← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.7 Rolnummer: C.18.0087.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 444 - laatst gezien 2026-06-29 03:42 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.7 Fiche De abnormale vatbaarheid van het pand van de naburige eigenaar sluit het bestaan van burenhinder niet uit, maar kan een weerslag hebben op de omvang van de rechtmatige en passende vergoeding, die de rechter naar redelijkheid moet beoordelen rekening houdend met de omstandigheden van het geval

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - BIJZONDERE AANSPRAKELIJKHEID - Burenhinder Vrije woorden: Abnormale vatbaarheid van het pand van de naburige eigenaar - Vergoeding - Omvang - Beoordeling door de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 544 Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux [JT] - GLANSDORFF, François; Note "Troubles de voisinage: la prise en considération de la réceptivité de l’immeuble endommagé" - 2019, n° 6761, p.
  1. Tekst van de conclusie C.18.0087.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
  2. In opdracht van de verzekerde van verweerster werden aan de straat van eiser wegeniswerken uitgevoerd. In de woning van eiser (die dateert van de 19de eeuw) wordt vochtschade vastgesteld.
  3. In zoverre de uitgevoerde werken, in toepassing van artikel 544 Burgerlijk Wetboek, een verstoring inhouden van het tussen naburen bestaande evenwicht en zij hinder veroorzaken die de normale grenzen van het nabuurschap overstijgen, wordt verweerster door het bestreden arrest tot een beperkte schadevergoeding aan eiser veroordeeld.
  4. Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan, dat op twee onderdelen berust. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
  5. In het eerste onderdeel rijst de vraag naar de invloed van de abnormale vatbaarheid van een pand op de rechtmatige en passende compensatie verschuldigd in het kader van burenhinder (artikel 544 BW).
  6. Deze bijzondere zakelijke gevoeligheid van een onroerend goed voor bepaalde vormen van hinder impliceert dat het erf van de gestoorde buur abnormaal gevoelig is voor een uitoefening van eigendomsbevoegdheden op een ander erf waarvan andere eigendommen geen last zouden ondervonden hebben
(1). 3. In zoverre de gevoeligheid van het beschadigde pand de toepassing van artikel 544 BW niet verhindert
(2), oordeelde uw Hof in het meest recente arrest m.b.t. de voorliggende rechtsvraag
(3)dat de abnormale vatbaarheid van het pand van de naburige eigenaar slechts een weerslag heeft op de rechtmatige en passende vergoeding, wanneer de rechter vaststelt dat zonder de daad, het verzuim of het gedrag van de veroorzaker van de hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, die hinder zich niet zou hebben voorgedaan zoals hij in concreto is ontstaan. 4. Waar de voormelde overweging volgens eiser een schrijffout zou bevatten - in die zin dat het woord "niet" in fine van voormelde passage zou moeten worden weggelaten
(4)- is er naar mijn aanvoelen evenwel geen reden om van de formulering van het arrest van uw Hof van 24 maart 2016 - dus inclusief het woord "niet" - af te wijken. 5. Eisen dat de rechter vaststelt dat de hinder zoals hij zich in concreto heeft voorgedaan, zich ook zonder de daad, het verzuim of het gedrag van de veroorzaker van de hinder zou hebben voorgedaan, zoals het arrest van 15 november 2013, komt m.i. immers neer op het ontkennen van het causaal verband tussen deze daad, het verzuim of het gedrag, en de hinder, in welk geval eenvoudigweg niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 544 BW is voldaan: wanneer de abnormale vatbaarheid van het pand van de gestoorde buur de enige oorzaak van de hinder was, dan kan er uiteraard geen sprake van compensatie zijn
(5).
  1. In zoverre de als dusdanig geformuleerde regel in dat opzicht dan ook niet alleen overbodig lijkt, is hij bovendien zeer streng in de mate dat hij tot gevolg heeft dat er quasi nooit rekening zal kunnen worden gehouden met de abnormale/bijzondere zakelijke gevoeligheid van het naburig pand.
  2. Aldus heeft de abnormale vatbaarheid van een pand m.i. slechts een weerslag op de rechtmatige en passende compensatie zodra de rechter vaststelt dat de hinder zich bij ontstentenis van de daad, het verzuim of het gedrag van de veroorzaker ervan, niet zou hebben voorgedaan zoals deze zich in concreto heeft voorgedaan. De abnormale vatbaarheid heeft dan niet alleen een weerslag op de omvang van de compensatie wanneer de hinder, zoals deze zich in concreto voordeed, zich zonder de daad, het verzuim of het gedrag, op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan, maar ook wanneer de hinder zonder de daad, het verzuim of het gedrag, beperkter zou zijn geweest, dan wel zich op een later tijdstip sowieso zou hebben gemanifesteerd, dus bij verergering of verhaasting ervan
(6). Anders geformuleerd heeft de schadelijdende nabuur geen recht op vergoeding van dat deel van de hinder dat zich ook zonder de daad, het verzuim of enig ander gedrag van de veroorzaker van de hinder zou hebben voorgedaan
(7), en dient de rechter bij het begroten van de compensatie geen rekening te houden met de schade waarvan hij heeft vastgesteld dat zij zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder de daad, het verzuim of enig ander gedrag van de veroorzaker van de stoornis. 8. De in het cassatiearrest van 24 maart 2016 geformuleerde regel inzake de invloed van de abnormale vatbaarheid van een pand op de compensatie uit burenhinder ligt in de lijn van de regel dat het feit dat de pathologische aanleg van een slachtoffer tot de schade heeft bijgedragen, de verplichting van de dader niet uitsluit om die schade volledig te vergoeden, behalve wat de gevolgen betreft die zich hoe dan ook, zelfs zonder fout, zouden hebben voorgedaan
(8). Anders gezegd komt het hierop neer dat de veroorzaker van de schade alle gevolgen ervan moet dragen, met inbegrip van die welke verband houden met de reeds bestaande gebrekkigheid van het slachtoffer, tenzij die gevolgen zich ook zonder zijn fout zouden hebben voorgedaan. 9. De omstandigheid dat het louter bijdragen tot de schade van de pathologische aanleg of de abnormale vatbaarheid geen invloed heeft op de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding/compensatie, lijkt mij hoe dan ook verantwoord door het feit dat de pathologische predispositie of abnormale vatbaarheid in de regel geen fout of tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit uitmaakt
(9). De vraag of er in het kader van de leer van de verstoring van het evenwicht tussen naburige erven al dan niet goede redenen (zouden) zijn om van dit principe van het gemeen schadevergoedingsrecht af te wijken, lijkt mij in deze dan ook niet relevant nu er m.b.t. zowel het aspect van de predispositie als van de evenwichtsleer m.i. als zodanig daarvoor geen voldoende fundamentele relevante elementen/factoren voorhanden zijn. 10. Waar de weerhouden formule toelaat de zakelijke gevoeligheid in rekening te brengen wanneer de hinder, zonder de daad, het verzuim of het gedrag beperkter zou zijn geweest, dan wel zich op een later tijdstip zou hebben gemanifesteerd, komt het mij dan ook voor dat de rechtspraak die rekening houdt met de abnormale vatbaarheid van een pand voor de begroting van de verschuldigde compensatie ingevolge burenhinder, zonder vast te stellen dat de schade zich zonder de daad, het verzuim of de gedraging niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan, moet worden verworpen
(10). Wanneer de abnormale vatbaarheid van het pand evenwel het gevolg is van een fout die aan de schadelijdende nabuur toerekenbaar is of een tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit uitmaakt, lijkt de rechter mij bij de begroting van de compensatie wel met de bijdrage van de abnormale vatbaarheid in de totstandkoming van de hinder rekening te kunnen houden
(11).
  1. In het verlengde van deze benadering lijkt het eerste onderdeel mij dan ook te falen naar recht.
  2. Het tweede onderdeel dat uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid is afgeleid, en voor het overige niet uitlegt hoe en waardoor het bestreden arrest artikel 544 BW schendt, is bijgevolg niet ontvankelijk. III. CONCLUSIE: VERWERPING. ___________________
(1)J. KOKELENBERG, "Burenhinder? Kan U dat bewijzen en bent U misschien geen overgevoelig type?", noot onder Antwerpen 7 februari 2005, TBBR 2007,
(267), 268.
(2)Cass. 26 september 1980, AC 1980-81, nr. 65.
(3)Cass. 24 maart 2016, AR C.15.0308.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.15, AC 2016, nr. 219.
(4)Cass. 15 november 2013, AR C.11.0656.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131115.1, AC 2013, nr. 605.
(5)J. KOKELBERG, Burenhinder?, supra noot
(1); 268; S. STIJNS en H. VUYE, Burenhinder, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 2000, 382.
(6)Zie B. WEYTS, Het leerstuk van de voorbeschiktheid tot schade als loutere toepassing van de regel van integrale schadeloosstelling, RW 2012,
(300), 301-303, noot onder Cass. 2 februari 2011, AR P.10.1601.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110202.2, AC 2011, nr. 98.
(7)F. GLANSDORFF, Troubles de voisinage et responsabilité civile: faut-il tenir compte de la réceptivité anormale de l'immeuble endommagé?, noot onder Cass. 15 november 2013, RCJB 2016, 16; zie ook (contra): S. STIJNS en H. VUYE, Burenhinder, supra noot
(5), 382; V. SAGAERT, Goederenrecht, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, 253.
(8)Cass. 2 februari 2011, AR P.10.1601.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110202.2, AC 2011, nr. 98; Cass. 14 juni 1995, AR P.95.0251.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950614.4, AC 1995, nr. 298; Cass. 6 januari 1993, AR 9980, AC 1993, nr. 7; Cass. 13 oktober 1981, AC 1981-82, nr. 110.
(9)Zie in dit verband ook: F. GLANSDORFF, Troubles de voisinage et responsabilité civile, supra noot
(7), 23.
(10)Zie bijv.: Gent 22 februari 2008, T. Verz. 2009, 62; Antwerpen 7 februari 2005, NjW 2005, 1060, noot I. BOONE; Gent 1 oktober 2004, T. Verz. 2005, 566, noot Ph. FONTAINE; Brussel 6 april 2001, RGAR 2002, nr. 13608.
(11)Zie in dat verband ook: VAN OMMESLAGHE, in De Page, Les obligations, T. II, 2013, nr. 1018 en 1020. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950614.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110202.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131115.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.