← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181102.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181102.3 Rolnummer: C.17.0393.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2018-11-29 Raadplegingen: 485 - laatst gezien 2026-06-28 04:52 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.3 Fiches 1 - 2 Het in artikel 14bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel omschreven cumulatieverbod betekent dat de getroffene of zijn rechthebbenden slechts vergoeding voor lichamelijke schade mogen eisen volgens het gemeen recht wanneer de volgens het gemeen recht berekende lichamelijke schade meer bedraagt dan het bedrag van de schadeloosstelling op grond van de arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en enkel voor het verschil, waarbij het cumulatieverbod niet geldt voor schade waarvan de vergoeding niet door de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel is gedekt waaronder de schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstandig bijberoep

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vrije woorden: Vergoeding - Cumulatie en verbod - Cumulatieverbod - Schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstanding bijberoep - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art. 14bis - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Vrije woorden: Arbeidsongeval - Overheidspersoneel - Cumulatieverbod - Schade ingevolge inkomstenverlies uit een zelfstanding bijberoep - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art. 14bis - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de conclusie C.17.0393.N Conclusie van advocaat-genearaal Mortier: 1. Feiten en procedure Tijdens het begeleiden van zijn leerlingen op studiereis liep verweerder bij een verkeersongeval zware letsels op. Hij was gedurende lange tijd gehospitaliseerd en na consolidatie werd een blijvende arbeidsongeschiktheid van 55% weerhouden. Verweerder was op het ogenblik van het ongeval deeltijds (12/21°) tewerkgesteld binnen de Vlaamse overheid als leraar kunstonderwijs. Daarnaast was hij zelfstandig kunstenaar in bijberoep. Hij vorderde op basis van artikel 29bis WAM vergoeding van eiseressen, als WAM verzekeraars van de bij het verkeersongeval betrokken personenwagen en autobus, voor de inkomsten die hij ten gevolge van het ongeval derfde in zijn hoedanigheid van zelfstandig kunstenaar in bijberoep. Eiseressen betwistten die vordering onder andere op grond van het argument dat rekening moet gehouden worden met de gedane uitkeringen van de arbeidsongevallenverzekeraar. De appelrechter oordeelt in dat verband dat de gevorderde schade bestaande uit inkomstenverlies uit hoofde van zijn zelfstandige activiteit los staat van de vergoedingen die verweerder als deeltijds leerkracht ontving van zijn werkgever in zijn hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar; er geen situatie voorhanden is waarop het cumulatieverbod voorzien in artikel 14 Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel van toepassing is; de Vlaamse overheid in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als arbeidsongevallenverzekeraar diens loon als leraar doorbetaalde en geen enkele vergoeding die verweerder ontving van de arbeidsongevallenverzekeraar de schade dekt die verweerder leed ingevolge inactiviteit als kunstenaar in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Eiseressen voeren in het eerste middel aan dat, anders dan de appelrechter beslist, de krachtens de Arbeidsongevallenwet Publieke Sector toegekende vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid de schade dekken die bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud bijdragen, zodat de door deze wet gedekte lichamelijke schade niet alleen het concrete inkomstenverlies in de tewerkstelling in de publieke sector omvat, maar ook de eventuele materiële schade met betrekking tot een nevenactiviteit als zelfstandige. Eiseressen baseren zich hierbij op het arrest van Uw Hof van Hof H1 juni 1993
(1). 2. Bespreking 2.1.Het wordt niet betwist dat verweerder in zijn hoedanigheid van leraar kunstonderwijs tewerkgesteld was binnen de Vlaamse overheid zodat de Arbeidsongevallenwet voor de Overheidssector van 3 juli 1967 op hem van toepassing is. Het regime dat deze wet voor de publieke sector heeft ingevoerd is, hoewel niet identiek, toch vergelijkbaar met de arbeidsongevallenregeling voor de private sector en beoogt aan het slachtoffer van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte een forfaitaire schadeloosstelling toe te kennen naargelang van de geleden schade
(2). Ze beoogt dus een gelijkwaardige bescherming waarbij evenwel in principe de tewerkstellende overheden de uit te betalen vergoedingen zelf ten laste nemen
(3). Het forfaitair vergoedingskarakter is één van de belangrijkste kenmerken van de arbeidsongevallenregeling. Dit systeem van vergoeding wijkt af van de gemeenrechtelijke regels van burgerrechtelijke aansprakelijkheid nu de forfaitaire vergoeding niet op het begrip "fout" maar op het begrip "beroepsrisico" is gebaseerd en uitgaat van het verdelen van dat risico over de werkgever en het slachtoffer van het arbeidsongeval. De wetgever beoogde een stelsel waarbij enerzijds de werkgever, zelfs zonder dat hem enige schuld trof, steeds aansprakelijk gesteld werd voor de schade ten gevolge van een arbeidsongeval opgelopen door het slachtoffer, waardoor het slachtoffer werd vrijgesteld van het vaak zeer moeilijk te leveren bewijs van schuld van de werkgever of zijn aangestelde en van het oorzakelijk verband tussen die schuld en de geleden schade, en anderzijds het slachtoffer van het arbeidsongeval een forfaitaire schade ontving waardoor het slechts gedeeltelijk werd vergoed voor de geleden schade. In bepaalde gevallen zal die vergoeding groter zijn dan wat het slachtoffer had kunnen verkrijgen door een gemeenrechtelijke vordering in te stellen tegen de dader van de fout die het ongeval heeft veroorzaakt en in andere gevallen, minder groot
(4). In de onderliggende filosofie van de arbeidsongevallenregeling heeft dus de zekerheid van vergoeding aan de kant van de werknemer het forfaitair karakter van de vergoeding als prijs. 2.2. In de Arbeidsongevallenregeling voor werknemers in de Private sector heeft de arbeidsongevallenverzekering voorrang op het aansprakelijkheidsrecht in die zin dat het slachtoffer zijn rechten moet laten gelden krachtens de Arbeidsongevallenwet en slechts vergoeding kan vorderen voor de schade in de mate dat die niet vergoedbaar is in het raam van de Arbeidsongevallenwet
(5). Voor de overheidssector geldt in principe wel nog een keuzerecht, in die zin dat het slachtoffer kan kiezen of hij eerst de arbeidsongevallenwetgeving wil doen toepassen dan wel eerst zijn aanspraken jegens de aansprakelijke doet gelden, maar voor beide stelsels geldt een cumulatieverbod in die zin dat wanneer de aansprakelijke voor het ongeval een derde is, een aansprakelijkheidsvordering mogelijk blijft, maar een dubbele vergoeding voor dezelfde schade verboden is. Dit houdt in dat het slachtoffer jegens de aansprakelijke alleen nog recht heeft op vergoeding voor schade die niet gedekt wordt op grond van de Arbeidsongevallenwet. Daarom moet nauwkeurig worden nagegaan op welke schade de vordering jegens de aansprakelijke betrekking heeft en in welke mate die reeds vergoed is of moet worden op grond van de Arbeidsongevallenwet. Voor schade die niet door de Arbeidsongevallenwet wordt gedekt speelt het cumulatieverbod niet en kan het slachtoffer integrale vergoeding vorderen van de aansprakelijke. Indien het evenwel gaat over schade die wel wordt vergoed krachtens de Arbeidsongevallenwet, kan het slachtoffer slechts vergoeding vorderen van de aansprakelijke voor zover die vergoeding verschuldigd op grond van het aansprakelijkheidsrecht hoger ligt dan de arbeidsongevallenvergoeding. Die vordering is dan beperkt tot dit verschil, het zogenaamde surplus of exedent
(6). Dit cumulatieverbod wordt in artikel 14bis, §2 Arbeidsongevallenwet Publieke sector omschreven als "De overeenkomstig artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding voor lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen". 2.3. Om te weten of de getroffene aanspraak kan maken op een excedent moeten de betaalde arbeidsongeschiktheidsvergoedingen vergeleken worden met het geheel van de gemeenrechtelijke vergoedingen die betrekking hebben op de materiële professionele schade, zowel die uit tijdelijke als uit blijvende arbeidsongeschiktheid
(7). Ook Uw Hof oordeelt
(8)dat "vergoedingen voor materiële schade ingevolge tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid betrekking hebben op dezelfde schade, zodat het totale bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die ingevolge de arbeidsongevallenwet voor tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid verschuldigd zijn, moeten worden vergeleken met de totale vergoeding die voor diezelfde schade verschuldigd is volgens het gemene recht". Binnen elk stelsel ( gemeen recht en AOW) moet dus de berekening gemaakt worden voor de totale professionele schade wegens tijdelijke en blijvende ongeschiktheid. In zoverre verweerder in de memorie van antwoord aanvoert dat het eerste middel niet kan aangenomen worden nu het in de zaak die voorligt gaat om vergoeding ingevolge tijdelijke arbeidsongeschiktheid en uw Hof in het arrest van 1 juni 1993 waarop eiseressen zich steunen enkel heeft geoordeeld over blijvende arbeidsongeschiktheid, heeft dit onderscheid in dit opzicht te dezen geen belang omdat de werkelijke vraag waartoe het middel noopt de vraag is wat onder materiële professionele schade moet verstaan worden, meer bepaald: blijft de zelfstandige activiteit van het slachtoffer van een arbeidsongeval al dan niet buiten beschouwing bij de vergelijking tussen beide stelsels. 2.4. Een door de overheid gesloten arbeidsongevallenverzekering is een verzekering tot vergoeding van schade, in de zin van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst
(9)en verzekert in die zin vooral vergoeding van schade veroorzaakt aan iemands vermogen. De Arbeidsongevallenwet Publieke sector bepaalt in artikel 3 dat de getroffene recht heeft op een vergoeding van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie; een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid en, onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk. De wet geeft echter zelf geeft geen gedetailleerde omschrijving van de vergoede schade
(10). Aangenomen wordt dat niet voor vergoeding in aanmerking komen de schade aan goederen, morele schade, schade door verlies van mogelijkheden aan vrijetijdsbesteding of tot het vervullen van huishoudelijke taken, het wegvallen van kansen
(11), extra professionele schade en het verlies van economische waarde die zich buiten de arbeidsmarkt situeert
(12). De verzekering beoogt in de eerste plaats de patrimoniale en professionele gevolgen van de lichamelijke schade te dekken
(13). Zij is gericht op het vergoeden van de materiële professionele schade die voortspruit uit tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid en beschermt aldus de economische waarde van de getroffene op de arbeidsmarkt
(14). Niet elke lichamelijke of fysieke ongeschiktheid geeft aanleiding tot uitkeringen in het kader van de arbeidsongevallenwet. Er is ook vereist dat er een economische waardevermindering is, een aantasting van het economisch potentieel
(15). In die zin oordeelt Uw Hof dat de materiële schade geleden door het slachtoffer wegens de vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid bestaat in de vermindering van zijn economische waarde op de arbeidsmarkt
(16). Alleen de fysieke schade en haar invloed op de economische waarde van de getroffene op de arbeidsmarkt is relevant
(17). Zoals verweerder terecht aanvoert bestaat er een fundamenteel verschil tussen de begrippen "tijdelijke" en "blijvende" arbeidsongeschiktheid in die zin dat de begroting van de vergoeding bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt beoordeeld tegen de achtergrond van de functie die het slachtoffer bekleedde op het moment van het arbeidsongeval, terwijl het blijvend karakter van de arbeidsongeschiktheid niet volgens dezelfde maatstaven wordt beoordeeld. De aard van de vergoeding tijdens de periode van tijdelijke en volledige arbeidsongeschiktheid is concreet in zoverre niet de abstracte aantasting van de arbeidsgeschiktheid van belang is maar wel de concrete weerslag daarvan op het beroep dat de getroffene op het ogenblik van het arbeidsongeval uitoefende, namelijk de tijdelijke stopzetting van dit beroep. Dit brengt in de regel een volledig inkomensverlies mee en de vergoeding voor tijdelijke, volledige arbeidsongeschiktheid is dan ook afgestemd op een volledig verlies van inkomen. Het is dus de concrete weerslag van die arbeidsongeschiktheid op de beroepsuitoefening die doorslaggevend is: heeft de getroffene, al dan niet met inkomensverlies, de beroepsactiviteit kunnen hervatten
(18). In tegenstelling tot de tijdelijke arbeidsongeschiktheid die impliceert dat de getroffene niet in staat is tot het uitoefenen van zijn normale, op het ogenblik van het ongeval waargenomen functies, wordt de blijvende arbeidsongeschiktheid geschat in vergelijking met de arbeid die in normale omstandigheden billijkerwijze mag worden opgelegd, met andere woorden, ten opzichte van het geheel van beroepen waarvoor het slachtoffer bekwaam is om ze op een regelmatige wijze uit te oefenen
(19). Hierbij wordt dan verwezen naar het verlies of de vermindering van de economische waarde van de getroffene op de arbeidsmarkt zodat, in tegenstelling tot de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, het werkelijk geleden inkomstenverlies hier in geen enkel geval relevant is. Alleen de abstracte aantasting van de economische waarde op de arbeidsmarkt is van belang
(20). De rechter moet, aldus Uw Hof, hierbij de geschiktheid van het slachtoffer in overweging nemen, rekening houdend met zijn situatie en met de economische en sociale beperkingen en realiteiten om niet enkel het beroep uit te oefenen dat het zijne was op het ogenblik van het ongeval, maar ook andere professionele activiteiten, rekening houdend met zijn leeftijd, zijn opleiding, zijn professionele kwalificaties en zijn aanpassingsvermogen
(21). Het concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt, waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de blijvende arbeidsongeschiktheid van een door een arbeidsongeval getroffene, wordt bepaald door de mogelijkheden die deze nog overblijven om, in vergelijking met andere werknemers, een beroep in loondienst uit te oefenen
(22). Daarbij mag niet in aanmerking genomen worden of er, op het ogenblik dat de ongeschiktheid wordt vastgesteld, een tekort of een overschot aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt is
(23). Het begrip "algemene arbeidsmarkt" krijgt dus een strikte invulling en wordt bepaald door de mogelijkheden waarover de getroffene nog beschikt om, in vergelijking met andere werknemers, een beroep in loondienst uit te oefenen. Zo werd geoordeeld dat het beschermde arbeidscircuit die mogelijkheden niet biedt aan de werknemer die er op het tijdstip van het ongeval niet tewerkgesteld was
(24). 2.5. In zijn eensluidende conclusie vóór het arrest van 18 mei 1992
(25)wees Procureur-generaal Lenaerts er op dat in het maatschappelijk verkeer arbeid wordt verricht als bron van levensonderhoud in welk geval het gaat om beroepsarbeid. De schade die het gevolg van de arbeidsongeschiktheid is, bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om door arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien dit is om een inkomen te verwerven. Bij het berekenen van de vergoeding voor deze schade neemt het basisloon een centrale plaats in. De economische waarde op de arbeidsmarkt wordt immers wettelijk vermoed te zijn weergegeven in het basisloon van de getroffene
(26). Het economisch potentieel, het arbeids- en verdienvermogen, het concurrentievermogen zijn allemaal begrippen die centraal staan bij de evaluatie van arbeidsongeschiktheid en kunnen in de optiek van de wetgever uitgedrukt worden in een bepaald bedrag, het basisloon
(27). Zo ook stelt Procureur-generaal Lenaerts in zijn zonet geciteerde conclusie, dat de schade ontstaan uit tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld met inachtneming van het geleden loonverlies, wat neerkomt op het verlies of de vermindering van het vermogen tot verdienen door de uitoefening van het eigen beroep. Het loonverlies ligt trouwens aan de basis voor de berekening van de vergoeding zowel voor tijdelijke als voor blijvende arbeidsongeschiktheid en die berekeningswijze is toch de concrete vertaling van de vergoeding van de schade. Het loon dat voor de berekening van de arbeidsongevallenvergoeding in aanmerking wordt genomen benadert dichter het werkelijk verdiende loon dan loonbedragen waarop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de ziekte en invaliditeitswetgeving worden berekend. 2.6. Uit wat voorafgaat volgt dat de Arbeidsongevallenwetgeving en dus ook de thans van toepassing zijnde wet van 3 juli 1967 er ingeval van arbeidsongeschiktheid enkel op gericht was het verlies aan economisch arbeidsvermogen als werknemer te vergoeden. Uw Hof blijft bij de invulling van welke materiële professionele schade door de arbeidsongevallenwetgeving wordt vergoed doorgaans dicht bij het verlies aan economisch arbeidsvermogen waarbij de waarde van de werknemer op de arbeidsmarkt uitgedrukt wordt in het basisloon. De arbeidsongeschiktheid van de getroffene wordt bekeken in zijn hoedanigheid als werknemer
(28). Het verband met de tewerkstelling in het kader waarvan het ongeval zich voordoet is daarbij bepalend. Uw Hof oordeelde
(29)dat het bedrag gelijk aan het kapitaal dat de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde rente vertegenwoordigt en dat, in geval van een dodelijk ongeval, door hem aan de echtgenote van het slachtoffer wordt gestort, op forfaitaire wijze het verlies vergoedt van het voordeel dat zij persoonlijk trok uit de inkomsten die aan het slachtoffer werden verschaft door de arbeidsovereenkomst tijdens de uitvoering waarvan het ongeval heeft plaatsgehad, maar dat dit niet het verlies dekt van de inkomsten die het slachtoffer zou hebben verworven door een andere beroepsactiviteit welke hij na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou uitoefenen. Eerder
(30)werd geoordeeld dat door het onderscheiden van twee schadeposten, namelijk enerzijds het verlies van de "normale" beroepsinkomsten -dit is het verlies van de beroepsinkomsten ontstaan uit het plots ophouden van het vermogen van het slachtoffer om zich op de arbeidsmarkt in het algemeen, door arbeid een normaal loon te verzekeren-, en anderzijds het verlies van bepaalde bedrijfsinkomsten die het slachtoffer zou genoten hebben als "abnormaal loon of abnormale, toevallige, tijdelijke verdiensten te halen uit extra- of postprofessionele bedrijvigheid" het cumulatieverbod niet schendt omdat deze laatste vergoeding niet bestemd is om dezelfde materiële schade te vergoeden als deze gedekt door de forfaitaire vergoeding voorzien door de arbeidsongevallenwet. 2.7. Dat in het arrest van 1 juni 1993 onder het begrip materiële professionele schade zoals zij gedekt wordt door de arbeidsongevallenwetgeving ook professionele schade veroorzaakt met betrekking tot een door de werknemer bijkomend uitgevoerde zelfstandige activiteit werd begrepen, valt buiten deze rechtspraak zodat de kritiek die hierop werd geuit in de rechtsleer dan ook niet verrast. Deze kritiek richt zich op te al te ruime invulling die het begrip materiële professionele schade daardoor krijgt, waarbij deze niet enkel het concrete inkomensverlies omvat maar ook alle materiële schade die het gevolg is van de vermindering van de waarde van de getroffene op de arbeidsmarkt. Enerzijds wordt er op gewezen dat in het arrest niet wordt verduidelijkt wat deze brede omschrijving rechtvaardigt, terwijl deze rechtvaardiging niet kan gevonden worden in het forfaitair karakter van de arbeidsongevallenvergoeding, noch in de geest van de wet, waarbij men eerder de situatie van de modale werknemer zonder bijzondere bijverdiensten of "post-lucratieve ambities" voor ogen had
(31). In dezelfde zin wordt aangevoerd dat deze ruime opvatting niet strookt met het doel van de Arbeidsongevallenwet om enkel het verlies aan economisch arbeidsvermogen als werknemer te vergoeden
(32). Anderzijds wordt erop gewezen dat dergelijke ruime invulling nadelig is voor de getroffene omdat hij voor deze schadeposten slechts een gemeenrechtelijke vergoeding kan krijgen indien zijn totale gemeenrechtelijke aanspraken voor materiële professionele schade uit arbeidsongeschiktheid de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde vergoeding overschrijden, welke vergelijking geen sinecure is nu beide vergoedingen, ook al hebben ze betrekking op dezelfde schade, verschillende vergoedingen zijn die berekend worden volgens eigen regels
(33). 2.7. Het is, naast het moeilijk inpasbaar karakter van voormeld arrest in het geheel van rechtspraak van uw Hof, inderdaad ook zo dat de wetgever bij het uitwerken van een forfaitaire vergoedingsregeling voor arbeidsongevallen eerder de situatie van de modale werknemer zonder bijzondere bijverdiensten of "post-lucratieve ambities" voor ogen gehad
(34)en hierbij rekening gehouden werd met de overgrote meerderheid van de werknemers die slechts door één enkele arbeidsverhouding verbonden zijn met hun werkgever. De wetgever had bovendien bij het regelen van de gevolgen van arbeidsongevallen als bekommernis de arbeidsverhoudingen niet te verstoren maar tevens, enerzijds de financiële last die werkgevers dragen door het betalen van de premies voor verplichte arbeidsongevallenverzekering en anderzijds de financiële last van de verzekeraars, die in een verzekeringslogica de gedekte risico's moeten evalueren, niet te verzwaren. Indien de arbeidsongevallenverzekeraar het slachtoffer van een arbeidsongeval niet alleen zou moeten vergoeden op basis van het loon waarop de werknemer recht heeft wegens een functie in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, maar ook op basis van een loon waarop de werknemer recht heeft wegens een functie in een andere onderneming, dan zou de doelstelling van de wetgever in het gedrang komen
(35). Uw Hof oordeelde
(36)in dit verband, op de vraag hoe de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid moet worden berekend indien een persoon voltijds statutair tewerkgesteld is in hoofdberoep en hiernaast verbonden is met een deeltijdse arbeidsovereenkomst in het kader waarvan hij getroffen wordt door een arbeidsongeval, dat in dat geval enkel het basisloon vastgesteld met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens die deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is. In zijn conclusie vóór dit arrest wees advocaat-generaal Vanderlinden er op dat rekening moet gehouden worden met het doel van de toekenning van een vergoeding wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, met name het vermijden van loonverlies
(37). 2.
  1. Uit wat voorafgaat volgt dat, indien een werknemer deeltijds tewerkgesteld is in de Publieke sector en daarnaast een zelfstandige activiteit in bijberoep heeft en hij in het kader van zijn tewerkstelling in de publieke sector het slachtoffer is van een arbeidsongeval, de schade als gevolg van inkomstenverlies uit een zelfstandig bijberoep niet gedekt wordt door de arbeidsongevallenwetgeving, zodat het cumulatieverbod van artikel 14bis hierop niet van toepassing is. De appelrechter die oordeelt dat in een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen enkele vergoeding die verweerder ontving van de arbeidsongevallenverzekeraar de schade dekt die verweerder leed ingevolge inactiviteit als kunstenaar verantwoordt zijn beslissing naar recht dat er geen situatie voorhanden is waarop het cumulatieverbod van toepassing is. Het eerste middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
  2. Het tweede middel komt wel gegrond voor. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat verweerder een vergoeding voor hulp van derden vorderde enerzijds berekend tot de datum van uitspraak en anderzijds voor de toekomst. De appelrechter die geen rekening houdt met de reeds toegekende vergoeding voor blijvende huishoudelijke ongeschiktheid, kent meer toe voor het verleden dan wat door verweerder gevorderd werd, zodat terecht wordt aangevoerd dat het beschikkingsbeginsel werd miskend. Nu de verwijzingsrechter een nieuwe berekening zal dienen te maken tot op datum van uitspraak komt het mij voor dat de vernietiging betrekking heeft op de volledige post "hulp van derden" en niet zoals in de memorie van antwoord wordt gevraagd, enkel op de uitspraak met betrekking tot de schade voor het verleden Conclusie: gedeeltelijke vernietiging met verwijzing. ______________________________
(1)Cass. 1 juni 1993, AR 6337, AC 1993, nr. 261 waarin Uw Hof met betrekking tot het cumulatieverbod bepaald in artikel 46, §2, tweede lid Arbeidsongevallenwet oordeelde dat "...in het geval deze lichamelijke schade ook professionele schade veroorzaakt met betrekking tot een door een werknemer bijkomend uitgevoerde zelfstandige activiteit, dit enkel zijn weerslag kan vinden in de berekening van de vergoeding naar gemeen recht en in de toegelaten cumulatie van vergoedingen tot beloop van het eventueel verschil in zoverre de vergoeding naar gemeen recht groter is dan deze berekend volgens de Arbeidsongevallenwet."
(2)Wetsontwerp tot instelling van een regeling inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg naar en van het werk of uit beroepsziekten, ten behoeve van openbare ambtsdragers, Parl.St. Kamer, 1964-65, nr. 1023/1, p. 3.
(3)I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 39.
(4)GwH, 5 maart 2015, nr. 27/2015, r.o. B.5.1-B.5.2.
(5)I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 107.
(6)I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 109.
(7)I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 389.
(8)Cass. 19 december 2006, AR P.06.0944.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.3, AC 2006, nr. 661.
(9)GwH 26 november 2009, 190/2009, r.o. B.5.
(10)Zie concl. van procureur-generaal Lenaerts vóór Cass.18 mei 1992, AR 7812, AC 1992, nr. 488.
(11)R. JANVIER, Arbeidsongevallen publieke sector, Die Keure, 2017, nr.520
(12)D. SIMOENS, Ongevallenrecht: grensgebieden van aansprakelijkheid, verzekering en sociale zekerheid, TPR, 1984, 438.
(13)PERSYN, C., SIMOENS D., en VAN EECKHOUTTE W., Overzicht van rechtspraak Arbeidsongevallen, TPR 1984, 1143.
(14)C. PERSYN, Problemen bij de samenloop van vergoedingsregelingen: het gemene recht, arbeidsongevallen en ziekteverzekering, RW 1990-1991, 274.
(15)PERSYN, C., SIMOENS D., en VAN EECKHOUTTE W., Overzicht van rechtspraak Arbeidsongevallen, TPR 1984, 1144.
(16)Cass. 22 juni 2017, AR C.16.0282.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.8, AC 2017, nr. 415.
(17)Cass. 1 juni 1993, AR 6367, AC 1993, nr. 262.
(18)B. DE TEMMERMAN, Invaliditeit, Arbeidsongeschiktheid en inkomensverlies, TAVW 2002, 289.
(19)R. JANVIER, Arbeidsongevallen publieke sector, Die Keure, 2017, nr. 531.
(20)B. DE TEMMERMAN, Invaliditeit, Arbeidsongeschiktheid en inkomensverlies, TAVW, 2002, 287-290.
(21)Cass. 22 juni 2017, AR C.16.0282.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.8, AC 2017, nr. 415.
(22)Cass. 3 april 1989, AC 1988-89, nr. 425.
(23)Cass. 10 maart 1980, AR 2603, AC 1980, nr. 430.
(24)Cass. 14 december 2015, AR S.12.0097.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.2, AC 2015, nr. 790.
(25)Cass. 18 mei 1992, AR 7812, AC 1992, nr. 488. met concl. van Procureur-generaal Lenaerts.
(26)Cass. 21 juni 1999, AR S.98.0050.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990621.6, AC 1999, nr. 380. Cass. 9 maart 2015, AR S.14.0009.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150309.2, AC 2015, nr. 172.
(27)PERSYN, C., SIMOENS D., en VAN EECKHOUTTE W., Overzicht van rechtspraak Arbeidsongevallen, TPR 1984, 1155.
(28)PETIT J. Arbeidsongevallen, APR, 268.
(29)Cass. 6 januari 1981, AR 20.215, AC 1981, nr. 256.
(30)Cass. 3 januari 1969, Arr.Cass. 1969, p. 414.
(31)B. LIETAERT, Pluraliteit van aanspraken bij arbeids- en verkeersongevallen, in Sociaal recht: niets dan uitdagingen, Mys en Breesch, 1996, p. 518, nr. 885.
(32)J. PETIT, Arbeidsongevallen, APR, Story-Scientia, 2005, p. 495.
(33)I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 109-110.
(34)B. LIETAERT, Pluraliteit van aanspraken bij arbeids- en verkeersongevallen, in Sociaal recht: niets dan uitdagingen, Mys en Breesch, 1996, p. 518, nr. 885.
(35)GwH. 5 maart 2015, nr. 27/2015, r.o. B.8.
(36)Cass. 11 maart 2013, AR S.11.0153.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130311.7, AC 2013, nr. 167 met concl. van advocaat-generaal m.o. Vanderlinden.
(37)Zie de verwijzing naar M. JOURDAN en A.-M. SWARTENBROECKX, Accidents de travail, in G. Van den Avyle, Guide social permanent, Tome 4, Commentaire droit de la sécurité sociale, Titre III, Chapitre III, 30. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181102.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990621.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130311.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150309.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.