id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 Rolnummer: C.17.0220.N-C.17.0318.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 1011 - laatst gezien 2026-06-29 17:03 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.4 Fiches 1 - 3 Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, staat het de rechter de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan; een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling toelaatbaarheid door de rechter - Wijze - Wering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 02-08-2002 - Art. 70, §§ 1 en 2 - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14, IVBPR - Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling toelaatbaarheid door de rechter - Wijze - Wering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 02-08-2002 - Art. 70, §§ 1 en 2 - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling toelaatbaarheid door de rechter - Wijze - Wering - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 02-08-2002 - Art. 70, §§ 1 en 2 - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Fiche 4 Een gebrek aan objectieve of structurele onpartijdigheid door een administratieve overheid leidt niet noodzakelijk tot een schending van artikel 6.1 EVRM, indien de beslissing van die overheid daaropvolgend onderworpen wordt aan een toetsing door een rechtscollege met volle rechtsmacht dat zelf alle waarborgen van artikel 6 EVRM biedt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Administratieve overheid - Objectieve of structurele onpartijdigheid - Gebrek - Herstel - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Wet - 02-08-2002 - Artt. 44 en 121, § 1, 4° - 64 ELI link Pub nr 2002003392 Fiche 5 "Wetens en willens handelen" zoals vereist bij artikel 5, tweede lid, Strafwetboek betekent dat de dader bewust en zonder dwang handelt; die bepaling vereist niet dat de dader te kwader trouw of bedrieglijk handelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Vrije woorden: Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek - Wetens en willens handelen - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek dat de gevallen regelt waarin de verantwoordelijkheid van een natuurlijke persoon en van een rechtspersoon in het gedrang komen wegens eenzelfde misdrijf, voert een strafuitsluitingsgrond in voor degene die de minst zware fout heeft begaan; die verschoningsgrond geldt voor de dader van het door onvoorzichtigheid of onachtzaamheid gepleegde misdrijf en niet voor degene die wetens en willens heeft gehandeld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Algemeen Vrije woorden: Eenzelfde misdrijf - Verantwoordelijkheid van een natuurlijk persoon en van een rechtspersoon - Strafuitsluitingsgrond - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 7 De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn binnen dewelke een vervolgde persoon het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, in de zin van artikel 6.1 EVRM, is overschreden; hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de vervolgde persoon en de houding van de gerechtelijke overheid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling door de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 59 Link Justel databank 19501104-59 Fiche 8 Een akte van rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld of, in het geval een aanhaling in een andere taal van de rechtspleging is opgenomen, wanneer in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging is weergegeven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Akte van rechtspleging - Vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 24 en 40, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de conclusie C.17.0220.N - C.17.0318.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- Het geschil kadert in een door eiser (zaak C.17.0220.N) gegeven uiteenzetting over de solvabiliteitspositie van het toenmalige FORTIS (thans AGEAS NV/SA, eiseres in de zaak C.17.0318.N).
- Naar aanleiding van deze externe communicatie oordeelde de Autoriteit van Financiële Diensten en Markten (verweerster in de beide voormelde zaken) dat betrokkene zich schuldig had gemaakt aan de verstrekking van onjuiste en misleidende informatie. Er werd hem een administratieve geldboete (van 250.000 euro) opgelegd en een nominatieve bekendmaking van de beslissing op de website van verweerster.
- Het tegen die beslissing ingestelde hoger beroep bij het hof van beroep te Brussel bevestigt de begane inbreuk op artikel 25, §1, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, maar hervormt ze in de mate dat een administratieve boete en de nominatieve bekendmaking was opgelegd.
- Tegen dat arrest voeren eiser (in de zaak C.17.0220.N) en eiseres (in de zaak C.17.0318.N) telkens zes middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN Waar de cassatiemiddelen in de beide zaken betrekking hebben op hetzelfde bestreden arrest, komt het mij voor dat zij in het belang van een goede rechtsbedeling dienen gevoegd te worden. A.
- Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing door het bestreden arrest van de door eiser en eiseres opgeworpen onontvankelijkheid van de vordering of nietigheid van het onderzoek wegens overschrijding door de auditeur van verweerster van de saisine.
- Op grond van artikel 70, §1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 2 juli 2010) gelast het directiecomité de secretaris-generaal (auditeur genaamd) met het onderzoek van het dossier. De beslissing van het directiecomité om een onderzoek te openen heeft als gevolg dat de saisine van de auditeur beperkt is. Hij mag slechts de praktijken onderzoeken die in deze beslissing geviseerd worden, zonder nochtans gebonden te zijn door de kwalificatie ervan. De auditeur heeft ook de mogelijkheid om nieuwe of andere feiten voor het directiecomité te brengen, om de opening van een aanvullend onderzoek te verkrijgen
(1). 3. In casu stellen de appelrechters vast
(2)dat de onderzoeksopdracht van de auditeur beperkt is tot bepaalde feiten die limitatief worden opgesomd in de beslissing van het directiecomité en dat de bewuste externe communicatie door de eiser (op 12 juni 2008) buiten de onderzoeksopdracht van de auditeur valt.
- De appelrechters moeten nochtans niet ipso facto tot de nietigheid van het bewijs dat op grond van deze overschrijding van de onderzoeksopdracht werd verkregen, besluiten, noch dienen zij de vervolgingen die het directiecomité op grond van dit bewijs heeft ingesteld, ipso facto niet ontvankelijk te verklaren, in de mate dat de zogenaamde Antigoon-rechtspraak hier van toepassing lijkt te zijn.
- Volgens deze rechtspraak kan de rechter (in het kader van een beoordeling in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR) onrechtmatig verkregen bewijs (behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm) enkel weren wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. Deze rechtspraak vindt haar oorsprong weliswaar in strafzaken
(3)en is wettelijk verankerd in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar zij krijgt een ruime toepassing, aangezien zij vervolgens is uitgebreid naar burgerlijke zaken
(4)en recent ook fiscale zaken
(5). 6. Ook in het mededingingsrecht heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 22 december 2011 (nr. 197/2011, B.12.1) geoordeeld dat de omstandigheid dat stukken en elementen op onrechtmatige wijze zijn verkregen, enkel tot gevolg heeft dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, ze rechtstreeks noch indirect in aanmerking mag nemen, hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, hetzij wanneer de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, hetzij wanneer de aanwending van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Het Grondwettelijk Hof erkent aldus, onder de gelding van de gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging, dat de zogenaamde Antigoon-rechtspraak geldt voor de bodemrechter in de publieke handhaving van het mededingingsrecht, met name voor de kamer van de Raad voor de mededinging die uitspraak doet over het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken, en, in voorkomend geval, het hof van beroep te Brussel in beroep tegen deze beslissing
(6). 7. In toepassing van de Antigoon-rechtspraak heeft het Hof, in een arrest van 10 juni 2014
(7)inzake strafrecht geoordeeld dat het verbod voor de onderzoeksrechter andere feiten te onderzoeken dan deze die bij hem aanhangig zijn gemaakt, niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid. Bijgevolg kan de rechter het als gevolg van die overschrijding opgeleverde bewijs enkel nietig verklaren of op een andere wijze uitsluiten wanneer hij preciseert hoe en waarom die onregelmatigheid ofwel de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast ofwel tot gevolg heeft dat het gebruik van dat bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
- In zoverre de overschrijding van de saisine van de onderzoeksrechter aldus niet noodzakelijk tot de nietigheid van het onderzoek of de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen leidt, komt het mij voor dat, gezien de ruime toepassing van de Antigoon-rechtspraak, die ook in burgerlijke- en fiscale materies geldt, en eveneens in het mededingingsrecht wanneer de bodemrechter kennis neemt van onrechtmatig verkregen bewijs, voormeld arrest in casu naar analogie kan worden toegepast. Het verbod voor de auditeur om zijn saisine te overschrijden, verankerd in artikel 70, §1, Wet Financieel Toezicht, is immers niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, en de appelrechters mogen het door dit uitgebreide onderzoek opgeleverde bewijs dus niet zomaar uitsluiten wanneer zij niet preciseren hoe en waarom die onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs of het recht op een eerlijk proces heeft aangetast.
- De onderdelen die ervan uitgaan dat de vervolgingen die op grond van dit bewijs werden uitgevoerd ipso facto niet ontvankelijk zijn of dat de onderzoeksdaden op grond waarvan dit bewijs werd geleverd ipso facto nietig zijn, falen m.i. derhalve naar recht.
- Waar de appelrechters naar mijn aanvoelen in het bestreden arrest (p. 22, r.o. 30) op correcte wijze nagaan of de rechten van de eisers op een eerlijk proces onherstelbaar werden geschonden en of de geloofwaardigheid van de bewijsvoering werd aangetast door de overschrijding van de saisine door de auditeur, en zij op onaantastbare wijze oordelen dat dit niet het geval is, staat het mij dan ook voor dat zij hun beslissing hierdoor naar recht verantwoorden en dat de onderdelen aldus niet kunnen aangenomen worden. B.
- Het tweede middel betreft de miskenning door het bestreden arrest van het recht op een eerlijk proces, inzonderheid het recht op een onpartijdige rechter, door ondanks de schijn van partijdigheid van alle organen van verweerster niet tot de onontvankelijkheid van de vervolgingen te hebben beslist.
- Wanneer de omstandigheden van de zaak van die aard zijn dat zij bij de partijen en het publiek een gewettigde twijfel doen ontstaan betreffende de bekwaamheid van de rechter om op onpartijdige wijze kennis te nemen van de zaak, komt de objectieve onpartijdigheid in het gedrang
(8). 3. Inzake objectieve onpartijdigheid maakt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een onderscheid tussen, enerzijds, inbreuken die in de interne rechtsorde gesanctioneerd worden door een administratieve overheid en slechts een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM en, anderzijds, inbreuken die zowel in de interne rechtsorde als in de zin van artikel 6 EVRM een strafrechtelijk karakter hebben
(9). 4. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkent dat inzake procedures die niet strafrechtelijk zijn in de interne rechtsorde, maar tucht- of administratiefrechtelijk van aard zijn, de taak om tuchtrechtelijke of "lichtere" inbreuken te veroordelen, toegewezen kan worden aan professionele of administratieve overheden die niet aan alle waarborgen van artikel 6 EVRM voldoen, voor zover zij onderworpen worden aan een toetsing door een rechterlijk orgaan met volle rechtsmacht
(10). 5. Zo aanvaardt voornoemd Europees Hof dat een gebrek aan objectieve onpartijdigheid door een administratieve overheid hersteld kan worden, indien de beslissing van die overheid daaropvolgend onderworpen wordt aan een toetsing door een rechterlijk orgaan met volle rechtsmacht dat zelf voldoet aan alle waarborgen van artikel 6 EVRM
(11). Ook een gebrek aan organieke (of structurele) onpartijdigheid, die de organisatie of samenstelling van het administratief orgaan zelf betreft, leidt niet noodzakelijk tot een schending van artikel 6 EVRM, wanneer deze onpartijdigheid hersteld kan worden door een toetsing achteraf door een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht
(12). 6. Inzake procedures die wel strafrechtelijk zijn in de interne rechtsorde erkent het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op een gelijkaardige wijze dat een gebrek aan objectieve onpartijdigheid in eerste aanleg niet in de weg staat aan een herstel door een rechter met volle rechtsmacht die zelf alle waarborgen van artikel 6 EVRM biedt
(13). 7. In bepaalde rechtspraak oordeelt dit Hof evenwel dat een gebrek aan organieke onpartijdigheid, die de samenstelling van de zetel van het rechtscollege in eerste aanleg zelf betreft, een zodanig fundamentele leemte in het systeem teweegbrengt, dat het een onherstelbare schending van artikel 6 EVRM uitmaakt
(14). In andere rechtspraak oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarentegen dat ook een gebrek aan organieke onpartijdigheid in eerste aanleg hersteld kan worden door middel van vernietiging van de beslissing en een toetsing ab initio door een rechterlijke beroepsinstantie met volle rechtsmacht binnen de waarborgen van artikel 6 EVRM
(15). Een gebrek aan functionele onpartijdigheid in eerste aanleg, dat uitsluitend het functioneren van de rechtbank en het verloop van de procedure betreft, kan daarentegen wel hersteld worden door een toetsing achteraf door een rechterlijk beroepsorgaan met volle rechtsmacht
(16). 8. In de rechtsleer wordt daaromtrent in elk geval beargumenteerd dat ook een gebrek aan organieke onpartijdigheid - omwille van de samenstelling van de zetel - vatbaar moet zijn voor herstel door middel van vernietiging van de beslissing die door dit rechtscollege is genomen en een nieuw onderzoek ab initio door een rechterlijk beroepsorgaan met volle rechtsmacht
(17). Andere auteurs stellen dat elk gebrek aan onpartijdigheid in eerste aanleg "integraal herstelbaar" is
(18). 9. Waar eisers hun grief volledig opbouwen rond de premisse dat in casu een gebrek aan structurele onpartijdigheid bestaat en dat dit gebrek een onherstelbare schending van het recht op een eerlijk proces oplevert die leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen, faalt deze - in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - m.i. derhalve naar recht. Een gebrek aan structurele of organieke onpartijdigheid in de administratiefrechtelijke procedure is immers herstelbaar door een rechterlijke toetsing achteraf met volle rechtsmacht. Naar analogie met de strafrechtelijke procedure kunnen vervolgingen enkel niet-ontvankelijk worden verklaard indien het recht op een eerlijk proces onherstelbaar miskend is. Wanneer de rechter zelf de miskenning kan herstellen (zoals in casu het geval is), is hij gehouden dat te doen
(19). 10. Waar in toepassing van artikel 44 Wet Financieel Toezicht de CBFA (thans de FSMA) een autonome administratiefrechtelijke instelling is
(20)en de beslissingen van de sanctiecommissie derhalve administratiefrechtelijk van aard zijn
(21)waartegen, in toepassing van artikel 121, §1, 4°, van dezelfde wet, hoger beroep kan worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel dat over een volle rechtsmacht beschikt
(22), komt het mij dan ook voor dat door het bestreden arrest - dat de beroepen beslissing heeft vernietigd en een eigen onderzoek in de plaats heeft gesteld - de vastgestelde schijn van (objectieve) partijdigheid in deze kon hersteld worden, en dat de appelrechters hun beslissing aldus naar recht verantwoorden. C.
- Het derde middel komt op tegen de verwerping door het bestreden arrest van overmacht in hoofde van eiser (die hem van zijn schuld zou hebben ontheven) en tegen de wijze van verantwoording hiervan in de motieven (tegenstrijdigheid).
- Waar de onderdelen ervan uitgaan dat de appelrechters oordelen dat eiser niet anders had kunnen optreden en dat hij zich redelijkerwijze in de onmogelijkheid bevond om helemaal niet te communiceren, komt het mij echter voor dat dit niet is wat de appelrechters zeggen. Zij oordelen enerzijds dat, eens de opdracht aanvaard om als vervanger op te treden en om over de solvabiliteitspositie van Fortis te communiceren, eiser hierover niet anders had kunnen communiceren. Ook een meer algemene of "nietszeggende" communicatie over de solvabiliteitspositie was immers nog misleidend geweest. De appelrechters oordelen anderzijds evenwel dat eiser had kunnen weigeren om over de solvabiliteitspositie van Fortis te communiceren. Hij zou dus de mogelijkheid gehad hebben om helemaal niet over de solvabiliteitspositie te communiceren. In die zin had eiser aldus wel degelijk de mogelijkheid om anders op te treden. Deze beide reeksen van overwegingen zijn m.i. dan ook niet tegenstrijdig. De onderdelen berusten in elk geval op een verkeerde lezing of interpretatie van het bestreden arrest en missen mitsdien feitelijke grondslag.
- Het derde middel is tevens gericht tegen de beslissing van niet-overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre het bestreden arrest volgens eiseres niet zou hebben aangegeven hoe de versnelling in de latere fases van de procedure de vertraging in de vroegere fase zou hebben gecompenseerd op zulke wijze dat de rechten van de rechtzoekende niet werden geschonden, staat het mij evenwel voor dat uit de beoordeling terzake door de appelrechters (p. 45-46) wel degelijk blijkt dat die bewuste vertraging, in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, in de latere fases werd gecompenseerd. De rechter oordeelt immers onaantastbaar of de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM is overschreden. Hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak (zoals de complexiteit, de houding van de vervolgde persoon en van de gerechtelijke overheid...) in aanmerking
(23). Ook deze grief lijkt mij aldus niet te kunnen aangenomen worden. D.
- Het vierde middel heeft enerzijds betrekking op de door eiser gecommuniceerde onjuiste en misleidende communicatie, en is anderzijds gesteund op de schending van de artikelen 24, 37 en 40 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken.
- In zoverre het bestreden arrest m.i. evenwel niet weigert rekening te houden met het concrete doelpubliek om het misleidend karakter van de verspreide informatie te beoordelen, noch niet zou hebben geantwoord op de syntheseconclusie waarin werd aangevoerd dat bij de beoordeling van het misleidend karakter van de presentatie rekening moet worden gehouden met het gespecialiseerd karakter van het bestemde publiek, en er (ook op grond van het antwoord op het derde middel) eveneens geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de motieven van het arrest op het vlak van de mogelijke communicatie, noch dat het bestreden arrest de bewijskracht van eisers' syntheseconclusie zou hebben miskend door het dossier gevorderde getuigenverhoor te hebben verworpen (in de mate dat het hiervan m.i. als zodanig geen uitlegging heeft gegeven), komt het mij voor dat al die onderdelen op een onjuiste lezing of interpretatie van de bestreden beslissing berusten en derhalve feitelijke grondslag missen.
- Wat de Taalwet Gerechtszaken betreft, is het vaststaande rechtspraak van uw Hof
(24)dat een akte van rechtspleging waarin woorden of citaten in een andere taal dan deze van de rechtspleging is opgenomen, geacht wordt in de taal van de rechtspleging te zijn opgesteld wanneer die passages zijn vertaald, maar ook wanneer ze dat niet zijn, maar hun inhoud op zodanige wijze is weergegeven dat de akte ook zonder de in de vreemde taal gestelde woorden en citaten verstaanbaar en zinnig is blijkens haar context.
- In zoverre op grond van voormelde criteria in deze bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat het arrest niet begrijpbaar zou zijn zonder de in het Engels weergegeven dia (in de mate dat de appelrechters de zakelijke inhoud van de elementen hiervan waarop zijn hun beslissing steunen m.i. wel degelijk in het Nederlands hebben weergegeven), staat het mij voor dat het middel niet kan worden aangenomen. E.
- Het vijfde middel verwijt het bestreden arrest geen toepassing te hebben gemaakt van artikel 5 van het Strafwetboek en na te gaan wie van eisers de zwaarste fout heeft begaan bij het verspreiden van de bewuste informatie.
- In toepassing van artikel 5, eerste lid, Strafwetboek is een rechtspersoon strafrechtelijke verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, hetzij, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. De rechtspersoon en de natuurlijke persoon riskeren hierdoor wegens hetzelfde misdrijf te worden bestraft. Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek heeft daarom een regeling uitgewerkt bij samenloop van verantwoordelijkheden.
- Dit artikel 5, tweede lid, Strafwetboek regelt de gevallen waarin de aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon en die van een rechtspersoon in het gedrang worden gebracht door hetzelfde misdrijf. Indien de natuurlijke persoon die het misdrijf heeft gepleegd niet wetens en willens heeft gehandeld, geldt een decumul van verantwoordelijkheden: enkel degene die de zwaarste fout heeft gepleegd, wordt gestraft; dit is ofwel de rechtspersoon ofwel de natuurlijke persoon. Het gaat hier om een strafuitsluitende verschoningsgrond. Indien de natuurlijke persoon wetens en willens heeft gehandeld, kan hij daarentegen wel samen met de rechtspersoon worden veroordeeld (cumul van verantwoordelijkheden); de strafuitsluitende verschoningsgrond is dan niet van toepassing
(25). 4. Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist wetens en willens handelen in de zin van voornoemd artikel dat de dader bewust en zonder dwang handelt. Die bepaling vereist niet dat de dader te kwader trouw of bedrieglijk handelt
(26). De vraag of een misdrijf wetens en willens werd gepleegd, moet als zodanig niet worden beoordeeld op grond van de kwalificatie van het misdrijf, maar aan de hand van de concrete geestesgesteldheid van de natuurlijke persoon. De uitzondering op de decumulregeling geldt dus zowel voor opzettelijke misdrijven als voor onachtzaamheidsmisdrijven
(27). 5. De vaststelling dat de natuurlijke persoon wetens en willens heeft gehandeld, volstaat om hem te veroordelen, zonder dat artikel 5 Strafwetboek vereist dat de rechtspersoon mee zou worden vervolgd
(28). Voor de toepassing van de decumul - of cumulrekening van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek is immers niet vereist dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon tegelijk terechtstaan voor de strafrechter of dat beiden door het parket vervolgd worden. Het feit dat beiden niet tegelijk vervolgd worden, schendt het recht van verdediging niet
(29).
- Het (derde) onderdeel (van het vijfde middel) gaat ervan uit dat artikel 5, tweede lid, Strafwetboek ook van toepassing is wanneer een administratieve geldboete wordt opgelegd wegens inbreuk op artikel 25, §1, 4°, Wet Financieel Toezicht. Het verwijt de appelrechters geen toepassing te hebben gemaakt van de decumulregeling in artikel 5, tweede lid, Strafwetboek en aldus niet te hebben onderzocht of eiser (als natuurlijk persoon) dan wel Fortis (als rechtspersoon) de zwaarste fout heeft begaan. De appelrechters hebben de eiser, integendeel, zonder meer veroordeeld wegens inbreuk op voormeld artikel 25, §1, 4°. De kern van de argumentatie in het onderdeel is dan ook dat de appelrechters niet hebben vastgesteld dat eiser de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, zodat de decumulregeling krachtens artikel 5, tweede lid, Strafwetboek van toepassing was. De appelrechters stellen volgens eiser immers vast dat hij geen intentie had om de markt te misleiden.
- Op voormelde manier gaat het onderdeel er m.i. vanuit dat het wetens en willens handelen in de zin van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek werkelijk een bedrieglijk opzet veronderstelt. Deze opvatting faalt evenwel naar recht. In het licht van het voorgaande volstaat het immers dat de eiser de misleidende informatie bewust en gewild heeft verspreid opdat hij wetens en willens heeft gehandeld in de zin van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zonder dat hij een oogmerk moest hebben om te misleiden of schade te berokkenen.
- Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt m.i. alleszins dat eiser de misleidende informatie bewust en gewild heeft verspreid. Zij stellen namelijk vast dat eiser niet onwetend kon zijn over het misleidend karakter van de informatie en in casu wel degelijk wist dat een bijsturing van de presentatie niet zou leiden tot een fundamenteel andere boodschap. De appelrechters nemen daarbij de positie van eiser in het bedrijf m.i. terecht mee in overweging. In zijn conclusie bij het arrest van het Hof van 6 mei 2015
(30)heeft advocaat-generaal VANDERMEERSCH in die optiek immers verduidelijkt dat de functie van de natuurlijke persoon, die van hem een goed geïnformeerd persoon maakt (of de verplichting schept om dit te zijn) en die een verplichting oplegt om op een bepaalde manier te handelen, een doorslaggevend criterium is voor de rechter bij zijn soevereine beoordeling of de natuurlijke persoon wetens en willens heeft gehandeld. Het "moeten weten" staat in die zin heel dicht bij het "weten" zelf.
- Waar de appelrechters deze vaststellingen hebben gedaan in het kader van hun beoordeling of eiser wist of had moeten weten dat de informatie onjuist of misleidend was en aldus een inbreuk had gepleegd op artikel 25, §1, 4°, Wet Financieel Toezicht, kan uit deze vaststellingen m.i. echter eveneens worden afgeleid dat eiser wetens en willens heeft gehandeld in de zin van artikel 5, tweede lid, tweede zin, Strafwetboek. De decumulregeling van artikel 5, tweede lid, eerste zin, Strafwetboek is dus sowieso niet van toepassing.
- De vraag of de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek van toepassing is wanneer een administratieve geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op artikel 25, §1, 4°, Wet Financieel Toezicht lijkt mij, op grond van het voorgaande, niet relevant te zijn voor de eindbeslissing van de appelrechters. Zelfs indien de principes van het strafrecht moeten worden toegepast, blijkt immers uit de vaststellingen van de appelrechters dat de voorwaarden voor een decumul van verantwoordelijkheden krachtens artikel 5, tweede lid, Strafwetboek sowieso niet vervuld waren. Zij stellen namelijk vast dat eiser wetens en willens misleidende informatie heeft verspreid, wat volstond om hem te veroordelen wegens een inbreuk op artikel 25, §1, 4°, Wet Financieel Toezicht. In die zin lijkt de vraag of de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek van toepassing is wanneer een administratieve geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op artikel 25, §1, 4° Wet Financieel Toezicht dan ook eerder theoretisch te zijn. Eén van de constitutieve bestanddelen van voormeld artikel 25, §1, 4°, is immers dat de natuurlijke persoon die de informatie heeft verspreid wist of had moeten weten dat deze onjuist of misleidend was. Indien de rechter soeverein vaststelt dat de natuurlijke persoon wist - of niet anders kon dan weten - dat de informatie misleidend was en die toch heeft verspreid, zal uit die vaststellingen blijken dat hij de inbreuk wetens en willens heeft begaan. Krachtens artikel 5, tweede lid, tweede zin, Strafwetboek kan de decumulregeling van verantwoordelijkheden dan sowieso niet spelen: de natuurlijke persoon kan in dat geval ook veroordeeld worden.
- Uit de parlementaire voorbereiding
(31)volgt bovendien dat, op grond van de specifieke regeling vervat in de artikelen 25, §1 en 2, en 36, §1 en 2, Wet Financieel Toezicht zowel aan de rechtspersoon als aan de natuurlijke persoon gelijktijdig een administratieve sanctie kan worden opgelegd krachtens artikel 36 Wet Financieel Toezicht wegens een inbreuk op artikel 25, §1, 4°, van voormelde wet, ten behoeve van de versterking van de integriteit van de Belgische markten en de bescherming van de rechten van de rechtsonderhorige. 12. Zelfs indien de principes van het strafrecht moeten worden toegepast, is de regel van de decumul van verantwoordelijkheden in artikel 5, tweede lid, Strafwetboek dus niet van toepassing. Krachtens artikel 100 Strafwetboek geldt deze regel immers enkel bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen
(32). Welnu, in casu bestaat een specifieke afwijkende regeling in de artikelen 25, §1 en 2, en 36, §1 en 2, Wet Financieel Toezicht, die een cumul van verantwoordelijkheden van de natuurlijke persoon en de rechtspersoon toelaat.
- Waar het onderdeel aldus vertrekt vanuit de verkeerde premisse dat de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek ook van toepassing is wanneer krachtens artikel 36, §2, Wet Financieel Toezicht een administratieve geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op artikel 25, §1, 4°, van die wet, aangezien de wet geen specifieke, andersluidende regeling zou bevatten inzake de verantwoordelijkheid van rechtspersonen, faalt deze opvatting eveneens naar recht.
- Het is tevens niet vanzelfsprekend dat de principes van het strafrecht moeten worden toegepast op de administratieve geldboetes die krachtens artikel 36, §2, Wet Financieel Toezicht worden opgelegd wegens inbreuk op artikel 25, §1, 4°, van dezelfde wet. Het Hof heeft in het reeds eerder vermelde arrest van 6 mei 2015 weliswaar geoordeeld dat voor de administratieve geldboete die ondergeschikt is aan en een alternatief is voor de strafvordering, in de regel dezelfde principes gelden als voor de strafvordering zelf. Het besliste op die grond dat de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek van toepassing was op de in de decretale milieuwetgeving van het Waals Gewest bepaalde inbreuken, bij gebrek aan een specifieke regeling in de zin van artikel 100 Strafwetboek.
- In dezelfde zin oordeelt het Grondwettelijk Hof in vaste rechtspraak dat wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, d.w.z. wanneer hij voor dezelfde feiten ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen ofwel een administratieve sanctie kan worden opgelegd waartegen hem een beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, er een parallellisme dient te bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de straf. Dat geldt voor de mogelijkheid om een geldboete op te leggen die minder bedraagt dan het wettelijk minimum indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn
(33). Het zou immers niet redelijkerwijs verantwoord zijn om de persoon aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, de maatregel te ontzeggen die het bestuur in staat zou stellen rekening te houden met de verzachtende omstandigheden (...) terwijl de persoon de toepassing van artikel 85 van het Strafwetboek zou kunnen genieten indien hij voor hetzelfde misdrijf voor de correctionele rechtbank zou verschijnen
(34).
- Bovenstaande rechtspraak geldt wanneer eenzelfde inbreuk op alternatieve wijze kan worden beteugeld, nl. ofwel door een administratieve sanctie ofwel door een strafsanctie. Zo betroffen de arresten van het Hof van Cassatie van 6 mei 2015 en van het Grondwettelijk Hof van 30 maart 2011 de milieuwetgeving (geregeld bij decreet door het Waals Gewest of bij ordonnantie door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) waarin voor eenzelfde inbreuk een alternatieve sanctieregeling wordt vooropgesteld: deze regeling impliceert dat enkel wanneer de procureur des Konings beslist om de vermoedelijke dader van de vastgestelde inbreuk niet te vervolgen, de leidende ambtenaar de administratieve procedure kan inzetten en een administratieve sanctie kan opleggen. De arresten van het Grondwettelijk Hof van 14 juli 1997 betroffen dan weer de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. Ook deze regeling voorziet voor dezelfde inbreuk ofwel in een administratieve boete ofwel in een strafrechtelijke sanctie, en ook hier is de administratieve procedure slechts subsidiair aan de strafrechtelijke: de administratieve overheid kan pas optreden na een wachttijd van zes maanden, terwijl het initiatief zolang bij het openbaar ministerie ligt.
- De Wet Financieel Toezicht voorziet echter niet in een alternatieve sanctieregeling (administratief of strafrechtelijk) voor eenzelfde inbreuk. Dit blijkt m.i. duidelijk uit de parlementaire voorbereiding waarin vermeld wordt (om rekening te houden met het advies van de Raad van State inzake de verenigbaarheid van de bepalingen in de Wet Financieel Toezicht met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem) dat eenzelfde feit niet langer meer constitutief kan zijn voor één en dezelfde inbreuk die zowel administratief als strafrechtelijk bestrafbaar is. In zijn advies heeft de Raad van State inderdaad onderlijnd (...) dat eenzelfde feit het voorwerp kon uitmaken van een administratieve sanctie en van een strafrechtelijke sanctie wanneer dit feit uit twee afzonderlijke inbreuken samengesteld was. De cumul van sancties is met andere woorden slechts verboden, wanneer hij voor gevolg heeft twee maal eenzelfde inbreuk te berechten. In de gewijzigde versie van het wetsontwerp zijn alle strafinbreuken onderscheiden van de administratieve inbreuken, zelfs als zij zich rond dezelfde feitelijke achtergrond groeperen
(35). De administratieve en strafrechtelijke inbreuken hebben onderscheiden constitutieve bestanddelen. Zo is voor het administratief beteugelde machtsmisbruik in de zin van artikel 25 Wet Financieel Toezicht geen bewijs nodig voor het gebruik van bedrieglijke middelen, in tegenstelling tot het strafrechtelijk beteugelde misdrijf van koersmanipulatie, bepaald in artikel 39 van dezelfde wet
(36). 18. Wanneer de administratieve geldboete een autonome sanctie vormt ten opzichte van de strafvordering - aangezien zij verschillende inbreuken beteugelen - kan bovenstaande rechtspraak m.i. dan ook niet zonder meer worden doorgetrokken. In dat geval lijken voor de administratieve geldboete niet zonder meer dezelfde internrechtelijke principes te gelden als voor de strafvordering zelf, ook al is de administratieve geldboete strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6.1 EVRM. Het Hof heeft in die zin geoordeeld dat de vaststelling dat een herstel in de oorspronkelijke staat een straf is in de zin van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, enkel meebrengt dat de waarborgen van die bepalingen moeten worden in acht genomen. Het heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden
(37). Het Grondwettelijk Hof heeft in dezelfde zin geoordeeld dat de strafrechtelijke aard van een administratieve geldboete in de zin van artikel 6 EVRM weliswaar meebrengt dat de waarborgen van die bepaling in acht moeten worden genomen, maar niet tot gevolg heeft dat die geldboete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard zou zijn en, bijgevolg dat artikel 71 van het Strafwetboek erop van toepassing zou zijn of zou moeten zijn
(38).
- Waar het onderdeel vaststelt dat de administratieve geldboetes die krachtens artikel 36, §2, Wet Financieel Toezicht worden opgelegd een autonoom strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6.1 EVRM en hier mede uit afleidt dat de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek van toepassing is op die geldboetes, faalt het ook in zoverre m.i. naar recht.
- Wat de (m.b.t. het vierde onderdeel van het vijfde middel) in subsidiaire orde voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreft, moet deze volgens het Hof van Cassatie beantwoorden aan het doeltreffendheidscriterium. De vraag of een wetsbepaling bestaanbaar is met de Grondwet heeft inderdaad slechts zin wanneer het antwoord dat erop gegeven wordt, noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil dat voor de rechter aanhangig is. Wanneer dit niet het geval is, heeft de prejudiciële vraag geen belang
(39). Dit criterium van doeltreffendheid wordt ook toegepast door het Hof van Justitie van de Europese Unie
(40). 21. Het Hof van Cassatie heeft in vaststaande rechtspraak geoordeeld dat de prejudiciële vraag een verband moet hebben met het middel dat de eiser aanvoert. Indien dergelijk verband niet bestaat, wordt de vraag niet gesteld
(41). De reden is dat artikel 26, §2, van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof niet anders kan worden verstaan dan binnen de perken van het geschil voor de feitenrechters
(42). De vraag wordt evenmin gesteld indien zij verwijst naar een rechtstoestand die vreemd is aan deze van de eiser
(43). Dit is m.i. het geval in de voorliggende zaak: in zoverre de vraag verwijst naar de situatie waarin de natuurlijke persoon onvrijwillig en onopzettelijk een inbreuk heeft gepleegd, is die rechtstoestand immers vreemd aan eiser, nu de appelrechters hebben vastgesteld dat hij wetens en willens heeft gehandeld (zodat de decumulregeling sowieso niet geldt).
- De prejudiciële vraag lijkt bovendien te berusten op de premisse dat de Wet Financieel Toezicht geen specifieke afwijkende regeling bevat, zodat - bij gebreke van dergelijke afwijkende regeling - krachtens artikel 100 Strafwetboek de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek van toepassing moet zijn op de administratieve geldboetes die krachtens artikel 36, §2, Wet Financieel Toezicht worden opgelegd wegens een inbreuk op artikel 25 van die wet. Wanneer die decumulregeling niet zou worden toegepast op deze administratieve geldboetes, zou dit volgens het onderdeel een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de natuurlijke personen die strafrechtelijk dan wel administratiefrechtelijk vervolgd worden.
- Zoals reeds hoger aangehaald, blijkt echter uit de tekst van de artikelen 25, §1 en 2, en 36, §1 en 2, Wet Financieel Toezicht en de wetsgeschiedenis dat deze bepalingen een specifieke, andersluidende regeling bevatten op grond waarvan zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon administratiefrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden krachtens artikel 36 Wet Financieel Toezicht wegens een inbreuk op artikel 25, §1, 4°, van voornoemde wet. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die specifieke regeling is ingevoerd ter bevordering van de integriteit van de financiële markten en ter bescherming van de rechten van de rechtsonderhorigen.
- Zelfs indien de principes van het strafrecht ook in het kader van de Wet Financieel Toezicht moeten worden toegepast zoals eiser beweert, zou de decumulregeling op grond van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek dus niet gelden krachtens artikel 100 Strafwetboek. De Wet Financieel Toezicht bevat namelijk een specifieke, andersluidende regeling, waardoor het onderdeel m.i. vertrekt van een onjuiste juridische premisse, zodat het mij voorkomt dat de prejudiciële vraag niet hoeft te worden gesteld. F.
- Het zesde middel komt op tegen de beslissing van de appelrechters om geen administratieve boete noch een nominatieve publicatie op te leggen, maar zich te beperken tot een eenvoudige schuldigverklaring op grond van artikel 25, §1, 4°, Wet Financieel Toezicht, die eiser - in tegenstelling tot de strafprocedure - geen mogelijkheid biedt voor een herstel in eer en rechten, wat schending zou inhouden van de verdragsrechtelijke verplichting om het genot van rechten en vrijheden, waaronder het recht op privéleven, zonder onderscheid te verzekeren.
- Het middel lijkt mij in zijn benadering evenwel te berusten op een onjuiste lezing of interpretatie van de bestreden beslissing, in de mate dat uit de wettelijke bepalingen (van de artikelen 621 en 590, 17°, Wetboek van Strafvordering) weliswaar blijkt dat een eenvoudige schuldigverklaring in bepaalde omstandigheden wel degelijk het voorwerp van een herstel in eer en rechten kan uitmaken, maar dat dit in casu niet het geval is en de aangevoerde ongelijkheid aldus uitgaat van een in deze niet toepasselijke hypothese.
- In zoverre de appelrechters m.i. voor het overige het manifest verschil in behandeling wegens gebrek aan dubbele aanleg verwerpen en beantwoorden, en de ernstige gevolgen van een administratiefrechtelijke beslissing voor het beroepsleven slechts als argument ter ondersteuning van die beweerde onverantwoorde discriminatie waren ingeroepen
(44), staat het mij voor dat ook dat onderdeel niet kan worden aangenomen. III. CONCLUSIE: VERWERPING (van de beide te voegen zaken) en van de vorderingen tot bindendverklaring. ________________________
(1)Zie A. DIRKX, La CBFA, les infractions à la législation financière et la sanction par les amendes administratives, in X., Le droit pénal financier en marche, Louvain-La-Neuve, Anthemis, 2009, 301, nr. 40; X. TATON, Les nouvelles procédures de sanctions devant la FSMA et la BNB, Droit bancaire et financier 2012, 90, nr. 44.
(2)Cf. p. 21-22 van het bestreden arrest.
(3)Cass. 14 oktober 2003, AR P.03.0672.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030514.32, AC 2003, nr. 499; Cass. 2 maart 2005, AR P.04.1644. F, AC 2005, nr. 130 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH; Cass. 28 mei 2013, AR P.13.0066.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9, AC 2013, nr. 327, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 19 mei 2015, AR P.14.0291.N, AC 2015, nr. 322.
(4)Cass. 10 maart 2008, AR S.07.0073.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.8, AC 2008, nr. 166.
(5)Cass. 22 mei 2015, AR F.13.0077.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150522.8, AC 2015, nr. 335.
(6)Zie S. RAES, Hoofdstuk 4. Rechtsbescherming - Beroep tegen handelingen tijdens het onderzoek, in W. DEVROE, K. GEENS en P. WYTINCK (eds.), Mijlpalen uit het Belgisch Mededingingsrecht geannoteerd, Liber amicorum Jules Stuyck, Mechelen, Kluwer, 2013, 409, nr. 37; zie ook Cass. 26 april 2018, AR C.15.0258.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.9, met concl. OM.
(7)Cass. 10 juni 2014, AR P.14.0282.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.4, AC 2014, nr. 413.
(8)EHRM 6 januari 2010, Vera Fernandez-Huidobro t. Spanje, nr. 74181/01, r.o. 115, RPDB, V° Principes généraux du droit, door P. MARCHAL, Brussel, Bruylant, 2014, 148-150.
(9)F. KUTY, L'impartialité du juge en procédure pénale, Brussel, Larcier, 2005, 708-709.
(10)EHRM 10 februari 1983, Albert en Le Compte t. België, serie A, nr. 58, 16, §29; EHRM 21 februari 1984, Ozturk t. Duitsland, serie A, nr. 73, 21-22, §56; EHRM 23 oktober 1995, Schmautzer t. Oostenrijk, serie A, nr. 328-A, 15, §34.
(11)EHRM 26 oktober 1984, De Cubber t. België, nr. 9186/80, r.o. 33; EHRM 7 november 2000, Kingsley t. Verenigd Koninkrijk, nr. 35605/97, r.o. 50-59; EHRM 14 november 2000, Riepan t. oostenrijk, nr. 35115/97, r.o. 39; EHRM 14 november 2006, Tsfayo t. Verenigd Koninkrijk, nr. 60860/00, r.o. 41-49; EHRM 14 maart 2014, Grande Stevens e.a. t. Italië, nrs. 18640/10 e.a., r.o. 138-139 en 161; zie ook F. KUTY, L'impartialité du juge en procédure pénale, Brussel, Larcier, 2005, 709-710.
(12)EHRM 4 maart 2014, Grande Stevens e.a. t. Italië, nrs. 18640/10 e.a., r.o. 138-139 en 161. In die zaak bestond er een schijn van partijdigheid doordat er onvoldoende onderscheid werd gemaakt tussen de opsporings- en beslissingsbevoegdheid binnen het administratief rechtscollege dat in Italië bevoegd is om marktmisbruik te sanctioneren (te vergelijken met de FSMA hier).
(13)EHRM 26 oktober 1984, De Cubber t. België, nr. 9186/80, r.o. 34; EHRM 27 april 2000, Varisli t. Nederland, nr. 39355/98.
(14)EHRM 25 februari 1995, Findlay t. Verenigd Koninkrijk, nr. 22107/93, r.o. 78-79; EHRM 24 september 1997, Coyne t. Verenigd Koninkrijk, 124/1996/743/942, r.o. 57.
(15)EHRM 26 oktober 1984, De Cubber t. België, nr. 9186/80, r.o. 34; EHRM 10 november 2004, Cianetti t. Italië, nr. 55634/00, r.o. 44; zie ook H. BOULARBAH, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 330; F. KUTY, L'impartialité du juge et procédure pénale, Brussel, Larcier, 2005, 712-720.
(16)EHRM 25 november 1993, Holm t. Zweden, nr. 1419/88, r.o. 32-33; EHRM 26 augustus 1997, De Haan t. Nederland, 84/1996/673/895, r.o.52-54; EHRM 15 december 2005, Kyprianou t. Cyprus, nr. 73797/01, r.o. 124, 128 en 134; EHRM 6 januari 2010, Vera Fernandez-Huidobro t. Spanje, nr. 74181/01, r.o. 117, 131 en 136.
(17)F. KUTY, L'impartialité du juge en procédure pénale, Brussel, Larcier, 2005, 720.
(18)J-F VAN DROOGHENBROECK en S. VAN DROOGHENBROECK, Référé et procédure equitable, RCJB 2006, 542, nr. 38.
(19)Cass. 27 februari 2013, AR P.12.1698.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130227.3, AC 2013, nr. 134; Cass. 18 maart 2014, AR P.13.1407.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.4, AC 2014, nr. 213; M. FRANCHIMONT en A. JACOBS, Quelques réflexions sur l'irrecevabilité de l'action publique, in Liber amicorum H-D BOSLY, Brugge, die Keure, 2009, 197-198.
(20)S. ADRIAENSSEN, L'autorité des services et marchés financiers (FSMA), Autorité administrative indépendante?, APT 2014, 307 e.v..
(21)X. TATON, Les nouvelles procédures de sanctions devant la FSMA et la BNB, Droit bancière et financier 2012, 86, nr. 29.
(22)Zie ook Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 2001-2002, nr. 1842/001 en 1843/001, 131.
(23)Cass. 12 januari 2016, AR P.15.0514.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2, AC 2016, nr. 22; EHRM 2 september 2010, Sergey Timofeyev t. Rusland, nr. 12111/04, r.o. 90 en 93; EHRM 14 oktober 2010, Veriter t. Frankrijk, nr. 31508/07, r.o. 64 en 69-70; EHRM 28 juni 2011, Ligeres t. Letland, nr. 17/02, r.o. 68 en 71-76.
(24)Cass. 29 september 2011, AR C.10.0176.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.6, AC 2011, nr. 513; zie ook Cass. 20 februari 2009, AR C.07.0250.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.14, AC 2009, nr. 144; Cass. 4 juni 2013, AR P.12.1137.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130604.2, AC 2013, nr. 337.
(25)Cass. 14 februari 2007, AR P.06.1379.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070214.3, AC 2007, nr. 48; Cass. 19 november 2008, AR P.08.1037.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081119.4, AC 2008, nr. 647; Cass. 10 februari 2010, AR P.09.1281.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5, AC 2010, nr. 92; Cass. 2 februari 2016, AR P.14.0992.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.2, AC 2016, nr. 71; zie ook Chr. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 134-136.
(26)Cass. 2 februari 2016, AR P.14.0992.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.2, AC 2016, nr. 71; Cass. 25 oktober 2005, AR P.0721.N, AC 2005, nr. 536.
(27)Cass. 4 maart 2003, AR P.02.1249.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.14, AC 2003, nr. 149, met concl. van advocaat-generaal DE SWAEF; Cass. 7 september 2004, AR P.04.0465.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.4, AC 2004, nr. 387; Cass. 2 februari 2016, AR P.14.0992.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.2, AC 2016, nr. 71.
(28)Cass. 25 oktober 2005, AR P.05.0721.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.13, AC 2005, nr. 536.
(29)Cass. 9 november 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, AC 2004, nr. 539; Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1334.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.4, AC 2011, nr. 94; Cass. 19 februari 2013, AR P.12.1072.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.5, AC 2013, nr. 453; Chr. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 137.
(30)Cass. 6 mei 2015, AR P.15.0379.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150506.3, Pas. 2015, nr. 293, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH.
(31)Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer, 2001-02, nr. 1842/001 en nr. 1843/001, 60 en 131.
(32)Zie concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH bij Cass. 6 mei 2015, AR P.15.0379.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150506.3, Pas. 2015, nr. 293.
(33)GwH 30 maart 2011, nr. 44/2011, B.29; GwH 11 maart 2009, nr. 42/2009, B.7; in dezelfde zin GwH 20 juni 2007, nr. 86/2007, B.7.5. en B.10.2; GwH 7 december 1999, nr. 128/99, B.7; GwH 14 juli 1997, nr. 40/97 en nr. 45/97, B.3.1, B.5.1-5.3 en B8.
(34)GwH 30 maart 2011, nr. 44/2011, B.32.2.
(35)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 2001-02, nr. 1842/001 en nr. 1843/001, 141-142.
(36)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 2001-02, nr. 1842/001 en nr. 1843/001, 61, 75-76; E. PONNET, Hervorming financieel toezicht - Wet 2 augustus 2002, TBH 2002, 769, nr. 25.
(37)Cass. 4 november 2008, AR P.08.0081.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2, AC 2008, nr. 608.
(38)GwH 30 maart 2011, nr. 44/2011, B.38; zie ook GwH 16 juli 2009, nr. 119/2009, B.6.2.
(39)P. MAFFEI, De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: enkele aspecten en bedenkingen, 2010, 2.
(40)HvJ 6 oktober 1982, Cilfit 283/81, Rec. 1982, 3415.
(41)Zie bijv. Cass. 4 november 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, AC 2004, nr. 539; Cass. 2 maart 2010, AR P.10.0177.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3, AC 2010, nr. 143; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0578.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8, AC 2010, nr. 290; Cass. 29 juni 2010, AR P.10.0006.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5, AC 2010, nr. 468.
(42)L. HUYBRECHTS en M. TRAEST, De weigering door het Hof van Cassatie om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, in A. Arts e.a. (eds.), De verhouding tussen het Arbitragehof, de Rechterlijke Macht en de Raad van State, Brugge, die Keure, 2006, 196.
(43)Cass. 3 mei 2006, AR P.06.0220.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19, AC 2006, nr. 254.
(44)Cass. 13 september 2016, AR P.16.0534.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.8, AC 2016, nr. 486; Cass. 8 december 2016, AR C.15.0240.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161208.5, AC 2016, nr. 704. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.14 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030514.32 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070214.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081119.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.14 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130227.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130604.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150506.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150522.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161208.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div