juni 2015 houden evenwel niet in dat alle uitgaven of lasten van een vennootschap noodzakelijk en onvoorwaardelijk aftrekbare beroepskosten uitmaken die van de brutowinst mogen worden afgetrokken. Waar de aftrek van bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten niet langer afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan het maatschappelijke of statutair doel van de handelsvennootschap, blijft immers nog steeds vereist dat die uitgaven of lasten moeten zijn gedaan of gedragen "om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden", wat concreet inhoudt dat er een aantoonbaar (causaal) verband moet bestaan met "de werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid" van de vennootschap
(3). Auteur VAN CROMBRUGGE merkte dan ook terecht op dat de arresten van 12 juni 2015 minder spectaculair ogen dan ze lijken: "Om aftrekbaar te zijn, moeten de kosten nog altijd een noodzakelijk verband vertonen met of eigen zijn aan de uitgeoefende beroepswerkzaamheid, d.w.z. de door de vennootschap effectief geëxploiteerde onderneming of effectief uitgeoefende activiteit. Dit geeft de fiscus en de feitenrechter nog altijd enige speelruimte voor de verwerping van fantaisistische kosten, kosten die zonder adequate tegenprestatie worden gedragen in het belang van derden, kosten die niet voor het geheel beantwoorden aan effectieve prestaties ten behoeve van de onderneming, of kosten die enkel tot doel hebben de belastbare grondslag te vernietigen"
(4). Bij de betwisting van het beroepskarakter van een bedrijfsuitgave van een vennootschap, zal de rechter derhalve steeds in concreto moeten nagaan of die uitgave werd gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, m.a.w. of er een verband bestaat met de effectief door de vennootschap uitgeoefende beroepswerkzaamheid. Kosten die met een ander doel zijn gedaan of gedragen, zullen niet aftrekbaar zijn, zoals ook het Grondwettelijk Hof reeds herhaaldelijk heeft bevestigd: "B.4. Artikel 49 van het WIB 1992 koppelt de in het geding zijnde aftrekbaarheid immers aan de voorwaarde dat de daarin beoogde kosten zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, hetgeen de kosten uitsluit die met een ander doel zijn gedaan of gedragen, bijvoorbeeld wanneer onbaatzuchtig wordt gehandeld of wanneer zonder tegenprestatie een voordeel aan een derde wordt verschaft (...); Het staat aan de rechter na te gaan of de uitgave is gedaan om een inkomen te verkrijgen of te behouden (...)"
(5). De vraag of handelingen verband houden met de werkelijke beroepsactiviteit van een vennootschap betreft een feitelijke beoordeling waarop Uw Hof evenwel zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen door na te gaan of de feitenrechter uit de gedane vaststellingen geen gevolgen heeft getrokken die op grond daarvan niet te verantwoorden vallen, en of hij daarbij het wettelijk begrip 'beroepskosten' niet heeft miskend of gedenatureerd. 2.
- Het bestreden arrest stelt in casu vast en oordeelt dat: * het duidelijk is dat de aankoop van het betrokken onroerend goed in Koksijde niet kadert in het hoofddoel van de vennootschap; * er niet wordt betwist dat in deze woning geen activiteiten van de geneeskunde of aanverwante activiteiten werden beoefend; * de vennootschap niet aantoont dat de verrichting kadert in het bijkomend statutair doel van de vennootschap, met name in het beleggen in en beheren van roerende of onroerende goederen om reden dat: o het onroerend goed in Koksijde bijna voor het volledige bedrag werd gefinancierd met door de vennootschap geleend geld en het dus geen belegging betrof in en beheer van het vennootschappelijk vermogen in de zin van het statutair doel; o uit geen enkel gegeven blijkt dat de vennootschap het onroerend goed wenste te rentabiliseren gedurende het bezit ervan; het onroerend goed werd immers ter beschikking gelaten van de zaakvoerder tegen een zeer bescheiden vergoeding; het werd ook niet te huur werd gesteld op de huurmarkt of verhuurd; de schamele inkomsten staan tegenover zware kosten; er werd niet aangetoond dat ooit de bedoeling werd nagestreefd om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten zouden overstijgen; o uit geen enkel gegeven blijkt dat het onroerend goed op termijn kon verkocht worden met een grote meerwaarde, temeer daar het onroerend goed in onverdeeldheid toebehoorde aan drie verschillende mede-eigenaars, die dan nog elk over een voorkooprecht beschikten. * bovendien niet wordt aangetoond dat deze verrichtingen noodzakelijk verband houden met een door de vennootschap werkelijk gevoerde (doch niet in de statuten vermelde) activiteit; De appelrechters oordelen vervolgens dat voormelde elementen ook volstaan om te besluiten dat de aankoop van het onroerend goed voor de betwiste aanslagjaren geenszins kan beschouwd worden als een investering/belegging van liquiditeiten en dat de kosten geenszins gemaakt werden om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden maar dat integendeel blijkt dat de enige bedoeling van de verrichting was het ten laste laten nemen door de vennootschap van privékosten van de zaakvoerder. Het lijkt mij dat de appelrechters, door aldus te oordelen, hun beslissing dat de litigieuze kosten geen beroepskosten van de vennootschap betreffen in de zin van artikel 49 WIB92 zodat de aftrek ervan terecht werd verworpen, naar recht verantwoorden. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. TWEEDE ONDERDEEL 2.
- In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat de appelrechters door hun beslissing dat de bedoelde kosten niet aftrekbaar zijn als beroepskosten mede te steunen op de overweging dat de inkomsten (zijnde de vergoeding die door de zaakvoerder voor het gebruik van de woning werd betaald) staan tegenover zware kosten, waarbij niet werd aangetoond dat ooit de bedoeling werd nagestreefd om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten zouden overstijgen en dat integendeel blijkt dat de enige bedoeling van de verrichting was het ten laste laten nemen door de vennootschap van privé kosten van de zaakvoerder, in werkelijkheid hun beslissing dat deze kosten geen aftrekbare beroepskosten zijn, steunen op een beoordeling van de opportuniteit van deze kosten en zij hun beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 49, 53, 3° en 183 WIB92). 2.
- Uit de bespreking van het eerste onderdeel blijkt dat de appelrechters de bedoelde kosten hebben verworpen omdat deze niet gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De appelrechters hebben zich m.i. bij hun oordeel niet uitgesproken over de opportuniteit van de gemaakte kosten. Het onderdeel mist m.i. feitelijke grondslag.
- Besluit: VERWERPING. __________________
(1)Zie o.a. Cass. 10 december 2010, AR F.09.0129.N, AC 2010, nr. 729, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.4.
(2)Zie o.a. Cass. 12 juni 2015, AR F.13.0163.N, AC 2015, nr. 393, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.3.
(3)VAN CROMBRUGGE, S., "Cassatierechtspraak over beroepskosten: minder spectaculair dan ze lijkt", Fiscoloog, 2015, afl. 1438, 2.
(4)VAN CROMBRUGGE, S., o.c., 3-4.
(5)GwH, 26 november 2009, nr. 191/2009; GwH, 16 september 2010, nr. 103/2010. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div