id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.6 Rolnummer: C.18.0070.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 1270 - laatst gezien 2026-06-29 10:09 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 Fiche 1 De beslissing waarbij de appelrechter zich uitspreekt over de devolutieve kracht van het hoger beroep en beslist om de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek te verwijzen naar de eerste rechter, is een eindbeslissing op tussengeschil in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Beslissingen in feite en in rechte Vrije woorden: Beslissing van de appelrechter om de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek naar de eerste rechter te verwijzen - Eindbeslissing op tussengeschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid, en 1068, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 3 Uit artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en uit de afwezigheid van een wettelijke bepaling die een maximale termijn vanaf de uitspraak voorziet om cassatieberoep aan te tekenen, volgt dat bij gebrek aan betekening of kennisgeving van het bestreden arrest, in beginsel onbeperkt in de tijd cassatieberoep kan worden aangetekend; artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek heeft betrekking op de verjaring en is niet van toepassing op de termijnen om een rechtsmiddel in te stellen, zoals de termijn om zich in cassatie te voorzien
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde Vrije woorden: Gebrek aan betekening of kennisgeving - Duur van het cassatieberoep in de tijd - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1073, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Artikel 2262bis, Burgerlijke Wetboek - Termijnen om een rechtsmiddel in te stellen - Begrip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1073, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 4 Een onderzoeksmaatregel wordt bevestigd in de zin van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wanneer de appelrechter enerzijds de beslissing die aan de grondslag ligt van de onderzoeksmaatregel bevestigt en anderzijds de onderzoeksmaatregel zelf, geheel of gedeeltelijk, bevestigt; de omstandigheid dat de appelrechter die een onderzoeksmaatregel bevestigt, een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter, doet niet er aan af dat hij toepassing dient te maken van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de zaak, in zoverre de beoordeling ervan afhankelijk is van de resultaten van de onderzoeksmaatregel, dient te verwijzen naar de eerste rechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek - Onderzoeksmaatregel - Bevestiging - Begrip - Geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Rechtskundig weekblad [RW] - 2019-20, nr. 16, p. 622-
- - THIRIAR, Pierre; Noot'Cassatietermijn, eindbeslissingen en uitzonderingen op de devolutieve werking van het hoger beroep' Tekst van de conclusie C.18.0070.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- De betwisting kadert in destijds gesloten concessie-overeenkomsten betreffende het exclusief verkoop- en verhuurrecht van Bocat-machines.
- Eiseres verwijt verweerder q.q. onderdelen te hebben verkocht en verhuurd in het haar toegewezen gebied en daardoor haar exclusieve rechten te hebben geschonden. Verweerder q.q. zou zich aldus schuldig hebben gemaakt aan derde-medeplichtigheid inzake contractbreuk, waaromtrent door eiseres schadevergoeding wordt gevorderd.
- De rechtbank van koophandel verklaarde de vordering van eiseres ontvankelijk en stelde, alvorens uitspraak te doen omtrent de gegrondheid ervan, een deskundige aan met opdracht.
- Bij arrest van 9 november 2004 verklaart het bestreden arrest het daartegen ingestelde hoger beroep van eiseres deels gegrond, en het incidenteel beroep van verweerder q.q. ongegrond. Het verwijst de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling na deskundig onderzoek.
- Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat op twee subonderdelen berust
(1). II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
- Verweerder q.q. werpt in zijn memorie van antwoord de onontvankelijkheid van de voorziening op. Hij steunt dit middel van niet-ontvankelijkheid op twee hypotheses, te weten (als eerste) dat het cassatieberoep gericht is tegen een eindbeslissing (met verwijzing naar art. 1073 Ger. W en art. 2262bis, §1, BW) en (als tweede) dat het cassatieberoep gericht is tegen een beslissing alvorens recht te doen (met verwijzing naar artikel 1077 Ger. W.) 1.
- De termijn om zich in cassatie te voorzien wordt bepaald bij artikel 1073 Gerechtelijk Wetboek en bedraagt drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend, behoudens de bepaalde afwijkingen, die hier evenwel niet van toepassing zijn. 1.
- Op basis van het eerste lid van artikel 2262bis, §1, Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een veroordeling bij vonnis of arrest, actio judicati genoemd, door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis
(2). Het komt mij echter voor dat het recht om cassatieberoep in te stellen geen rechtsvordering is waarop de verjaringstermijn bepaald bij dat artikel van toepassing is, maar een rechtsmiddel betreft waarop de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn
(3), in casu inzonderheid artikel 1073 Ger. W.. 1.
- Als zodanig lijkt een proceduretermijn, zoals een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel, dan ook niet te kunnen gelijkgesteld worden met een verjaringstermijn, te meer daar een termijn om een rechtsmiddel aan te wenden m.i. niet beantwoordt aan de in artikel 2219 BW vooropgestelde bepaling omtrent de verjaring (d.w.z. een middel om door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen, of van een verbintenis bevrijdt te worden). 1.
- Reeds eerder
(4)heeft uw Hof in die context trouwens al geoordeeld dat de artikelen 2244 en 2246 Burgerlijk Wetboek enkel betrekking hebben op de verjaring, en niet toepasselijk zijn op de termijnen om een rechtsmiddel in te stellen (o.m. op de termijn om zich in cassatie te voorzien) 1.5. In zoverre de beslissing waarbij de appelrechter zich uitspreekt over de devolutieve kracht van het hoger beroep en beslist om de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid, Ger. W. naar de eerste rechter te verwijzen, een eindbeslissing op tussengeschil is in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger. W., waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat
(5), staat het mij in voormelde benadering dan ook voor dat het cassatieberoep in deze - bij gebrek aan betekening of kennisgeving - onbeperkt in de tijd kan worden aangetekend. 1.
- Waar het cassatieberoep m.i. dan ook niet als laattijdig kan worden beschouwd, dient de grond van niet-ontvankelijkheid ervan derhalve verworpen te worden. X X X
- In het enig middel tot cassatie voert eiseres aan dat de bestreden beslissing, waarbij de zaak wordt terugverwezen naar de eerste rechter voor verdere behandeling na deskundig onderzoek, artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek schendt. Het betreft meer bepaald de draagwijdte en de toepassing van het bepaalde in artikel 1068, tweede lid, Ger. W., volgens hetwelk de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter verwijst, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. 2.
- In zijn arrest van 13 januari 1972
(6)besliste het Hof in het kader van die problematiek dat in geval van hoger beroep tegen gemengde vonnissen (d.w.z. vonnissen die een eindbeslissing inhouden evenals een beslissing waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen) de zaak in haar geheel terug naar de eerste rechter dient verwezen te worden wanneer de appelrechter de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt, overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. 2.2. In zoverre de wetsgeschiedenis leert dat de in het tweede lid van artikel 1068 Ger. W. vervatte verwijzingsverplichting, als uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep, erin werd opgenomen om de overbelasting van de beroepsgerechten te vermijden, en voormelde oplossing volgens een deel van de rechtsleer aldus beter zou beantwoorden aan de rechtszekerheid nu de appelrechter niet verplicht is te onderzoeken wat de juiste aard van de bestreden beschikkingen is
(7), ging een ander deel van de rechtsleer
(8)ervan uit dat hierdoor afbreuk werd gedaan aan de algemene regel van de "verruimde" devolutieve kracht die door artikel 1068, eerste lid, Ger. W. aan het hoger beroep wordt verleend, en die hierop neerkomt dat de zaak in haar geheel wordt overgeheveld naar de appelrechter in geval van hoger beroep tegen een vonnis zodra dit eindbeschikkingen bevat. Waar de toepassing van artikel 1068, tweede lid, Ger. W. naar hun oordeel een uitzondering is op de regel van het eerste lid, dient de zaak volgens hen (krachtens artikel 1068, tweede lid, Ger. W.) enkel terugverwezen te worden naar de eerste rechter, als het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel die door de appelrechter bevestigd wordt. 2.3. In navolging van deze benadering en van de daaraan gekoppelde interpretatie dat artikel 1068 Ger. W. in die zin dient te worden herzien dat de verwijzing naar de eerste rechter krachtens het tweede lid voortaan de uitzondering moet worden, besliste het Hof in zijn arrest van 24 december 1987
(9)dat de appelrechter de bevoegdheid heeft een definitieve beslissing te treffen over die punten van de vordering die niet ernstig betwist kunnen worden, voor zover het vonnis over de eis niet gebaseerd is op de beoordeling van de resultaten van de onderzoeksmaatregel, waarvan de eerste rechter kennis moet nemen. 2.4. Waar een onderzoeksmaatregel slechts wordt bevestigd in de zin van artikel 1068, tweede lid, Ger. W. wanneer enerzijds de beslissing die aan de grondslag ligt van de onderzoeksmaatregel wordt bevestigd en anderzijds de onderzoeksmaatregel zelf wordt bevestigd, dient bij het onderzoek of een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel al dan niet bevestigd wordt derhalve niet enkel de inhoud van de door de eerste rechter en van de door de appelrechter bevolen onderzoeksmaatregel vergeleken te worden, maar dient ook in eerste instantie te worden onderzocht of de appelrechters de beslissing van de eerste rechter die aan de grondslag ligt van de onderzoeksmaatregel, bevestigen dan wel hervormen, te niet doen of wijzigen
(10). Wanneer immers de rechter in hoger beroep, na het hoger beroep gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis teniet doet, wijzigt of hervormt en zelf uitspraak doet over het geschil, mag hij de zaak niet naar de eerste rechter verwijzen, wanneer hij vervolgens zelf een onderzoeksmaatregel beveelt; ook al is die (grotendeels) dezelfde als deze die bevolen werd door het beroepen vonnis
(11). 2.5. In zoverre aanvankelijk werd aangenomen dat de specifieke beperking van de terugverwijzingsplicht enkel geldt voor zover de beslissing die aan de grondslag ligt van de onderzoeksmaatregel wordt vernietigd, hervormt of gewijzigd, en de hervorming van een beslissing die geen verband houdt met de onderzoeksmaatregel aldus geen afbreuk zou doen aan de terugverwijzingsplicht op grond van artikel 1068, tweede lid, Ger. W. wanneer de beslissing die aan de grondslag ligt van de onderzoeksmaatregel en de onderzoeksmaatregel zelf wordt bevestigd
(12), beperkte het Hof in zijn arrest van 10 januari 2011 de terugverwijzingsplicht echter nog verder
(13). 2.6. In dit arrest werd hierover beslist dat de appelrechter ook zelf uitspraak doet over het geschil wanneer hij een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de bevestigde onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter. Uit deze rechtspraak volgt m.a.w. dat de rechter de zaak niet mag terugverwijzen zodra hij eerder welk geschilpunt in andere zin beslecht dan de eerste rechter, ongeacht of dit geschilpunt mee aan de grondslag lag van de onderzoeksmaatregel. In enkele latere arresten ven het Hof werd dit standpunt bijgetreden
(14). 2.7. Bij arrest van 15 september 2017
(15)wordt evenwel weerhouden dat de appelrechter zich ertoe beperkt een onderzoeksmaatregel, zelfs maar gedeeltelijk, te bevestigen, wanneer hij anders beschikt over een geschilpunt dat niet de grondslag van die onderzoeksmaatregel vormt. Deze oplossing komt erop neer dat wanneer de appelrechter de beslissing die de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel en de onderzoeksmaatregel zelf bevestigt, hij de zaak naar de eerste rechter moet verwijzen en zelf geen uitspraak kan doen over alle geschilpunten waarvan de oplossing afhankelijk is van de resultaten van de onderzoeksmaatregel. Over de geschilpunten die daarvan niet afhankelijk zijn, moet de appelrechter zelf oordelen en zijn beslissing over die punten beïnvloedt de verwijzingsplicht niet. 2.8. Deze rechtspraak zoekt en vindt m.i. opnieuw aansluiting bij de eerdere rechtspraak van het Hof waarin werd uitgegaan van de benadering dat de rechter in hoger beroep enkel de geschilpunten dient terug te sturen die afhankelijk zijn van het resultaat van de onderzoeksmaatregel
(16), noch zich het recht mag voorbehouden om de zaak te onderzoeken op grond van de beoordeling van de resultaten van de onderzoeksmaatregel
(17)of zijn beslissing mag steunen op de resultaten van de intussen reeds uitgevoerde onderzoeksmaatregel
(18). Aangenomen werd dat de geschilpunten die beslecht kunnen worden zonder het resultaat van de onderzoeksmaatregel af te wachten, door de appelrechter zelf dienen te worden beslecht
(19). 2.9. Het gevolg hiervan was/is dat - los van het feit dat het niet steeds makkelijk is om uit te maken welke punten van de vordering afhankelijk zijn van het resultaat van de onderzoeksmaatregel en het toch vaak zo blijft dat desondanks de geschilpunten niettemin samenhangend zijn - het risico bestaat dat wanneer het aangevochten vonnis deels eindbeslissingen en deels een onderzoeksmaatregel bevat, het geschil gesplitst wordt
(20). 2.10. Dit neemt m.i. evenwel niet weg dat de verwijzingsverplichting de openbare orde raakt
(21); de verwijzingsverplichting die werd ingevoerd als uitzondering op de devolutieve werking om de overbelasting van de beroepsgerechten te vermijden, betreft immers een regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert, waarvan het onderzoek tot de taak van de rechter behoort. 2.
- Bij hoger beroep krachtens artikel 1068, eerste lid, Ger. W. is de devolutieve werking de regel. Waar luidens dat artikel het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf bij de rechter in hoger beroep aanhangig maakt, is dit definitief onttrokken aan de rechtsmacht van de eerste rechter die zelf geen enkele uitspraak meer kan doen. Daarnaast bevat het tweede lid van artikel 1068 Ger. W. een uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep. Met toepassing van deze bepaling moet de rechter in hoger beroep de zaak naar de eerste rechter terugverwijzen indien hij een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel - zelfs gedeeltelijk - bevestigt. 2.
- Een bevestiging van een onderzoeksmaatregel zoals bepaald in artikel 1068, tweede lid, Ger. W. vergt evenwel een analyse van de uitspraak van de rechter in hoger beroep. Dit komt erop naar dat zodra een "nieuwe" uitspraak van de rechter in hoger beroep over het geschil voorligt, de terugverwijzing uitgesloten is. Indien de rechter in hoger beroep over een geschilpunt een andere uitspraak doet dan de eerste rechter, valt men in beginsel terug op de algemene regel van de devolutieve werking van het hoger beroep
(22). 2.
- Quid echter wanneer de appelrechter zowel de beslissing van de eerste rechter die ten grondslag ligt aan de onderzoeksmaatregel als de onderzoeksmaatregel zelf bevestigt, maar het aangevochten vonnis wijzigt/hervormt op een punt dat niet de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel? 2.
- In het licht van de hoger vermelde benadering en evolutie, evenals van de wetsgeschiedenis, komt het mij dan ook voor-zoals trouwens reeds hoger gesteld-dat bij het onderzoek of een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel al dan niet wordt bevestigd, niet enkel de inhoud van de door de eerste rechter en van de door de appelrechter bevolen onderzoeksmaatregel dient te worden vergeleken, maar tevens dient te worden onderzocht of de appelrechter de beslissing van de eerste rechter die aan de grondslag ligt van de onderzoeksmaatregel bevestigt dan wel hervormt, teniet doet of wijzigt
(23). 2.15. Wanneer de appelrechter anders beschikt over een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de (geheel of gedeeltelijk) bevestigde onderzoeksmaatregel, bevestigt hij de in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel in de zin van artikel 1068, tweede lid, Ger. W. en dient hij de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter
(24). 2.
- Het feit dat de appelrechter, in geval van hoger beroep tegen een gemengd vonnis, de beslissing van de eerste rechter over een geschilpunt hervormt en de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt, impliceert dan ook slechts dat de zaak niet naar de eerste rechter mag worden terugverwezen, indien de door de appelrechter hervormde beslissing betrekking heeft op een geschilpunt dat de grondslag vormt voor de onderzoeksmaatregel. 2.
- Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechter zelf uitspraak doet over het geschil - en de zaak dus niet naar de eerste rechter verwijst - wanneer hij een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de bevestigde onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter, faalt m.i. derhalve naar recht. In zoverre eiseres in casu aldus niet argumenteert dat het geschilpunt waarover het bestreden arrest anders beslist (m.b.t. de compensatie en de derde-medeplichtigheid aan contractbreuk) de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel die het bevestigt, komt het mij dan ook voor dat wanneer de appelrechter de beslissing die de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel en de onderzoeksmaatregel zelf bevestigt, hij de zaak naar de eerste rechter moet verwijzen en zelf geen uitspraak kan doen over alle geschilpunten waarvan de oplossing afhankelijk is van de resultaten van de onderzoeksmaatregelen. Over de geschilpunten die daarvan niet afhankelijk zijn, moet de appelrechter zelf oordelen, en zijn beslissing over die punten beïnvloedt de verwijzingsplicht niet. 2.
- Deze stelling lijkt mij in ieder geval verzoenbaar met de rechtspraak van het Hof luidens dewelke de appelrechter, krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep (die alleen beperkt wordt door de beslissing van de appelrechter die, zelfs gedeeltelijk, een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt), gevat is van het gehele geschil en uitspraak moet doen over de geschilpunten waarvan de oplossing niet afhankelijk is van het resultaat van de onderzoeksmaatregel
(25). Bovendien vormt artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek een uitzondering op het principe dat door het hoger beroep het gehele geschil bij de appelrechter terechtkomt, en door hem moet worden beslecht, uitzondering die evenwel restrictief moet worden opgevat (en waaraan hieromtrent geen afbreuk wordt gedaan). Daarbij mag ook niet uit het oog worden verloren dat de verwijzingsverplichting van openbare orde is en dat het onderzoek daarvan nu eenmaal tot de taak van de rechter behoort, zodat het argument dat het soms moeilijk uit te maken is of een geschilpunt (al dan niet) afhankelijk is van het resultaat van de onderzoeksmaatregel niet overtuigt. Het valt m.i. trouwens evenmin in te zien hoe de eerste rechter beïnvloed zou kunnen worden door de beslissing van de appelrechter over een geschilpunt dat los van de onderzoeksmaatregel staat. 2.19. Vanuit die benadering komt het mij dan ook voor dat de aan de grondslag van de wetsgeschiedenis liggende doeleinden, nl. de goede werking van de appelrechter vrijwaren en de overbelasting van de hoven vermijden, in combinatie met het principe dat de verwijzing naar de eerste rechter krachtens artikel 1068, tweede lid, Ger. W. de uitzondering moet blijven, opnieuw in hun juiste - beperkende - perceptie worden geplaatst, en wordt ingespeeld op de - alleszins toch zo overkomende - groeiende "verruimde expansiedrang" in het kader van de rechtspraak van het Hof, waardoor de slinger van de devolutieve werking van het hoger beroep conform artikel 1068, eerste lid, Ger. W. te ver dreigt uit te slaan en de voorziene uitzondering van artikel 1068, tweede lid, Ger. W. in de verdrukking lijkt te komen en haar bestaansreden dreigt te verliezen. III. CONCLUSIE: VERWERPING. _____________________________
(1)De tegen het arrest van 9 november 2004 door verweerder q.q. ingestelde voorziening in cassatie werd door uw Hof bij arrest van 19 juni 2015 (AR C.14.0435.N) als onontvankelijk afgewezen.
(2)Cass. 7 november 2014, AR C.14.0122.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.7, AC 2014, nr. 683.
(3)B. VAN DEN BERGH, Over de voortzetting van het geding na cassatie met verwijzing en de rechtsplegingsvergoeding vóór en na het cassatiegeding, noot onder Cass. 10 september 2015, AR C.13.0402.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.4-C.13.0403.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.4, RW 2016-17, 340, nr. 3, AC 2015, nr. 502.
(4)Cass. 6 februari 1981, AC 1980-81, nr. 338, JT 1982, 279; zie ook RPDB, pourvoi en cassation en matière civile, nr. 163.
(5)Vgl. Cass. 3 mei 1996, AR C.94.0452.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960503.23, AC 1996, nr. 144; Cass. 13 januari 1972, AC 1972, 468, met noot E. KRINGS.
(6)Cass. 13 januari 1972, AC 1972, 468, Pas. 1972, I, 463, met concl. van advocaat-generaal KRINGS.
(7)K. BROECKX, Hoger beroep tegen een gemengd vonnis, noot onder Cass. 11 januari 1990, RW 1990-91,
(259), 260, AC 1989-90, AR nr. 8706, nr. 293.
(8)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Fac. Liège, 1987, nr. 820; A. KHOL, Effet dévolutif de l'appel sous l'empire du Code judiciaire. Application en cas d'appel d'un jugement contenant à la fois des dispositions définitives et avanat-dire-droit ou d'un jugement d'incompétence, noot onder Cass. 13 januari 1972 en 3 januari 1973, RCJB, 1973, 478-510.
(9)Cass. 24 december 1987, AR nr. 7539, AC 1987-88, nr. 256, Pas. 1988, I, 505, met concl. van advocaat-generaal KRINGS
(508); zie ook cass. 11 januari 1990, AR 8706, AC 1989-90, nr. 293, RW 1990-91, 259, noot K. BROECKX.
(10)B. VANLERBERGHE, Artikelsgewijze commentaar, Ger. W. art. 1068-34, nr. 43.
(11)Cass. 18 maart 2010, AR C.08.0463.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100318.2, AC 2010, nr. 195; Cass. 29 januari 2010, AR C.09.0143.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100129.4, AC 2010, nr. 71; Cass. 5 september 2008, AR C.07.0327.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.1 (voltallige zitting), AC 2008, nr. 452, met concl. van advocaat-generaal DUBULLE; Cass. 12 juni 2008, AR C.07.0121.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2, AC 2008, nr. 366; Cass. 25 januari 2008, AR C.07.0268.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.3, AC 2008, nr. 65; Cass. 26 januari 2007, AR C.06.00077.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2, AC 2007, nr. 50; Cass. 14 oktober 2005, AR C.04.0408.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2, AC 2005, nr. 513; Cass. 29 januari 2004, AR C.01.0537.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7, AC 2004, nr. 53, met concl. van advocaat-generaal THIJS, RW 2004-05, 339, noot S. MOSSELMANS; Cass. 16 september 1991, AR nr. 7502, AC 1991-92, nr. 29.
(12)Zie P. TAELMAN, De devolutieve werking van het hoger beroep, in Meester v/h proces. Topies gerechtelijk recht, LARCIER 2010, 233.
(13)Cass. 11 januari 2011, AR S.09.0102.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110110.3, AC 2011, nr. 23, met concl. van advocaat-generaal MORTIER.
(14)Cass. 7 maart 2011, AR S.10.0010.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110307.1, AC 2011, nr. 183; Cass. 30 januari 2014, AR C.12.0554.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140130.5, AC 2014, nr. 84, met noot B. VAN DEN BERGH, in RW 2015-16, 791-794, Hoger beroep tegen een gemengd vonnis dat een onderzoeksmaatregel beveelt: wie is dan de geschillenrechter in de expertise?; Cass. 7 september 2015, AR C.14.0226.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150907.2, AC 2015, nr. 490.
(15)Cass. 15 september 2017, AR C.16.0340.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.3, AC 2017, nr. 472, met concl. van advocaat-generaal WERQUIN in Pas. 2017, nr. 472.
(16)Cass. 20 oktober 2000, AR C.99.0440.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001020.10, AC 2000, nr. 566; Cass. 5 april 1991, AR nr. 7306, AC 1990-91, nr. 412.
(17)Cass. 9 november 1995, AR C.93.0286.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951109.11, AC 1995, nr. 484; Cass. 6 mei 1993, AR nr. 9566, AC 1993, nr. 224; Cass. 30 januari 1992, AR nr. 9084, AC 1991-92, nr. 284.
(18)Cass. 30 april 2001, AR S.99.0084.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010430.8, AC 2001, nr. 244; Cass. 21 februari 1997, AR C.95.0443.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970221.10, AC 1997, nr. 103; Cass. 30 september 1996, AR S.95.0134.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960930.4, AC 1996, nr. 340.
(19)Cass. 24 december 1987, AR nr. 7539, AC 1987-88, nr. 256; Cass. 11 januari 1990, AR nr. 8706, AC 1989-90, nr. 293, met noot K BROECKX, in RW 1990-91, 259; Cass. 20 oktober 2000, AR C.99.0440.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001020.10, nr. 566; P. TAELMAN, De devolutieve werking naar het hoger beroep, in Meester naar het proces. Topics gerechtelijk recht, LARCIER, 2010, 230-231, nr. 9.
(20)B. VAN DEN BERGH, Artikelsgewijze commentaar, art. 1068-37 en 38, nr. 46.
(21)Cass. 5 januari 2006, AR C.04.0184.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.9, AC 2006, nr. 8, RABG 2006, 833, noot P. VANLERSBERGHE, RW 2005-06, 1264, noot S. MOSSELMANS.
(22)B. VAN DEN BERGH, RW 2015-16,
(791), 793, noot onder Cass. 30 januari 2014; zie ook Cass. 29 januari 2004, AR C.01.0537.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7, AC 2004, nr. 53, met concl. van advocaat-generaal THIJS.
(23)B. VANLERBERGHE, Artikelgewijze commentaar, art. 1068-34, nr. 43, Mechelen, Kluwer, lasbladig; A. DECROËS, L'effet dévolutif de l'appel et le jugement ordonnant une mesure d'instruction, JT 2010, 463-464; B. VAN DEN BERGH, Bevestiging van de onderzoeksmaatregel, zoals bedoeld in art. 1068, tweede lid, Ger. W.: wanneer geldt deze uitzondering op de (verruimde) devolutieve werking van het hoger beroep?, noot bij Cass. 18 maart 2010, TBBR 2012, 111.
(24)Cass. 15 september 2017, AR C.16.0340.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.3, AC 2017, nr. 472, met concl. van advocaat-generaal WERQUIN in Pas. 2017, nr. 472.
(25)Cass. 29 september 2011, AR C.10.0703.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.3, AC 2011, nr. 516. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951109.11 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960503.23 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960930.4 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970221.10 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001020.10 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010430.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100129.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100318.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110110.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110307.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140130.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150907.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div