id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 september 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.5 Rolnummer: F.17.0086.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2018-10-05 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-06-19 03:43 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.5 Fiches 1 - 2 Bij de toetsing van een administratieve sanctie die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de rechter in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Administratieve sanctie - Repressief karakter - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter - Beoordelingscriteria - Weerslag van de sanctie voor de betrokkene Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70, § 1, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: BTW - Administratieve geldboete - Repressief karakter - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter - Beoordelingscriteria - Weerslag van de sanctie voor de betrokkene Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70, § 1, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.17.0086.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen:
- Situering Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat V.A. tot aan haar faillietverklaring bij vonnis van 20 september 2016 geregistreerd was als BTW-belastingplichtige voor de economische activiteit van uitbating van een café. Bij een BTW-controle werd vastgesteld dat V. verschillende aankopen van dranken, verricht bij de NV CREVE DRINKS, niet in haar boekhouding had opgenomen en op die manier minder omzet had aangegeven. Op 28 november 2002 werd een proces-verbaal opgesteld voor de overtredingen vastgesteld in 2012, terwijl op 9 oktober 2013 een proces-verbaal werd opgesteld voor de jaren 2006 tot
- Uit hoofde van die overtredingen vorderde eiser, bij dwangbevel van 4 december 2012, de betaling van een bedrag van 11.262,37 EUR aan BTW, een boete van 22.520,00 EUR en de intresten vanaf 21 januari
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 10 mei 2013, tekende V.A. verzet aan tegen voormeld dwangbevel. Bij vonnis van 17 november 2014 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de vordering van V.A. gegrond. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 24 september 2015 tekende eiser hoger beroep aan tegen deze beslissing. Het bestreden arrest dd. 3 januari 2017 van het hof van beroep te Gent neemt akte van de verderzetting van het geding door de curator, Meester Jan DE BUCK, over het faillissement van V.A., verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond en zegt voor recht dat het dwangbevel geen effect kan sorteren in zoverre het een administratieve boete bevat van 11.260,00 EUR in hoofdsom. Aldus werd beslist de geldboete van 22.520,00 EUR te verminderen tot 100%, zijnde tot een bedrag van 11.260,00 EUR. Het enig middel tot cassatie is tegen deze beslissing gericht.
- Bespreking van het enig middel 2.
- Eiser voert in het enig middel aan dat het bestreden arrest, door op grond van een subjectieve beoordeling van de gegevens van de zaak, te oordelen dat de geldboete van 200% verminderd moet worden tot 100%, zijnde een bedrag van 11.260,00 EUR in hoofdsom, rekening houdende met "het feit dat ook inzake inkomstenbelasting voor de betreffende periode een sanctie met strafrechtelijk karakter moet zijn opgelegd, met de gegevens die (slechts) ter beschikking zijn om in te schatten wat het vermogen van de (verweerder) is en dus met de impact van de sanctie op het vermogen van de (verweerder) en om zeker te zijn dat de sanctie beantwoordt aan het doel om zowel vergoedend, straffend als afschrikkend te zijn", deze beslissing niet naar recht heeft verantwoord, nu aan deze beslissing een subjectieve beoordeling ten grondslag ligt van de impact van de sanctie op het vermogen van verweerder, zonder dat de onevenredigheid van de sanctie werd afgemeten aan de ernst van de begane inbreuken, mitsdien een loutere opportuniteitsbeoordeling heeft doorgevoerd, zonder dat hierbij rekening werd gehouden met de belangen van de overige marktdeelnemers, noch met het oogmerk van de vrijwaring van de goede werking van het BTW-stelsel, terwijl evenmin wordt duidelijk gemaakt in welke mate de reeds opgelegde sanctie inzake inkomstenbelasting een vermindering van de BTW-boete kan verantwoorden, nu niet wordt aangegeven welke de hoogte was van die sanctie (schending van het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel, de artikelen 3, 6, in het bijzonder §1, EVRM, 10,11 en 172 van de Grondwet, 70, in het bijzonder §1, 72, 84, derde lid, WBTW, 1, laatste lid, van het KB nr.41 van 30 januari 1987). 2.
- Artikel 70, §1, WBTW bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 84, derde alinea, WBTW, wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. 2.
- De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Volgens een constante rechtspraak van Uw Hof houdt dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. 2.
- Uw Hof reikte de feitenrechters al eerder criteria aan om de evenredigheid van de straf met de inbreuk te beoordelen. De rechter mag met name hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie
(1). De overweging dat de rechter "hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie" werd door uw Hof voor het eerst ingevoegd bij arrest van 21 januari 2005. In de rechtsleer werd gesteld dat "deze formulering evenwel niet geheel duidelijk was. Was er sprake van een verwijzing naar het ministeriële milderingsrecht van het Regentsbesluit? Of kon dit element net als een bijkomend argument gelden voor de administratie om bij een onbestaande appreciatiemarge de evenredigheidstoets uit te sluiten?"
(2). Beide in de rechtsleer geopperde mogelijkheden werden echter weerlegd in de rechtspraak van Uw Hof. Wat betreft de eerste mogelijkheid oordeelde Uw Hof in een arrest van 16 februari 2007 dat "de genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, vreemd zijn aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan"
(3). De tweede mogelijkheid werd uitgesloten in een arrest van Uw Hof van 13 februari 2009, waarin werd geoordeeld dat het middel dat aanvoert dat de rechter een administratieve geldboete slechts kan verminderen wanneer hij vaststelt dat het bestuur over een matigingsbevoegdheid beschikt, op een onjuiste opvatting steunt en derhalve naar recht faalt
(4). Kortom: ook al is de administratie verplicht een bepaalde boete op te leggen, dan nog mag de rechter steeds de evenredigheid ervan beoordelen
(5). Bijgevolg maakt de toevoeging dat de rechter "hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie" m.i. enkel een element uit dat de rechter, in het kader van een correcte en gemotiveerde evenredigheidstoetsing, in overweging moet nemen. Het betreft met andere woorden een element van de motiveringsverplichting bij de evenredigheidstoetsing
(6). 2.5. Om uit te maken of er sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel mag de rechter m.i. nagaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is gelet op alle relevante factoren
(7)waaronder de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en dient hij in voorkomend geval expliciet aan te duiden waaruit de vastgestelde onevenredigheid bestaat. 2.6. De weerslag van de opgelegde sanctie op de financiële toestand van de betrokkene lijkt mij eveneens een factor waarmee rekening mag worden gehouden. Dit valt af te leiden uit het arrest van Uw Hof van 12 november 2010
(8). Ook DEBELVA en MOTTE
(9)vermelden, met verwijzing naar Nederlandse rechtsleer, de financiële omstandigheden van de overtreder onder meer als criterium voor het matigen/kwijtschelden van een fiscale sanctie. Bij het onderzoek van de impact van de administratieve boete op de financiële toestand van de betrokkene dient m.i. echter wel in concreto nagegaan of deze over de mogelijkheid beschikt om de opgelegde boete van 200% te dragen
(10)en of er redenen zijn om aan te nemen, gelet op zijn vermogenstoestand, dat de boete een buitensporige last uitmaakt. 2.7. Uw Hof zegt verder in een constante rechtspraak dat de rechter bij de toets van administratieve boetes aan het evenredigheidsbeginsel onder meer acht mag slaan op de hoogte van de reeds opgelegde sancties, waaronder m.i. dient te worden begrepen de hoogte van de voor dezelfde feiten opgelegde sancties. Voor het bepalen van wat dezelfde feiten zijn, moet worden teruggegrepen naar omschrijving die daarvan wordt gegeven in het kader van het non bis in idem beginsel. Door Uw Hof wordt een feitelijke benadering van dit begrip gehanteerd. Gesteld wordt dat het non bis in idem beginsel in beeld komt in geval van berechting of bestraffing van identieke of substantieel dezelfde feiten en dat daaronder moet worden verstaan "een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn."
(11)
(12)Het is de feitenrechter die hierover onaantastbaar oordeelt. Uw Hof gaat evenwel na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 2.
- De appelrechters oordelen in het bestreden arrest dat het frauduleus karakter van de vastgestelde inbreuken vaststaat (bestreden arrest, p.22, 3.8.2., eerste zin). Vervolgens verminderen de appelrechters de proportionele fiscale boete van 200 procent tot 100 procent rekening houdend met: * het feit dat er ook in de inkomstenbelastingen voor de betreffende periode een sanctie met strafrechtelijk karakter moet zijn opgelegd; * de gegevens die (slechts) ter beschikking zijn om in te schatten wat het vermogen van [V.A.] is en dus met de impact van de sanctie op haar vermogen. Aldus verantwoorden de appelrechters m.i. hun beslissing niet naar recht vermits zij de boete tot 100 procent verminderen zonder de mate te onderzoeken waarin het bestuur gebonden was door de sanctie, zonder concreet na te gaan wat de hoogte was van de inzake inkomstenbelastingen opgelegde sanctie en zonder de concrete financiële toestand van betrokkene na te gaan. Het middel komt dan ook gegrond voor.
- Besluit: VERNIETIGING _____________________
(1)Zie onder meer Cass. 21 januari 2005, AR C.02.0572.N, AC 2005, nr. 43, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N, AC 2010, nr. 174, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1, met concl. van advocaat-generaal D. Thijs ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1.
(2)SMET, F., "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motvering van de evenredigheidstoetsing de sleutel?" noot onder Cass. 13 februari 2009, TFR 2009, p. 906.
(3)Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2.
(4)Cass. 13 februari 2009, AR F.06.0107.N, AC 2009, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3.
(5)LEJEUNE, I., en VERMEIRE, L., Btw. Duiding 2017, Brussel, Larcier, 2017, p. 345; zie ook VANDENBERGHE, L., "De rechterlijke bevoegdheid inzake vermindering van de administratieve (fiscale) sancties", RW 2010-11, p. 672.
(6)SMET, F., l.c., 907-908.
(7)Vgl. Cass. 18 april 2013, AR F.11.0142.F, AC 2013, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6, met concl. van advocaat-generaal Henkes, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130418.6. In dit arrest van de Franstalige afdeling van Uw Hof wordt geoordeeld dat het controlerecht van de rechter de mogelijkheid biedt om "alle omstandigheden van de zaak" in aanmerking te nemen bij het onderzoek van de evenredigheid tussen de straf en de inbreuk. Dit arrest sluit aan bij Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2: "Hieruit volgt dat de rechter, die in feite en in rechte alle pertinente omstandigheden moet kunnen onderzoeken om de rechtmatigheid van de straf te beoordelen, en al wat onder de beoordeling van het bestuur valt moet kunnen controleren, hieruit niet de bevoegdheid put om een sanctie louter op grond van opportuniteit en tegen wettelijke regels in te verminderen of kwijt te schelden".
(8)Cass. 12 november 2010, AR F.09.0146.N, AC 2010, nr. 673, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.7. In die zaak oordeelde de appelrechter dat: - De verweerster duidelijk wetens en willens meewerkte aan een BTW-carrouselfraude en haar medewerking verleende bij tal van onregelmatigheden op het vlak van de BTW; - De verweerster enerzijds factureerde voor voertuigen die zij nooit zag en de BTW hierop aftrok, en anderzijds voertuigen verkocht aan D. en V., maar de factuur opstelde op naam van een buitenlandse firma; - Het te dezen ontegensprekelijk overtredingen betreft begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken zodat de verminderingen van de proportionele geldboeten bepaald in de tabellen A tot J van het voornoemd KB nr. 41 van 30 januari 1987 niet van toepassing zijn; - Dit tot gevolg heeft dat de administratie louter binnen het raam van de toepassing van de Belgische wetgeving geen enkele appreciatievrijheid had en verplicht was een boete gelijk aan 200 pct. van de belasting op te leggen; - er niet kan aan voorbij gegaan worden dat wanneer de boete van 200 procent wordt opgelegd in geval van inbreuken die betrekking hebben op een groot bedrag aan BTW, zoals hier het geval, dit leidt tot een enorme administratieve geldboete, in die mate dat dergelijke boete zelfs voor een groot bedrijf een buitensporige last uitmaakt; - een dergelijke aanslag op de financiële toestand van het bedrijf tot gevolg heeft dat dit het verder bestaan van de meeste bedrijven in het gedrang kan brengen; - een dergelijke boete dan niet meer evenredig is met de inbreuk en met het doel van een dergelijke administratieve boete. Uw Hof oordeelde in deze zaak dat "uit die gegevens de appelrechter wettig [kon] afleiden dat de opgelegde boete onevenredig was en moest verminderd worden tot 100 pct. van de ontdoken rechten".
(9)DEBELVA, F. en MOTTE, J., "De proportionaliteit van fiscale sancties: theoretisch kader, grondslagen en verhouding tot de mensenrechten", TFR, 2015/492, 968-981.
(10)Vgl. weergave mondelinge conclusie van PG Thijs bij Cass. 12 november 2010, AC, 2010, nr. 673.
(11)Zie onder meer Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.3; Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.3; Cass. 22 maart 2016, AR P.15.0736.N, AR 2016, nr. 199, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.4
(12)Voor een grondige bespreking van de "in idem"-vereiste in het non bis in idem beginsel zie GNEDASJ, S., VANHULLE, H., "Not even God judges twice for the same act... and tax offence. Draagwijdte en grenzen van het ne bis in idem-beginsel", TFR 2014, 643-685. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.7 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130418.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div