← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 september 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 Rolnummer: F.17.0141.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2018-10-05 Raadplegingen: 509 - laatst gezien 2026-06-18 21:39 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6 Fiches 1 - 2 De boete wegens het meer dan een maand vervallen zijn van het eurovignet sanctioneert een norm die gericht is tot eenieder die met zware vrachtwagens gebruikt maakt van bepaalde wegen en is niet slechts gericht tot een bepaalde groep personen met een bijzonder statuut; uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt dat deze geen vergoedende functie heeft, maar er in wezen toe strekt te straffen en de herhaling van inbreuken te voorkomen, zodat de boete bijgevolg strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 6.1 EVRM; de omstandigheid dat de sanctie niet zwaar is, doet hieraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Vrije woorden: Eurovignet - Administratieve geldboete - Kwalificatie als strafsanctie - Lichte sanctie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wet - 27-12-1994 - Art. 13 - 31 ELI link Pub nr 1994014292 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Eurovignet - Administratieve geldboete - Kwalificatie als strafsanctie - Lichte sanctie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wet - 27-12-1994 - Art. 13 - 31 ELI link Pub nr 1994014292 Fiches 3 - 4 Bij de toetsing van een administratieve sanctie die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de rechter in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Vrije woorden: Eurovignet - Administratieve geldboete - Repressief karakter - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wet - 27-12-1994 - Art. 13 - 31 ELI link Pub nr 1994014292 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Eurovignet - Administratieve geldboete - Repressief karakter - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wet - 27-12-1994 - Art. 13 - 31 ELI link Pub nr 1994014292 Tekst van de conclusie F.17.0141.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen:
  1. Situering Verweerster is een onderneming gespecialiseerd in het nationaal en internationaal vervoer van goederen over de weg. De voertuigen waarmee verweerster deze activiteit uitoefent, dienen over een eurovignet te beschikken. Op 23 september 2011 werd door de controle der douane en accijnzen een inbreuk vastgesteld, begaan door verweerster. Eén van de door haar gebruikte voertuigen beschikte niet over het vereiste eurovignet. Op de dag van de controle werd het verschuldigd eurovignet betaald. In een brief van 15 oktober 2011 kondigde eiser aan dat een fiscaal-administratieve geldboete zou worden opgelegd voor deze feiten ten bedrage van 1.250,00 euro. Daarop werd er op 6 april 2012 een aanslagbiljet betreffende een boete inzake het eurovignet naar verweerster verzonden voor het aanslagjaar 2012, met kohierartikel
  2. Het bezwaar van verweerster met verzoek om kwijtschelding van de administratieve boete werd afgewezen bij beslissing van 29 juni 2012 van de Vlaamse Belastingdienst. De eerste rechter oordeelde bij vonnis dd. 14 januari 2014 dan er geen redenen zijn om de administratieve boete ten aanzien van verweerster kwijt te schelden of te verminderen. In het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent dd. 12 mei 2015 werd het eerste vonnis teniet gedaan en werd, opnieuw wijzende, de aanslag in de administratieve boete vernietigd in zoverre de opgelegde boete meer bedraagt dan 250 euro. Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
  3. Bespreking van het enig middel EERSTE ONDERDEEL 2.
  4. Eiser voert in het eerste onderdeel aan dat de in rubriek A van de bijlage bij het Eurovignetbesluit bepaalde administratieve boete geen strafsanctie uitmaakt in de zin van artikel 6 van het EVRM gelet op de omstandigheid dat zij
(1)slechts een bepaalde, beperkte groep personen betreft met een particulier statuut, namelijk enkel degenen die bepaalde wegen gebruiken door middel van zware vrachtwagens, en dus niet het publiek in het algemeen treft,
(2)niet dermate zwaar is dat zij vergelijkbaar is met een strafsanctie en
(3)in essentie een vergoedend en geen repressief en preventief karakter heeft, zodat het hof van beroep uit zijn loutere overweging dat de opgelegde boete ertoe strekt op algemene wijze elke belastingplichtige ertoe aan te zetten de fiscale wetgeving correct toe te passen om zowel de boete te vermijden als om de onjuiste toepassing van de fiscale wetgeving te bestraffen en herhaling van inbreuken te voorkomen, niet wettig kon afleiden dat die boete te beschouwen is als een strafsanctie in de zin van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het hof van beroep volgens eiser niet wettig beslist dat de opgelegde boete te beschouwen is als een strafsanctie in de zin van artikel 6 van het EVRM, gaat het er evenmin wettig van uit dat het in dat artikel 6 bedoelde rechterlijk toetsingsrecht toepasselijk is en vernietigt het met toepassing van dat toetsingsrecht niet wettig de bestreden aanslag in de administratieve boete in zoverre de opgelegde boete meer bedraagt dan 250 euro. (Schending van artikel 6.1, EVRM, artikel 3 van, en rubriek A van de bijlage bij, het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet, en de artikelen 9, inzonderheid vierde lid, en 13 van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, vóór de opheffing van die wet bij wet van 26 december 2013, en, voor zoveel als nodig, artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerlijke en politieke rechten). 2.2. Artikel 13 van de Wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij wet van 26 december 2013 (hierna: de Eurovignetwet), bepaalt dat de belastingplichtige in geval van inbreuk tegen die wet het ontdoken bedrag van het eurovignet moet betalen, verhoogd met een administratieve boete en dat de Vlaamse Regering de schaal vaststelt van de administratieve boete die niet meer dan drie maal het bedrag van de ontdoken belasting en niet minder dan 250 euro mag bedragen. Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet
(1)(hierna het Eurovignetbesluit), bepaalt dat overeenkomstig artikel 13 van de Eurovignetwet de schaal van de administratieve boete die van toepassing is op de inbreuken tegen de Eurovignetwet wordt opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Rubriek A van de bijlage bij dit besluit bepaalt voor een overtreding bestaande in het al meer dan een maand vervallen zijn van het eurovignet, het niveau van de boete op eenmaal het niet-betaalde bedrag, met een minimum van 250 euro en een maximum van 1550 euro. 2.3. Eiser voert in het eerste onderdeel aan dat de in rubriek A van de bijlage bij het Eurovignetbesluit bepaalde administratieve boete geen strafsanctie uitmaakt in de zin van artikel 6 van het EVRM. Op grond van artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Volgens het EHRM dient men bij de beoordeling van de strafrechtelijke aanknopingsfactor van artikel 6 EVRM een drietal criteria voor ogen te houden, namelijk
(1)de interne kwalificatie van de sanctie,
(2)de aard van de overtreden norm en
(3)de aard en de zwaarte van de sanctie
(2)
(3). Om te bepalen of de rechtsonderhorige al dan niet het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke sanctionering in de zin van artikel 6 EVRM, dient men in eerste instantie terug te vallen op de internrechtelijke kwalificatie van de sanctie. Wordt een sanctie in het interne recht niet als strafrechtelijk omschreven, dan is verder onderzoek van het tweede en het derde criterium noodzakelijk. De interne classificatie van een sanctie kan volgens het EHRM nooit doorslaggevend zijn om te bepalen of er al dan niet sprake is van een strafrechtelijke sanctionering in de zin van artikel 6 EVRM. Zo heeft het EHRM in het arrest-Ruotsalainen van 16 juni 2009 expliciet erkend dat ook een ‘heffing' het karakter kan hebben van een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM
(4). Het criterium met betrekking tot de ‘aard van de overtreden norm' bevat twee aspecten. Heeft een norm een algemene draagwijdte en richt hij zich tot alle rechtsonderhorigen, dan kan worden besloten dat de overtreden rechtsregel in de richting van een strafsanctie wijst. Daarenboven moet de sanctie om strafrechtelijk te zijn, eveneens zowel een preventieve als een repressieve werking hebben. Een sanctie is preventief indien zij zowel voor de dader als voor anderen een afschrikwekkend effect teweegbrengt. Als de sanctie daarenboven erop gericht is een zeker leed aan de overtreder toe te brengen en niet louter ertoe strekt de aan de staat toegekende schade te herstellen, dan is zij repressief. Wat betreft het derde criterium vloeit uit de rechtspraak van het EHRM voort dat bij de beoordeling van de aard en de zwaarte van de sanctie steeds rekening moet worden gehouden met de maximum sanctie die aan de rechtsonderhorige kan worden opgelegd
(5). De eigenlijke sanctie die in een concrete individuele zaak werd opgelegd, moet dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Verder lijkt mij uit de rechtspraak van het EHRM ook af te leiden dat het tweede en het derde criterium alternatief zijn en niet noodzakelijk cumulatief. In de zaak Jussila v. Finland
(6)komt het tweede criterium (de aard van de overtreden norm) daarbij naar voor als het meest belangrijke. In hetzelfde arrest bevestigt het EHRM tevens dat de relatieve hoogte (lichtheid) van de sanctie niet tot gevolg heeft deze aan de toepassing van artikel 6 EVRM te onttrekken. 2.
  1. In het licht van deze rechtspraak van het EHRM lijkt het mij dat het eerste onderdeel faalt naar recht. Bij de toetsing van het tweede criterium dient m.i. vastgesteld dat de boete wel degelijk de sanctie vormt van een norm die is gericht tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtigen. De redenering van eiser dat dit niet het geval zou zijn omdat de norm alleen gericht is tot degenen die bepaalde wegen gebruiken door middel van zware vrachtwagens, overtuigt niet. Het voorschrift dat een eurovignet verplicht is als men met een zware vrachtwagen op bepaalde wegen wil rijden, is niet gericht tot een "bepaalde groep personen met een specifiek statuut", maar geldt voor eenieder. Eiser poneert weliswaar dat de boete in essentie een vergoedend karakter heeft, maar specifieert niet tot vergoeding van welke schade deze strekt. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt m.i. dat deze er in wezen toe strekt te straffen en de herhaling van inbreuken te voorkomen. De boete lijkt mij derhalve strafrechtelijk van aard te zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM. De beperkte hoegrootheid van de boete doet m.i. hieraan geen afbreuk. TWEEDE EN VIERDE ONDERDEEL 2.
  2. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat het bestuur zelf gebonden was door de in rubriek A van de bijlage bij het Eurovignetbesluit bepaalde regel dat de administratieve boete gelijk is aan eenmaal het niet-betaalde bedrag (voor zover dat bedrag gelijk is aan, of hoger is dan, het vastgestelde minimum van 250 euro en lager is dan het vastgestelde maximum van 1.550 euro, wat het geval is indien het niet-betaalde bedrag 1.250 euro bedraagt) en dat noch die rubriek A noch enige andere bepaling aan het bestuur of de rechter de bevoegdheid toekent de in die rubriek bepaalde administratieve boete te verminderen om opportuniteitsredenen. Verder voert eiser aan dat zelfs als de in rubriek A van de bijlage bij het Eurovignetbesluit bepaalde administratieve boete een strafsanctie uitmaakt in de zin van artikel 6.1 van het EVRM, het door die bepaling van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot een rechter (met volle rechtsmacht) niet tot gevolg heeft dat aan de rechter de bevoegdheid wordt toegekend om die boete te verminderen om opportuniteitsredenen. Door de bestreden aanslag in de administratieve boete te vernietigen in zoverre de opgelegde boete meer bedraagt dan 250 euro, en geen rekening te houden met de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie en door de door het bestuur opgelegde boete (van 1.250 euro, zijnde het niet-betaalde bedrag) op grond van een subjectieve appreciatie van wat het redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in te verminderen (tot 250 euro), schendt de appelrechter volgens eiser de supra onder 2.
  3. vermelde bepalingen. 2.
  4. In het vierde onderdeel laat eiser gelden dat de appelrechter uit de loutere gegevens dat verweerster voorheen nog geen overtreding beging op de wettelijke bepalingen inzake eurovignet, dat verweerster het verschuldigd eurovignet is gaan betalen nog op de datum van de vaststelling van de overtreding en vóór er sprake was van enige boete, zodat verweerster zich wel degelijk inspant om haar verplichtingen inzake eurovignet na te leven, en het om een vergetelheid, desnoods door onvoldoende nazicht of de betalingsopdracht door de bank werd uitgevoerd, in de — niet-bewezen — stelling van de verweerster, moet gaan, niet wettig afleiden dat het opleggen van een administratieve boete van 1.250 euro, hetzij 100 % van het verschuldigde bedrag van het eurovignet, onevenredig is met de begane overtreding (schending van de supra onder 2.
  5. vermelde bepalingen). 2.
  6. De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Volgens een constante rechtspraak van Uw Hof houdt dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. 2.
  7. Uw Hof reikte de feitenrechters al eerder criteria aan om de evenredigheid van de straf met de inbreuk te beoordelen. De rechter mag met name hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie
(7). De overweging dat de rechter "hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie" werd door uw Hof voor het eerst ingevoegd bij arrest van 21 januari 2005. In de rechtsleer werd gesteld dat "deze formulering evenwel niet geheel duidelijk was. Was er sprake van een verwijzing naar het ministeriële milderingsrecht van het Regentsbesluit? Of kon dit element net als een bijkomend argument gelden voor de administratie om bij een onbestaande appreciatiemarge de evenredigheidstoets uit te sluiten?"
(8). Beide in de rechtsleer geopperde mogelijkheden werden echter weerlegd in de rechtspraak van Uw Hof. Wat betreft de eerste mogelijkheid oordeelde Uw Hof in een arrest van 16 februari 2007 dat "de genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, vreemd zijn aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan"
(9). De tweede mogelijkheid werd uitgesloten in een arrest van Uw Hof van 13 februari 2009, waarin werd geoordeeld dat het middel dat aanvoert dat de rechter een administratieve geldboete slechts kan verminderen wanneer hij vaststelt dat het bestuur over een matigingsbevoegdheid beschikt, op een onjuiste opvatting steunt en derhalve naar recht faalt
(10). Kortom: ook al is de administratie verplicht een bepaalde boete op te leggen, dan nog mag de rechter steeds de evenredigheid ervan beoordelen
(11). Bijgevolg maakt de toevoeging dat de rechter "hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie" m.i. enkel een element uit dat de rechter, in het kader van een correcte en gemotiveerde evenredigheidstoetsing, in overweging moet nemen. Het betreft met andere woorden een element van de motiveringsverplichting bij de evenredigheidstoetsing
(12). 2.9. Om uit te maken of er sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel mag de rechter m.i. nagaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is gelet op alle relevante factoren
(13)waaronder de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, en dient hij in voorkomend geval expliciet aan te duiden waaruit de vastgestelde onevenredigheid bestaat. 2.
  1. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: * er te dezen moet aanvaard worden dat verweerster, zoals zij voorhoudt, voorheen nog geen overtreding beging op de wettelijke bepalingen inzake het eurovignet; * uit het bewijs van betaling blijkt dat verweerster het eurovignet is gaan betalen op 23 september 2011 aan het loket van de Vlaamse Belastingdienst te Aalst, nog op de datum van de vaststelling van de overtreding en voor er sprake was van enige boete (in het proces-verbaal van de Dienst Douane en Accijnzen is hier geen sprake van), wat aantoont dat zij zich inspant om haar verplichtingen inzake het eurovignet na te leven en het te dezen om een vergetelheid moet gaan. Het lijkt mij dat de appelrechter op grond van deze overwegingen, zonder rekening te houden met de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie en zonder na te gaan of de opgelegde boete, gelet op haar vermogenstoestand een buitensporige last uitmaakt voor verweerster, niet naar recht kon oordelen dat het opleggen van een administratieve boete van 1.250 euro, hetzij 100 % van het verschuldigde bedrag van het eurovignet, in die omstandigheden onevenredig is met de begane overtredingen en dat een boete van 250 euro moet geacht worden de verweerster voldoende aan te zetten nog nauwgezetter over de naleving van haar verplichtingen krachtens de eurovignetwetgeving te waken en onder meer beter te controleren of het eurovignet tijdig werd betaald. Eiser laat naar mijn mening terecht gelden dat de omstandigheid dat het eurovignet onmiddellijk werd betaald nadat de inbreuk werd vastgesteld, niet aantoont dat eiser zich inspant om de verplichtingen inzake eurovignet na te leven: de betaling van het eurovignet werd immers pas gedaan en de verplichtingen ter zake werden maar nageleefd nadat een inbreuk erop werd vastgesteld. Er werden overigens ook geen vaststellingen gedaan nopens de periode sinds wanneer verweerster onderworpen is aan de wettelijke bepalingen inzake het eurovignet. Het tweede en vierde onderdeel komen mij in zoverre gegrond voor.
  2. Besluit: VERNIETIGING _____________________
(1)B.S. 5 april 2011
(2)MAUS, M., Basisbeginselen inzake de toepassing van het recht op eerlijk proces in strafzaken, gepubliceerd in Fiscale Rechtspraakoverzichten, Grondrechten in fiscalibus, Larcier, 2016, p.369.
(3)De zogenaamde "Engelcriteria", EHRM 8 juni 1976, Engel vs Nederland, www.echr.coe.int/ECHR/FR/hudoc.
(4)EHRM 16 juni 2009, Ruotsalainen, www.echr.coe.int/ECHR/FR/hudoc.
(5)EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe, Recueil 1997-V, 1830; EHRM 27 augustus 1991, Demicoli, Publ. E.C.H.R., Series A, Vol 210, §31; EHRM 22 mei 1990, Weber, Publ. E.C.H.R., Series A, Vol 177, §30; EHRM 10 februari 2009, Zolotukhin, www.echr.coe.int/ECHR/FR/hudoc.
(6)EHRM, 23 november 2006, Jussila v; Finland, www.echr.coe.int/ECHR/FR/hudoc, randnummer 38: ''Le deuxième critère, qui touche à la nature de l'infraction, est le plus important. La Cour observe qu'à l'instar de celles infligées dans les affaires Janosevic et Bendenoun, les majorations d'impôt appliquées en l'espèce peuvent être considérées comme fondées sur des dispositions juridiques générales applicables à l'ensemble des contribuables. Elle n'est pas convaincue par l'argument du Gouvernement selon lequel la TVA ne s'applique qu'à un groupe déterminé de personnes ayant un statut particulier car en l'espèce, comme c'était le cas dans les affaires précitées, le requérant était assujetti à cet impôt en tant que contribuable. Le fait que l'intéressé a choisi de soumettre son activité professionnelle au régime de la TVA ne modifie pas sa situation à cet égard. En outre, comme le Gouvernement l'a reconnu, les majorations d'impôt ne tendaient pas à la réparation pécuniaire d'un préjudice mais visaient pour l'essentiel à punir pour empêcher la réitération des agissements incriminés. On peut dès lors en conclure que les majorations infligées étaient fondées sur une norme poursuivant un but à la fois préventif et répressif. Cette considération suffit à elle seule à conférer à l'infraction infligée un caractère pénal. La légèreté de la sanction litigieuse distingue la présente espèce des affaires Janosevic et Bendenoun en ce qui concerne le troisième critère Engel mais n'a pas pour effet de l'exclure du champ d'application de l'article 6. Cette disposition s'applique donc sous son volet pénal nonobstant la modicité de la somme exigée au titre de la majoration d'impôt".
(7)Zie onder meer Cass. 21 januari 2005, AR C.02.0572.N, AC 2005, nr. 43, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N, AC 2010, nr. 174, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1, met concl. van advocaat-generaal D. Thijs, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1.
(8)SMET, F., "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motvering van de evenredigheidstoetsing de sleutel?" noot onder Cass. 13 februari 2009, TFR 2009, p. 906.
(9)Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007 nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2.
(10)Cass. 13 februari 2009,AR F.06.0107.N, AC 2009, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3.
(11)LEJEUNE, I., en VERMEIRE, L., Btw. Duiding 2017, Brussel, Larcier, 2017, p. 345; zie ook VANDENBERGHE, L., "De rechterlijke bevoegdheid inzake vermindering van de administratieve (fiscale) sancties", RW 2010-11, p. 672.
(12)SMET, F., l.c., 907-908.
(13)Vgl. Cass. 18 april 2013, AR F.11.0142.F, AC 2013, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6, met concl. van advocaat-generaal Henkes, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130418.6. In dit arrest van de Franstalige afdeling van Uw Hof wordt geoordeeld dat het controlerecht van de rechter de mogelijkheid biedt om "alle omstandigheden van de zaak" in aanmerking te nemen bij het onderzoek van de evenredigheid tussen de straf en de inbreuk. Dit arrest sluit aan bij Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2: "Hieruit volgt dat de rechter, die in feite en in rechte alle pertinente omstandigheden moet kunnen onderzoeken om de rechtmatigheid van de straf te beoordelen, en al wat onder de beoordeling van het bestuur valt moet kunnen controleren, hieruit niet de bevoegdheid put om een sanctie louter op grond van opportuniteit en tegen wettelijke regels in te verminderen of kwijt te schelden". PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130418.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.