← België

ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181113.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181113.1 Rolnummer: P.17.1213.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-05 Raadplegingen: 465 - laatst gezien 2026-06-28 09:39 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.1 Fiche Uit het verplicht karakter van de door artikel 16.6.4, eerste lid, DABM bedoelde veroordeling tot herstel volgt niet dat de strafrechter deze herstelmaatregel ook moet bevelen indien voor hem wordt aangevoerd en ook blijkt dat ingevolge een bestuurlijke beslissing of feitelijke omstandigheden de gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf van het achterlaten van afvalstoffen in strijd met de decretale bepalingen verdwenen zijn en de herstelmaatregel geen voorwerp meer heeft; de strafrechter moet in dat geval onderzoeken of de maatregel noodzakelijk is om de gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf te laten verdwijnen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Achterlaten van afvalstoffen in strijd met het Materialendecreet - Herstelmaatregel - Verplichte veroordeling tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen - Grens Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 05-04-1995 - Art. 16.6.4, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Milieurecht [T.M.R.] - VAN ORSHOVEN, Jonas; DEVOS Dominique; Noot "De verplichte herstelmaatregel bij achterlaten van afvalstoffen, niet meer zo verplicht?" - 2019, nr. 3, p. 323-
  1. Tekst van de conclusie P.17.1213.N Conclusie van advocaat-generaal Timperman: I/
  2. De eisers werden vervolgd voor het storten van slib afkomstig van grondboringen in zogenaamde bezinkbekken in agrarisch gebied (telastleggingen A en B) en voor aanmerkelijke reliëfwijziging zonder in het bezit te zijn van een schriftelijke voorafgaande stedenbouwkundige vergunning (telastleggingen D1 en D2). De eisers 1 en 2 werden ook vervolgd wegens het vervoeren zonder identificatieformulier van slib afkomstig van grondboringen naar een niet vergunde afvalverwerkingsinrichting (telastlegging C1 en C2) en om als eigenaars te hebben toegelaten dat op hun eigendom een stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd, namelijk het storten van slib afkomstig van grondboringen in zogenaamde bezinkbekken in agrarisch gebied (telastleggingen E1 en E2).
  3. Bij vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 21 november 2016 werden de eisers 1 en 2 vrijgesproken voor de telastleggingen E1 en E
  4. De feiten van de overige telastleggingen, zoals deels geherkwalificeerd, werden in hoofde van de respectievelijke eisers bewezen verklaard en bestraft zoals weergegeven in het bestreden arrest
(1). De eisers werden bovendien veroordeeld tot het verzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde telastleggingen A1, A2, zoals beiden geherkwalificeerd, B1 en B2, binnen de zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 125 euro per dag vertraging. De eiseres stelden op 19 december 2016 hoger beroep in. De eisers 1 en 2 specifieerden in hun grievenformulier dat hun beroep geldt tegen de veroordeling tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen en de dwangsom die hieraan wordt gekoppeld
(2). 3. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 10 november 2017 bevestigde (onder andere) de veroordeling van de eisers: - tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen een termijn van zes maanden en onder verbeurte van een dwangsom, geplafonneerd weliswaar tot 100.000 euro. - tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het of door het Vlaamse Gewest, voor zover de eisers het afval zelf niet verwijderen binnen de gestelde termijn. Relevant voor de beoordeling van de cassatieberoepen is ook de beslissing van de appelrechters dat zij niet te oordelen hebben over de beslissing van de eerste rechter tot het in voortzetting stellen van de stedenbouwkundige herstelvordering
(3). Bij akte van 27 november 2017 stelden de eisers cassatieberoep in tegen het arrest van 10 november 2017 en dit tegen al de beschikkingen hen betreffende. II/ In een memorie ter griffie van het Hof ontvangen op 24 januari 2018 voeren de eisers 1 en 2 vier middelen aan. In hun eerste middel bekritiseren zij het hierna geciteerde oordeel van de appelrechters: ‘Terecht heeft de eerste rechter de eerste (en) tweede (eiser) (...) overeenkomstig artikel 16.6.4 Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid veroordeeld tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen. Het betreft een verplichte veroordeling die de rechter geen beoordelingsruimte laat. De veroordeling dient dan ook niet met redenen omkleed te zijn. Van een zogenaamde schending van het ‘algemeen rechtsbeginsel scheiding der machten' is hierdoor geen sprake'
(4). De eisers voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, artikel 149 van de Grondwet, artikel 16.6.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 6.1 EVRM en het erin begrepen evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel. 1.1 De eisers hadden in hun appelconclusie aangevoerd dat aan de grondeigenaar op 11 januari 2016 een regulariserende stedenbouwkundige vergunning voor reliëfwijziging werd verleend waarin werd geacteerd dat de Grondbank het gebruikte slib voor de ophoging kwalificeert als code 211 als bouwstof met vrij gebruik. Aldus zou de grondeigenaar over een legitieme titel beschikken die hem toelaat de opgehoogde grond te laten liggen. De eisers voeren in het eerste onderdeel aan dat de appelrechters nalaten te onderzoeken welk rechtsgevolg er moet verbonden worden aan het bestaan van die definitief geworden administratieve rechtshandeling, meer bepaald welke de invloed is van die stedenbouwkundige vergunning op de toepassing van artikel 16.6.4, eerste lid, DABM dat bepaalt dat wie afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, door de strafrechter wordt veroordeeld tot het inzamelen, vervoeren en verwerken ervan binnen een door hem vastgestelde termijn. Met het bekritiseerde oordeel zouden de appelrechters evenmin een antwoord hebben gegeven op het verweer van de eisers dat de rechter acht moet slaan op regelmatig tot stand gekomen overheidsbeslissingen en dat de rechter krachtens het beginsel van de scheiding der machten zulke beslissing enkel naast zich mag neerleggen indien hij vaststelt dat ze onwettig is. 1.2 Uw Hof besliste meermaals dat de maatregelen die de rechter beveelt op grond van artikel 16.6.4 (of artikel 16.6.6 DABM) maatregelen zijn van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering vallen
(5). A/ De veroordeling tot het inzamelen, vervoeren en verwijderen van de achtergelaten afvalstoffen is in beginsel het verplichte gevolg van een veroordeling wegens het achterlaten van afvalstoffen. De parlementaire voorbereiding van artikel 16.6.4 DABM illustreert het standpunt van de decreetgever: "Naast het opleggen van een gevangenisstraf en/of een geldboete moet de strafrechter de overtreder veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van achtergelaten afvalstoffen en tot de mogelijke terugbetaling van de kosten ervan"
(6). Op het verplichte karakter van het herstel in natura wijzen in de doctrine BILLIET, DE SMEDT en VAN LANDEGHEM waar zij stellen dat het "belangrijk is aan stippen dat, blijkens de bewoordingen van artikel 16.6.4 DABM, het een verplicht of obligatoir herstel in natura betreft. De rechter heeft op dit punt geen beoordelingsbevoegdheid. Hij is verplicht de verwijdering van de afvalstoffen op te leggen"
(7). Het komt mij echter voor dat, wanneer de rechter vaststelt dat de opgelegde maatregel onredelijk, onevenredig of disproportioneel overkomt, of dat die maatregel niet meer noodzakelijk is om de gevolgen van het misdrijf te doen verdwijnen rekening houdend met een ondertussen door het bestuur verleende vergunning, hij de vordering tot het inzamelen, vervoeren en verwijderen van de achtergelaten afvalstoffen kan afwijzen. Een verweer, gericht tegen een herstelvordering, dat aanvoert dat er een regulariserende vergunning is, kan m.i. niet worden afgedaan met de enkele overweging dat het decreet verplicht om een herstelmaatregel op te leggen. Het heeft immers geen zin een maatregel op te leggen wanneer (bijvoorbeeld) door een administratieve vergunning de gevolgen van het misdrijf teniet worden gedaan. Het ontzeggen van enig toetsingsrecht aan de rechter heeft tot gevolg dat een aangevoerd probleem met betrekking tot de herstelmaatregel wordt verplaatst naar de fase van de tenuitvoerlegging. B/ Hoger vernoemde auteurs werpen in verband met de rigiditeit van artikel 16.6.4 wel op dat "de vraag rijst of dit verplicht herstel in natura, wanneer het gaat om de verwijdering van afvalstoffen, steunt op een verantwoorde argumentatie, te weten dat voor alle andere milieumisdrijven van titel XVI aan de rechter wel een appreciatiebevoegdheid toekomt bij de beoordeling van de vraag om herstel, waarbij naar omstandigheden ook kan worden beslist om geen herstel op te leggen. In de parlementaire voorbereiding zoekt men alvast vruchteloos naar een verantwoording voor het gemaakte onderscheid, wat de vraag doet rijzen of artikel 16.6.4 DABM niet op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel"
(8). In deze context verdient de verhouding tussen artikel 16.6.4 DABM en artikel 1.6.6.6 DABM bijzondere aandacht. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechtbank, naast de straf, ofwel ambtshalve, ofwel op vordering van het openbaar ministerie, ofwel op vordering van de gemachtigde ambtenaar, ofwel op vordering van de burgerlijke partij, bevelen om de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen, het strijdige gebruik te staken of aanpassingswerken uit te voeren. Als de gemachtigde ambtenaar daartoe een herstelvordering indient, gebeurt dat op grond van deze vordering. Het zou onlogisch zijn dat de rechter bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM onder omstandigheden de maatregel kan afwijzen
(9), terwijl dat niet mogelijk zou zijn bij de toepassing van artikel 16.6.4 DABM. Aangezien beide bepalingen dezelfde doelstelling beogen (het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke toestand door verwijdering van de gestorte materie), is zulke ongelijke behandeling niet te verantwoorden, te meer daar de gemachtigde ambtenaar zich bewust afzijdig zou kunnen houden om de rechter te verplichten tot een herstelmaatregel met toepassing van artikel 16.6.4 DABM. Ook dit ondersteunt de visie dat artikel 16.6.4 DABM een appreciatiebevoegdheid moet laten aan de rechter. De appelrechters die in casu nalaten de rechtsgevolgen te onderzoeken van de administratieve vergunning waarop de eisers zich in hun verweer hebben beroepen, schenden de met het onderdeel als geschonden aangevoerde bepalingen. Het eerste en het vierde onderdeel van het eerste middel zijn gegrond. De overige onderdelen van het middel alsook het tweede en derde middel kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. De cassatie van de veroordeling tot het inzamelen van de afvalstoffen leidt tot de cassatie van de veroordeling op grond van artikel 16.6.4, tweede lid, DABM tot de terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of door het Vlaamse Gewest, alsook van de veroordeling tot de betaling van een dwangsom die wordt gekoppeld aan de veroordeling tot het inzamelen van de afvalstoffen.
  1. A/ Het tweede middel voert de schending aan van de artikelen 2 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 van de Grondwet en artikel 6.1.41, §4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook de miskenning van de bewijskracht van de stedenbouwkundige herstelmaatregel van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur van 24 augustus
  2. Het bestreden arrest oordeelt dat "voor de eerste en de tweede beklaagde (...), de beslissing tot het in voortzetting zetten van de beoordeling van de herstelvordering definitief [is]". Het middel voert aan dat deze beslissing kennelijk ingegeven is door de idee dat, anders dan de andere verdachten, eisers 1 en 2 tegen die beweerde beslissing van de eerste rechter geen hoger beroep hebben aangetekend. Het middel voert aan dat dit weliswaar juist is, maar dat eisers 1 en 2 tegen dergelijke beslissing van de eerste rechter geen beroep konden aantekenen, vermits de eerste rechter tegen hen zulke beslissing niet heeft uitgesproken, aangezien tegen hen bij de procureur des Konings nooit een herstelvordering werd ingediend zodat de correctionele rechtbank er door de dagvaarding van het openbaar ministerie nooit van geadieerd is geweest. B/ De eisers 1 en 2 hebben hoger beroep aangetekend tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis (randnummer 1.2, pagina 16 bestreden arrest). In hun grievenformulier hebben zij de saisine van de appelrechter wat hen betreft verder begrensd door te specifiëren dat het hoger beroep geldt tegen de veroordeling tot het inzamelen, vervoeren en verwijderen van de achtergelaten afvalstoffen en de dwangsom die hieraan wordt gekoppeld (randnummer 2.2, pagina 17). Het openbaar ministerie deed afstand zijn hoger beroep tegen de eerste en tweede beklaagde (randnummer 3.1, pagina 19). Anders dan de eisers 3 en 4 hebben de eisers 1 en 2 in hun grievenformulier niet de rubriek 1.8 (andere maatregelen) aangekruist daarbij specifiërend dat de stedenbouwkundige herstelvordering moet worden afgewezen. De appelrechters stellen met de bekritiseerde redenen (randnummer 13, pagina 31 in fine) enkel vast dat de beslissing tot het in voortzetting zetten van de beoordeling van de herstelvordering in hoofde van de eisers 1 en 2 definitief is. Hierdoor beslissen ze niet ultra petita of met overschrijding van hun bevoegdheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. C/ De herstelvordering werkt in rem
(10)en kan wettig bevolen worden zelfs al is de veroordeelde geen eigenaar van het onroerend goed waarop de maatregel betrekking heeft
(11); zij is van toepassing op alle deelnemers aan het misdrijf waarop zij is geënt. De initiële herstelvordering, zoals voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid die terzake een gunstig advies uitbracht, en zoals hernomen in de brief van 24 augustus 2015 gericht aan het ambt van de Procureur des Konings bij het parket West-Vlaanderen - afdeling Kortrijk, stukken waar het Hof acht vermag op te slaan, vermeld onder personalia weliswaar enkel de naam van de eiser 3, maar beschrijft de wederrechtelijke werken, handelingen en wijzigingen als volgt: (in de vordering geformuleerd in de adviesaanvraag:) wijzigen van het reliëf van de bodem door het storten van slib zonder in het bezit te zijn van een stedenbouwkundige vergunning; (in de brief aan de Procureur des Konings:) wijzigen van het reliëf zonder stedenbouwkundige vergunning. De eisers 1 en 2 werden vervolgd en door het beroepen vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 21 november 2016 definitief strafrechtelijk veroordeeld voor (onder andere) de feiten omschreven onder de tenlasteleggingen D1 en D2, te weten: - (D1) bij inbreuk op artikel 99, §1-4°, strafbaar gesteld door de artikelen 146, al. 1- 1° van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, handelingen, werken of wijzigingen hetzij zonder voorafgaande vergunning hetzij in strijd met de vergunning hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning hetzij in geval van schorsing van de vergunning te hebben uitgevoerd, voortgezet of in stand gehouden, zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning het reliëf van de bodem aanmerkelijk te hebben gewijzigd, namelijk het storten van slib afkomstig van grondboringen in zogenaamde bezinkbekken in agrarisch gebied in de nabijheid van de Grote Spierebeek, in effectief overstromingsgebied; - (D2) bij inbreuk op artikel 4.2.1.4°, strafbaar gesteld door artikel 6.1.1., al.1-1° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering op 15 mei 2009, de bij artikelen 4.2.
  1. en 4.2.15 bepaalde handelingen, hetzij zonder voorafgaande vergunning hetzij in strijd met de vergunning hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning hetzij in geval van schorsing van de vergunning te hebben uitgevoerd, voortgezet of in stand gehouden, zonder voorafgaande vergunning, het reliëf van de bodem aanmerkelijk te hebben gewijzigd, onder meer door de bodem aangevuld te hebben, opgehoogd, uitgegraven of uitgediept te hebben waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt, namelijk het storten van slib afkomstig van grondboringen in zogenaamde bezinkbekken in agrarisch gebied in de nabijheid van de Grote Spierebeek, in effectief overstromingsgebied. Hieruit volgt dat de herstelvordering tegen de eisers 1 en 2 werd ingesteld. In zoverre het middel ervan uitgaat dat tegen de eisers 1 en 2 nooit een herstelvordering werd ingediend, kan het evenmin worden aangenomen. II/ In een memorie ter griffie van het Hof ontvangen op 24 januari 2018 voeren de eisers 3 en 4 eveneens vier middelen aan.
  2. Het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel van de eisers 3 en 4 hebben dezelfde strekking als respectievelijk het eerste en het vierde onderdeel van het eerste middel van de eisers 1 en 2 en zijn om dezelfde redenen gegrond. Het tweede onderdeel van het eerste middel van deze eisers alsook het derde en vierde middel kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. De cassatie van de veroordeling tot het inzamelen van de afvalstoffen leidt tot de cassatie van de veroordeling op grond van artikel 16.6.4, tweede lid, DABM tot de terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of door het Vlaamse Gewest, alsook van de veroordeling tot de betaling van een dwangsom die wordt gekoppeld aan de veroordeling tot het inzamelen van de afvalstoffen.
  3. Het tweede middel voert de schending aan van de artikelen 2 en 806 van het Gerechtelijk Wetboek, 149 van de Grondwet en 204 en 210 van het Wetboek van Strafvordering alsmede de miskenning van het recht van verdediging. 2.1 A/ Het eerste onderdeel voert de schending aan van de artikelen 2 en 806 van het Gerechtelijk Wetboek: hoewel de eisers 3 en 4 in eerste aanleg de afwijzing van de stedenbouwkundige herstelvordering hebben gevraagd, stelde de eerste rechter vast dat de zaak niet in staat van wijzen was. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep daartegen niet ontvankelijk is omdat het gericht is tegen een inwendige maatregel; wanneer een beslissing uitspraak doet over een rechts- of feitenkwestie is evenwel geen sprake meer van een inwendige of administratieve beslissing. B/ De huidige tekst van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, dat betrekking heeft op de behandeling en berechting van zaken bij verstek, werd ingevoerd bij de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, die op 1 november 2015 in werking trad. De huidige tekst van deze bepaling is te dezen van toepassing en is vreemd aan de grief. In zoverre het onderdeel de schending ervan aanvoert, faalt het bijgevolg naar recht. C/ Een beslissing van inwendige aard waartegen geen hoger beroep mogelijk is, is een beslissing die de belangen van de partijen niet kan schaden en niet oordeelt over de feiten, noch over de voorliggende rechtsvraag. Het beroepen vonnis oordeelde (randnummer 21, pagina 32): "Daar de rechtbank op basis van de haar thans voorgelegde stukken niet in de mogelijkheid verkeert om te oordelen of op heden effectief aan al deze voorwaarden is voldaan, en of de toestand bijgevolg inderdaad op stedenbouwkundig gebied (hetzij deels, hetzij volledig) is geregulariseerd, is de rechtbank van oordeel dat de zaak wat betreft de gevorderde herstelvordering niet in staat van wijzen is. De voortzetting van de zaak naar de openbare terechtzitting zoals hierna bepaald, moet het openbaar ministerie en de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur toelaten standpunt in te nemen omtrent het al dan niet zonder voorwerp zijn van de herstelvordering op stedenbouwkundig gebied". Om die redenen stelde het beroepen vonnis vast dat wat de stedenbouwkundige herstelvordering betreft de zaak niet in staat van wijzen was en stelde het de zaak in voortzetting naar de openbare rechtszitting van 20 maart
  4. Het arrest oordeelt (randnummer 13, pagina 32, tweede alinea): "De beslissing van de eerste rechter beperkte zich tot de vaststelling dat de herstelvordering niet in staat van wijzen was en het, om die redenen, in voortzetting stellen van de behandeling ervan. Dit is een maatregel van inwendige aard: de eerste rechter nam hiermee immers een beslissing waarbij geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard of geen enkel feitelijke of rechtsvraag werd beslecht, of waarbij hij daarover een beslissing wees op erop vooruitliep, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen. Dergelijke beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep." Op grond van deze redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.2 A/ Het tweede onderdeel voert de schending van artikel 149 van de Grondwet aan. Volgens eisers 3 en 4 is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd en dubbelzinnig waar het enerzijds oordeelt niet te kunnen beslissen over het hoger beroep inzake de beslissing over de stedenbouwkundige herstelvordering en anderzijds de beslissing bevestigt waarbij de burgerlijke belangen worden aangehouden, waarvan deze herstelvordering deel uitmaakt. B/ In zoverre het onderdeel een dubbelzinnigheid in motivering aanvoert zonder te preciseren in welke lezing het arrest wettig is en in welke lezing het onwettig is, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. C/ Het beroepen vonnis van 21 november 2016 (pagina 40) houdt ambtshalve de (eventuele) burgerlijke belangen aan overeenkomstig artikel 4 V.T.Sv. (zoals gewijzigd bij wet van 13.04.2005 - BS 03.05.2005). Het bestreden arrest (randnummer 14, pagina 32) bevestigt deze beslissing. Krachtens artikel 4, eerste lid, V.T.Sv. kan de burgerlijke rechtsvordering voortspruitend uit een misdrijf voor de strafgerechten worden vervolgd indien zij tezelfdertijd en voor dezelfde rechter als de strafvordering wordt ingesteld. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel houdt de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is. Het derde lid van hetzelfde artikel bepaalt dat, onverminderd het recht om de zaak bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie neergelegd verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos kan verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen. Het vierde lid van het vermelde artikel bepaalt dat dit verzoekschrift als burgerlijke partijstelling geldt. Die bepalingen beogen de benadeelde die zijn burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding uit een misdrijf niet tezelfdertijd en voor dezelfde rechter als de strafvordering heeft ingesteld, toe te laten zich vooralsnog voor die strafrechter burgerlijke partij te stellen, zelfs na de beoordeling van de strafvordering, teneinde ook over zijn vordering een uitspraak te verkrijgen. De stedenbouwkundige herstelmaatregel beoogt niet zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar het ongedaan maken van de gevolgen van het misdrijf in het algemeen belang
(12). In zoverre het onderdeel uitgaat van de rechtsopvatting dat een beslissing waarbij de burgerlijke belangen ambtshalve werden aangehouden overeenkomstig artikel 4 V.T.Sv. ook betrekking heeft op de stedenbouwkundige herstelvordering, faalt het naar recht. Hieruit volgt dat de aangevoerde tegenstrijdigheid in motieven zich niet voordoet; in zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 2.3 A/ Het derde onderdeel van het tweede middel voert de schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsook de miskenning van het recht van verdediging. Het arrest wijst het hoger beroep van de eisers 3 en 4 inzake de stedenbouwkundige herstelvordering af als onontvankelijk, terwijl hun grief enkel de afwijzing van de stedenbouwkundige vordering betrof bij gebrek aan voorwerp. Aldus miskent het arrest hun recht van verdediging doordat de eisers niet vooraf de gelegenheid kregen om daarover standpunt in te nemen. Geen enkele wetsbepaling verplicht de appelrechter, die kennis neemt van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in correctionele zaken, en die oordeelt dat het hoger beroep op een bepaald punt niet ontvankelijk is, de appellant de gelegenheid te bieden om daarover standpunt in te nemen. De omstandigheid dat het rechtsmiddel van hoger beroep deels niet ontvankelijk kan worden verklaard is een gegeven waarmee de appellant rekening dient te houden. Het derde onderdeel dat volledig uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht. Conclusie: Vernietiging, met verwijzing naar een ander hof van beroep, van het bestreden arrest in zoverre het de eisers 1, 2, 3 en 4 bij toepassing van artikel 16.6.4 DABM verplicht het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen onder verbeurte van een dwangsom en tot de terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of door het Vlaamse Gewest voor zover zij het afval niet zelf verwijderen binnen de gestelde termijn. Verwerping voor het overige. _____________________
(1)Pagina's 9 tot 11, 13 en 14.
(2)Bestreden arrest pagina 17, rubriek 2.2.
(3)Bestreden arrest randnummer 13, pagina 31 in fine en 32.
(4)Bestreden arrest randnummer 12, pagina 30.
(5)Cass. 15 september 2015, P.15.0911.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.7, AC 2015, nr. 517; Cass. 11 oktober 2016, P.16.0473.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161011.3, AC 2016, nr. 561.
(6)Memorie van toelichting, Parl.St. Vl.Parl. 2006-07, nr. 1249/1, 74.
(7)Zie in dezelfde zin Gent 26 april 2013, TMR 2013, p. 534.
(8)C.M. BILLIET, P. DE SMEDT en H. VAN LANDEGHEM, "Vlaamse milieuhandhaving nieuwe stijl", TMR 2009, p. 367.
(9)M.b.t. de spiegelbeeldbepaling van artikel 16.6.6 DABM in de VCRO, artikel 6.1.41 VCRO, oordeelde uw Hof dat het herstel van de plaats in de vorige staat enkel door de rechter kan worden bevolen op voorwaarde dat hij vaststelt dat die maatregel nog noodzakelijk is om de gevolgen van het misdrijf te doen verdwijnen rekening houdend met de ondertussen door het bestuur verleende vergunningen (Cass. 10 maart 2017, C.14.0189.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170310.3, AC 2017, nr. 172).
(10)Cass. 29 oktober 1996, AR P.96.0336.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961029.4, AC 1996, nr. 406; Zie: Concl. van advocaat-generaal Vandewal bij Cass. 10 maart 2017, AR C.14.0162.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170310.2, AC 2017, nr. 171.
(11)Cass. 19 september 1989, AR 1545, AC 1989-1990, nr. 41; Cass. 19 oktober 1999, AR P.98.0257.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991019.9, AC 1999, nr. 543.
(12)Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1066.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.1, AC 2010, nr. 19; Cass. 8 september 2009, AR P.09.0341.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090908.2, AC 2009, nr. 483. PDF document ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181113.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961029.4 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991019.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090908.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161011.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170310.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170310.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.